Tom Jones

Part 26

Chapter 264,052 wordsPublic domain

Daarop drukte hij Blifil de hand, en betuigde, met een eed, dat hij alleen zijn schoonzoon zou worden. Kort daarna vertrok hij, verklarende dat de boel bij hem aan huis zoodanig in de war was, dat het noodzakelijk was voor hem spoedig aanwezig te zijn, ten einde te beletten, dat zijne dochter de deur uitliep,—en wat Jones betrof, hij zwoer, dat als hij hem ooit in zijn huis vond, hij zich niet ontzien zou hem zoodanig toe te takelen, dat hij verder voor alle verliefdheid ongeschikt zou zijn.

Toen Allworthy en Blifil alleen bleven, volgde er eene lange stilte, alleen afgebroken door de zuchten van den jongen heer, welke gedeeltelijk uit teleurstelling, maar nog meer uit haat voortkwamen; want de voorspoed van Jones was pijnlijker voor hem dan het verlies van Sophia.

Eindelijk vroeg hem zijn oom, wat hij voornemens was te doen, en hij antwoordde als volgt:

„Helaas, oom, kan men er aan twijfelen wat een minnaar doen zal als de rede en de liefde verschillende wegen aanwijzen? Ik vrees dat het maar al te zeker is, dat hij in dien nood, altijd aan de stem van deze laatste gehoor zal geven. De rede gebiedt mij alle gedachte op te geven aan een meisje, dat hare neiging op iemand anders gevestigd heeft;—mijne liefde doet mij hopen, dat zij, met ter tijd, ten mijnen gunste veranderen zal. Hiertegen, weet ik dat men één bezwaar zou kunnen opperen, dat, als ik het niet dadelijk overwinnen kon, mij van alle verdere aanzoek afschrikken moest. Ik bedoel de onregtvaardigheid van de poging om iemand anders te verdringen in een hart, dat hij reeds schijnt te bezitten; maar het bepaalde besluit van den heer Western bewijst, dat ik, in dit geval, door zoo te handelen, het geluk zal bevorderen van allen die in deze zaak betrokken zijn,—niet slechts van den vader, die uit de diepste ellende gered zal worden, maar ook van de beide anderen, die door een dergelijk huwelijk te gronde gaan zouden. De jonge dame zou zeker in alle opzigten diep ongelukkig zijn, want behalve het verlies van het grootste gedeelte van haar eigen vermogen, zou zij niet slechts getrouwd zijn met een bedelaar, maar zij zou het ook moeten aanzien, dat hij het weinige geld, dat haar vader haar niet onthouden kan, verspilde aan het meisje waarmede hij steeds nog omgaat.—Ja,—dat zou slechts eene kleinigheid zijn;—maar ik ken hem als een der slechtste menschen ter wereld;—en had mijn goede oom slechts dat geweten, wat ik zoo lang getracht heb te verbergen, dan zou hij al lang den losbandigen ellendeling verzaakt hebben.”

„Hoe!” riep Allworthy; „heeft hij nog slechtere dingen gedaan dan die mij bekend zijn? Deel me alles mede,—dat verlang ik!”

„Neen,” hernam Blifil; „het is nu alles voorbij en misschien zal hij er berouw over gevoeld hebben,”

„Het is uw pligt, en ik beveel u,” zei Allworthy, „om mij alles mede te deelen.”

„Ge weet wel, oom, hernam Blifil, dat ik u steeds gehoorzaamd heb; maar het spijt me dat ik er nu van sprak, daar men dit ligt aan wraakzucht zou kunnen toeschrijven, die, God dank, nooit bij mij opgekomen is,—en als ge me nu dwingt alles te ontdekken, moet ik ook smeeken dat ge hem alles vergeven zult.”

„Ik wil van geene voorwaarden hooren,” hernam Allworthy. „Ik geloof dat ik hem liefde genoeg bewezen heb,—en meer misschien, dan gij zult goed gevonden hebben.”

