Part 21
Evenwel, daar geen volk zoo vele dronkenmanstwisten oplevert als het Engelsche, vooral onder de lagere klassen,—want drinken en vechten is inderdaad bij die menschen bijna synoniem,—zou het me spijten als men daaruit opmaken wilde dat de Engelschen de kwaadaardigste menschen ter wereld zijn. Misschien dat daaronder slechts de zucht naar roem schuilt, zoodat het billijker schijnt tot het besluit te komen, dat ons volk meer van die zucht en meer dapperheid bezit, dan eenige andere Plebejers. En dit te meer, daar er zelden iets onedels, oneerlijks of kwaadaardigs bij deze gelegenheden opgemerkt wordt. Ja, het is zelfs de gewoonte der strijders, zelfs gedurende den twist, onderling blijken te geven van de meeste welwillendheid, en even als hunne dronkene vreugde gewoonlijk met een gevecht eindigt, zoo eindigen ook de meeste hunner gevechten met de vriendschap.
Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. Hoewel Jones geen blijk had gegeven van iemand te willen beleedigen, gevoelde zich de heer Blifil zeer gekrenkt door een gedrag, zoo ten eene male in strijd met de bedaardheid en voorzigtigheid van zijn eigen karakter. Hij verduurde het ook met des te meer ongeduld, daar het hem op dit oogenblik zeer onbetamelijk scheen.
„Nu,” zeide hij, „dat het geheele huisgezin treuren moest over het verlies zijner eigene dierbare moeder, hoewel het den Hemel behaagd had hun eenig vooruitzigt te geven op het behoud van den heer Allworthy, zou het hun meer betamen, door een dankgebed hunne vreugde te uiten, dan door luidruchtige dronkenschap, die meer geschikt was den goddelijken toorn op te wekken, dan dien af te keeren.”
Thwackum, die meer dan Jones gedronken had, maar zonder er iets van te voelen, bekrachtigde de vrome woorden van Blifil; maar Square, om redenen, welke de lezer gemakkelijk gissen zal, zweeg stil.
De wijn had Jones zoodanig beneveld, dat hij het verlies van mevrouw Blifil vergeten had, tot het nu weder vermeld werd. Daar er ook niemand ter wereld was, die gereeder kon zijn om zijne eigene dwalingen te bekennen en af te keuren, bood hij Blifil de hand, en smeekte hem om vergiffenis, verklarende, „dat zijne buitengewoon groote vreugde over het herstel van den heer Allworthy alle andere gedachten uit zijn hoofd verdreven