„Of liever meer dan hij verdiende,” riep Blifil; „want op den dag zelven toen gij in het grootste gevaar verkeerdet, terwijl ik en de heele familie onze tranen niet bedwingen konden, vulde hij het huis met luidruchtigheid en losbandigheid. Hij dronk en zong en brulde het uit, en toen ik hem een zachten wenk gaf omtrent het ongepaste zijner handelwijze, geraakte hij in drift, braakte eene reeks van vloeken uit, noemde mij een schurk en sloeg mij.”

„Hoe!” riep Allworthy, „heeft hij het gewaagd de hand aan u te slaan?”

„O”, zeide Blifil, „dat heb ik hem vergeven,—al lang geleden,—zeker! Ik wilde maar dat ik hem even gemakkelijk zijne ondankbaarheid kon vergeven jegens zijn grootsten weldoener,—en toch hoop ik, dat gij het hem zult vergeven, daar hij zeker door een boozen geest bezield was; want juist dien avond, terwijl de heer Thwackum met mij een mondvol versche lucht schepte in de velden, en wij ons verheugden over de eerste teekenen van beterschap, die zich toen bij u vertoonden, zagen wij hem met een meisje bezig op eene wijze, die ik niet beschrijven kan. De heer Thwackum, met meer stoutheid dan voorzigtigheid, naderde, om hem dat te verwijten, toen (het spijt me zoo iets te moeten zeggen), hij den waardigen man aanviel en hem zoo schandelijk mishandelde, dat het me niet verwonderen zou als hij nog de gevolgen daarvan ondervond. Ik bleef ook weder niet verschoond van zijne kwaadaardigheid toen ik mijn best deed om mijn leermeester te beschermen;—maar dit heb ik hem al lang vergeven. Ja, ik heb zelfs mijnheer Thwackum overgehaald hem te vergeven, en u iets te verzwijgen dat misschien noodlottige gevolgen voor Jones zou kunnen hebben. En nu, oom, daar ik zoo onvoorzigtig, mij iets van deze zaak liet ontvallen en uwe bevelen mij noodzaakten om u alles mede te deelen, laat mij ook bij u voor hem pleiten.”

„Wel, kind!” riep Allworthy, „ik weet niet of ik uwe goedheid roemen of afkeuren moet, dat gij me zoo iets één oogenblik verzwegen hebt;—maar waar is mijnheer Thwackum? Niet dat ik eene bevestiging eisch van hetgeen gij me verteld hebt; maar ik zal deze zaak zoo grondig onderzoeken, dat iedereen mij geregtvaardigd zal achten als ik zulk een monster tot een voorbeeld voor anderen straffe!”

Thwackum werd nu gehaald en verscheen spoedig. Hij bevestigde al wat de andere medegedeeld had;—ja, hij liet zelfs op zijne borst het handschrift van den heer Jones zien, dat nog zeer leesbaar, blond en blaauw te zien was. Hij eindigde met te zeggen dat hij al lang geleden den heer Allworthy met alles bekendgemaakt zou hebben, indien Blifil hem niet door zijn ernstig smeeken daarvan afgehouden had.

„Dat is,” zeide hij, „een uitstekende jongen; hoewel het iets overdrevens is de vergiffenis van onze vijanden zoo ver uit te strekken.”

Inderdaad, had zich Blifil eenige moeite getroost om den geestelijke over te halen voor het oogenblik de zaak te verzwijgen;—en daartoe had hij vele redenen. Hij wist dat het veelal gebeurt dat de menschelijke geest verzwakt en ontzenuwd wordt door ziekte. Bovendien begreep hij, dat als men het verhaal deed zoo spoedig na de gebeurtenis zelve, en terwijl de geneesheer nog aan huis kwam, die de geheele waarheid zou kunnen ontdekken, hij nooit in staat zou zijn die kwaadaardige wending er aan te geven welke, in zijne bedoeling lag. Hij besloot dus dit geval zorgvuldig te bewaren tot de onvoorzigtigheid van Jones aanleiding zou geven tot nieuwe klagten; omdat hij zich verbeeldde dat de vereeniging van vele misdaden bij elkaar hem waarschijnlijk geheel zoude verpletteren, en hij zag uit naar eene gelegenheid, zoo als die, welke het geluk hem nu zoo vriendelijk aanbood. Eindelijk, door Thwackum over te halen de zaak een tijdlang te verzwijgen, wist hij dat hij ten zeerste bij den heer Allworthy de overtuiging zou bevestigen,—welke hij zoo lang gestreefd had bij hem op te wekken,—namelijk dat hij een opregte vriend van Jones was.

HOOFDSTUK XI.

EEN KORT HOOFDSTUK, DAT ECHTER STOF GENOEG BEVAT OM DEN GOEDAARDIGEN LEZER TE TREFFEN.

Het was de gewoonte van den heer Allworthy nooit iemand te straffen, of zelfs om nooit een dienstbode in drift weg te jagen. Hij besloot dus eerst dien namiddag zijn vonnis over Jones te vellen.

De arme jongen verscheen aan tafel naar gewoonte; maar zijn hart was te bezwaard om hem eenigen eetlust te laten. Zijn leed werd ook zeer vermeerderd door de onvriendelijke blikken van den heer Allworthy, waaruit hij opmaakte dat Western hem alles wat er met Sophia voorgevallen was, ontdekt had. Wat het verhaal van Blifil betreft, daaromtrent koesterde hij geen de minste verdenking; want, wat de hoofdzaak aangaat, daaraan was hij geheel onschuldig, en voor het overige, daar hij het zelf vergeven en vergeten had, veronderstelde hij volstrekt niet dat iemand anders er meer aan dacht. Toen het eten gedaan was en de dienstboden de kamer verlaten hadden, begon de heer Allworthy zijne aanspraak. In eene lange redevoering, schilderde hij de vele misdaden waaraan Jones zich schuldig had gemaakt, en vooral die welke pas aan het licht gekomen waren, en eindigde met hem te zeggen: „dat, tenzij hij zijne onschuld bewijzen kon, hij besloten had hem voor altijd uit zijn gezigt te bannen.”

Jones kon zich niet anders dan op de meest onvoordeelige wijze verdedigen; want, inderdaad, hij begreep de beschuldiging ter naauwer nood, daar de heer Allworthy, van zijne dronkenschap, enz. sprekende, terwijl hij zelf ziek te bed lag, uit nederigheid alles verzweeg, wat juist hem zelven betrof, en wat wezenlijk de hoofdmisdaad uitmaakte,—en Jones kon dus die beschuldiging niet loochenen. Bovendien, was hem het hart reeds bijna gebroken en zijn moed begaf hem dermate, dat hij niets te zijner gunste kon zeggen, maar zich aan alles schuldig bekende en als een wanhopige misdadiger alleen barmhartigheid inriep, eindigende met de woorden: „dat hoewel hij bekennen moest zich aan vele dwaasheden en ligtzinnigheid schuldig te hebben gemaakt, hij toch hoopte niets misdreven te hebben, dat hem de zwaarste straf die hem treffen kon, had doen verdienen.”

Allworthy hernam, „dat hij hem reeds te dikwerf vergeven had, uit medelijden met zijne jeugd, en in de hoop dat hij zich beteren zoude; dat hij echter nu ondervond dat hij een verstokte zondaar was, en dat het misdadig zou zijn zoo iemand verder te helpen en aantemoedigen. Ja,” zei de heer Allworthy, „uwe onbeschaamde poging om de jonge dame voor u te winnen, eischt, tot mijne eigene regtvaardiging, dat ik u straf. De menschen, die reeds luide de liefde berispt hebben, welke ik u betoond heb, zouden met eenigen schijn van regt, zich kunnen verbeelden, dat ik deel had aan die lage en wreede handeling. Eene handeling voor welke u mijn afschuw moest bekend zijn, en welke, zoo gij eenigen prijs steldet op mijne rust en mijn geluk, of op mijne vriendschap, het u nooit in het hoofd zou zijn gekomen te ondernemen. Schaam u, jongen! Wezenlijk, ik ken naauwelijks eene straf geëvenredigd aan uwe misdaden;—en ik kan het ter naauwernood over mij zelven verkrijgen om u dat te geven, wat ik hier voor u heb. Evenwel, daar ik u als mijn eigen kind opgevoed heb, wil ik u niet van alles ontbloot de wereld inzenden. Als gij dit papier opent, zult gij er genoeg in vinden om u in staat te stellen door werkzaamheid eene eerlijke kostwinning te vinden; maar als gij het tot een slecht doeleinde gebruikt, zal ik me niet verpligt achten u van iets meer te voorzien, daar ik besloten heb, van heden af, om geenerlei reden, iets meer met u te doen te hebben. Ik kan echter niet nalaten nog hierbij te voegen, dat er in al uwe handelingen niets is, dat mij meer verstoort dan uw gedrag jegens dezen braven jongen” (hij bedoelde Blifil), „die zich zoo liefderijk en eerlijk jegens u gedragen heeft.”

Deze laatste woorden waren zoo bitter, dat ze moeijelijk te verdragen waren. Jones stortte nu een vloed van tranen, terwijl het vermogen van te spreken en te handelen hem tegelijk schenen te begeven. Het duurde dan ook nog een tijdlang eer hij in staat was aan Allworthy’s stellige bevelen te kunnen gehoorzamen en weg te gaan, wat hij echter eindelijk deed na hem de hand gekust te hebben met eene hartstogtelijkheid, die even moeijelijk zou zijn te veinzen als te beschrijven.

De lezer moet zeer zwak zijn als hij,—het daglicht in aanmerking nemende, waarin Jones zich toen aan den heer Allworthy vertoonde,—het strenge vonnis afkeurt. En toch veroordeelde de heele buurt, hetzij uit zwakheid, hetzij om een minder goede reden, deze regtvaardigheid en strengheid, als in den hoogsten graad wreedaardig. Ja, zelfs de menschen, die den waardigen man vroeger berispt hadden wegens de goedheid en liefde door hem aan een bastaard bewezen (die vrij algemeen voor den zijne doorging), berispten het nu in hem, dat hij zijn kind de deur uitzette. De vrouwen vooral trokken eenparig partij voor Jones, en bedachten meer sprookjes bij deze gelegenheid, dan ik hier plaats heb te vermelden.

Eén ding echter moet ik niet vergeten; namelijk, dat te midden harer verontwaardiging, geene harer ooit de som vermeldde, welke bevat was in het papier dat Allworthy aan Jones overhandigde, en die niet minder dan vijfhonderd pond bedroeg:—maar allen waren het eens, dat hij zonder een duit op zak,—en sommigen voegden er zelfs bij, zonder een hemd aan het lijf, door zijn onmenschelijken vader de deur uitgezet was.

HOOFDSTUK XII.

BEVATTENDE MINNEBRIEVEN ENZ.

Jones ontving het bevel om dadelijk het huis te verlaten, terwijl hem gezegd werd dat zijne kleederen en al wat hem toebehoorde, waarheen hij ook verkoos, hem nagezonden zou worden.

Hij vertrok dus, en wandelde ongeveer een mijl, zonder te denken, of inderdaad, zonder er zich om te bekommeren, waarheen hij zijne schreden rigtte. Eindelijk, toen een beekje hem belette verder te gaan, wierp hij zich aan den oever neder en kon niet nalaten met eenige verontwaardiging te zuchten: „Mijn vader zou mij zeker wel deze rustplaats gunnen!”

Hier verviel hij spoedig tot de grootste ellende, rukte zich het haar uit het hoofd, met allerlei andere gebaren, waarmede vlagen van waanzin woede, en wanhoop gewoonlijk gepaard gaan.

Nadat hij op deze wijze zijne eerste drift bekoeld had, begon hij eenigzins te bedaren. Zijn leed nam nu eene andere rigting en uitte zich op eene zachtere wijze, tot hij eindelijk koelbloedig genoeg werd om zijne rede te gebruiken en te overleggen welke maatregelen hij in zijn treurigen toestand nemen moest.

Zijn grootste twijfel was omtrent hetgeen hij ten opzigte van Sophia doen moest. De gedachte van haar te moeten verlaten, brak hem bijna het hart; maar het denkbeeld om haar tot ongeluk en armoede te brengen, pijnigde hem, zoo mogelijk, nog meer en zelfs, al had zijne hevige liefde tot haar hem slechts voor één oogenblik met zulk een gedachte kunnen bezielen, wist hij volstrekt niet of zij geneigd zou zijn hem met zoo veel opoffering van haar kant gelukkig te maken. De toorn, welken hij bij den heer Allworthy opwekken en de ongerustheid welke hij hem geven zou, pleitten ook hiertegen,—en eindelijk de blijkbare onmogelijkheid om wel te slagen, zelfs als hij al deze bedenkingen in den wind sloeg, versterkte hem op het goede pad, zoodat eindelijk het eergevoel, bijgestaan door de wanhoop, door de dankbaarheid jegens zijn weldoener en door opregte liefde tot zijne beminde, zijn hartstogt overmeesterde en hem deed besluiten eerder Sophia te verlaten dan haar tot haar ongeluk te vervolgen.

Het is moeijelijk voor iemand, die het niet ondervonden heeft, den zegevierenden gloed zich voortestellen, die in zijn hart ontbrandde bij het eerste ontwaren van deze overwinning over zijne driften.

De hoogmoed streelde hem zoo aangenaam, dat hij zich misschien volkomen gelukkig gevoelde; maar dit duurde slechts kort; Sophia trad hem spoedig weder voor den geest, en verbitterde de vreugde zijner overwinning met geene mindere pijnigingen dan een goedhartige veldheer gevoelen moet als hij op het slagveld de verminkte lijken ziet, ten koste van wier bloed hij zijne lauweren geplukt heeft;—want ook nu, vóór onzen overwinnaar, lagen er duizende heerlijke beelden vernield.

Daar hij echter besloten had het pad der Eer, die reuzin, zoo als zij genoemd wordt door dien reusachtigen dichter Lee, te volgen, nam hij zich voor een afscheidsbrief aan Sophia te schrijven, en begaf zich dus naar een huis in de buurt, waar hij zich papier en inkt liet geven en als volgt, schreef:

„Mejufvrouw,

Als gij u den toestand voorstelt waarin ik u schrijf, dan ben ik overtuigd dat uwe goedheid eenige ongerijmdheid of schijnbare tegenspraak in mijn brief zal weten te vergeven: want alles wat ik u te zeggen heb, vloeit uit een hart, dat zoodanig overstelpt is, dat geene woorden zijne gewaarwordingen vermogen af te schilderen.

„Ik heb besloten uwe bevelen na te komen, om voor altijd uw dierbaar, verrukkelijk bijzijn te mijden. Wreed zijn wèl die bevelen; maar het noodlot eischt die wreedheid;—zij komt niet van mijne Sophia. Ja, het noodlot heeft het noodzakelijk gemaakt, noodzakelijk voor uw geluk, dat gij vergeet dat er ooit een ongelukkige bestaan heeft, die mijn naam voert.

„Geloof me, als ik u verzeker, dat ik van mijne eigene ellende niet spreken zou, als ik me verbeelden kon, dat gij ze niet vernemen zoudt. Ik ken de goedheid en de gevoeligheid van uw hart en zoude u gaarne die smart besparen, welke de rampen van anderen altijd bij u doen ontstaan. O, laat niets wat gij omtrent mijn wreed lot verneemt, u één oogenblik kwellen; want nu dat ik u verloren heb, bestaat er niets meer voor mij dat eenige waarde heeft.

„O Sophia, het is hard u te moeten verlaten; het is nog harder u te moeten smeeken mij te vergeten; maar mijne opregte liefde noodzaakt mij tot beide.

„Vergeef het me als ik me voorstel dat de herinnering aan mij u één oogenblik zou kunnen verontrusten; maar als ik op die eervolle wijze ongelukkig ben, offer mij in alle opzigten op aan uw eigen heil! Geloof dat ik u nooit beminde; of denk liever, hoe weinig ik u waardig was; en leer me verachten voor eene vermetelheid, die nooit te streng gestraft kan worden.—Ik ben buiten staat om meer te zeggen;—mogen Gods goede engelen u altijd beschermen!”

Hij doorzocht nu zijne zakken, in de hoop om er een stukje lak te vinden, maar zonder te slagen, en eigenlijk gezegd, vond hij er niets in; want hij had, in zijne eerste drift, alles van zich gesmeten, en onder anderen ook het zakboekje dat hij van den heer Allworthy ontvangen had, hetwelk hij nog niet geopend had, en dat hem nu voor het eerst inviel.

Hij kreeg nu in het huis, waar hij zich bevond, een ouwel, en den brief digtgemaakt hebbende, keerde hij haastig naar den oever van de beek terug, om te zoeken naar al hetgeen hij daar verloren had. Onderweg ontmoette hij zijn ouden vriend den Zwarten George, die zeer hartelijk deel nam in zijn ongeluk, dat hem, zoowel als de geheele buurt reeds bekend was.

Jones maakte den jager met zijn verlies bekend en deze vergezelde hem gaarne naar de beek, waar zij elk plekje gras onderzochten, zoowel daar waar Jones niet geweest was, als daar waar hij zich bevonden had;—maar te vergeefs; zij vonden niets;—want zij verzuimden de eenige plaats te onderzoeken waar alles zich bevond, namelijk, de zakken van genoemden Zwarten George, die alles pas van te voren gevonden had en daar hij gelukkig de waarde er van kende, het zeer zorgvuldig voor zijn eigen gebruik bewaard had.

Nadat de jager evenveel ijver aan den dag gelegd had in het zoeken naar het verlorene, als of hij wezenlijk gehoopt had het te vinden, verzocht hij den heer Jones wèl te bedenken of hij nergens anders geweest was; „want, voorwaar,” zeide hij, „als gij uw boeltje pas hier verloren hadt, moest alles nog hier wezen, want het is niet waarschijnlijk dat iemand hier voorbij zou komen.”

Het was ook, werkelijk, zeer toevallig dat hij zelf op die plek gekomen was, om strikken te leggen voor hazen, waarmede hij den volgenden morgen een poelier te Bath voorzien moest.

Jones gaf nu de hoop op om het verlorene weer te vinden en ook bijna alle gedachten er aan, en zich tot den Zwarten George wendende, vroeg hij hem ernstig, of hij hem eene zeer groote dienst wilde bewijzen?

George hernam aarzelend: „gij weet wel, mijnheer, dat gij over me beschikken kunt en over alles wat ik maar kan, en ik wenschte hartelijk, dat het in mijne magt stond u eene dienst te bewijzen.”

Werkelijk echter deed hem die vraag schrikken; want hij had, door het verkoopen van wild, reeds een aardig sommetje in zijne dienst bij den heer Western bijeen gebragt, en hij vreesde dat Jones hem eene kleinigheid te leen wilde vragen;—hij werd echter spoedig van zijn angst bevrijd door het verzoek om den brief aan Sophia te bezorgen,—wat hij met groot genoegen op zich nam. En, wezenlijk, ik geloof dat er weinige diensten waren welke hij niet gaarne aan den heer Jones zou bewezen hebben; want hij was hem zeer dankbaar, en even eerlijk als de meeste menschen, die boven alles ter wereld, het geld beminnen.

George was dan ook naauwelijks bij zijn meester in huis gekomen, of hij ontmoette juffer Honour, en na haar gepolst te hebben met een paar vragen, gaf hij haar den brief voor de jonge dame over, terwijl hij te gelijker tijd een anderen van haar ontving voor den heer Jones, welken Honour hem zeide den heelen dag bij zich rondgedragen te hebben, bijna wanhopende om de gelegenheid te vinden om hem te bezorgen.

De jager keerde in haast en verheugd bij Jones terug, die zich verwijderde zoodra hij Sophia’s brief ontvangen had en zich haastende dien open te breken, het volgende las:

„Mijnheer,

Het is me onmogelijk u te beschrijven wat ik gevoeld heb sedert ik u zag. Dat gij u om mijnentwil aan zulke wreedaardige beleedigingen van mijn vader hebt willen onderwerpen, legt mij eene verpligting op, die ik steeds erkennen zal. Daar gij zijne drift kent, smeek ik u hem, om mijnentwil, te vermijden. Ik wenschte dat ik u eenigen troost kon bieden;—maar geloof me, dat niets dan de uiterste mate van geweld mij ooit dwingen zal mijn hart of hand te schenken aan iemand, in wiens bezit ge ze ongaarne zoudt zien.”

Jones herlas dit briefje wel honderd maal, en kuste het evenveel. Zijn hartstogt wekte nu weder alle teedere gevoelens in zijn hart op. Hij had berouw, dat hij aan Sophia geschreven had op de wijze zoo als we hier boven gezien hebben, maar het speet hem nog meer dat hij gebruik had gemaakt van den tusschentijd, dat zijn bode afwezig was, om aan den heer Allworthy te schrijven en te verklaren dat hij plegtig beloofde en zich verbond, om van zijne liefde verder af te zien. Evenwel, bij rijper nadenken, begreep hij best, dat het geval noch veranderd noch verbeterd was voor hem door Sophia’s briefje,—ten zij, dat het hem een weinig hoop gaf op hare getrouwheid, als de omstandigheden ooit een gelukkigeren keer namen. Hij verzamelde dus al zijn moed op nieuw, nam afscheid van den Zwarten George en begon zijne reis naar eene stad, ongeveer acht uren van daar, waarheen hij den heer Allworthy verzocht had,—ten zij hij zijn vonnis tegen hem wilde intrekken,—hem zijne zaken na te zenden.

HOOFDSTUK XIII.

HET GEDRAG VAN SOPHIA BIJ DEZE GELEGENHEID, DAT DOOR GEENE VROUW BERISPT ZAL WORDEN, DIE TOT EENE DERGELIJKE HOUDING IN STAAT IS. HET BEPLEITEN VAN EEN MOEIJELIJK PUNT VOOR DE REGTBANK VAN HET GEWETEN.

Sophia had de laatste vierentwintig uren op geene zeer benijdenswaardige wijze doorgebragt. Een groot gedeelte daarvan werd zij door hare tante onthaald op lange lessen omtrent de voorzigtigheid, haar aanbevelende het voorbeeld van de groote wereld na te volgen, waar de liefde (volgens de goede dame), thans iets bespottelijks is, en waar de vrouwen het huwelijk beschouwen even als de mannen een openbaar ambt,—dat is, alleen als een middel om fortuin te maken en in de wereld vooruit te komen.

Gedurende verscheidene uren had mejufvrouw Western proeven van hare welsprekendheid gegeven in het behandelen van dit onderwerp.

Deze wijze lessen, hoe weinig overeenkomstig den smaak of de neigingen van Sophia, vielen haar echter minder zwaar dan hare eigene gedachten, die haar den geheelen nacht, gedurende welken zij geen oog digt kon doen, bezig hielden. Maar ofschoon zij rust noch slaap in haar bed kon vinden, daar zij echter niets had om haar daaruit te lokken, lag zij er nog toen haar vader, ’s morgens na tien uur, van Allworthy terugkeerde.

Hij begaf zich dan dadelijk naar hare kamer, deed de deur open, en ziende dat zij nog niet opgestaan was, riep hij uit: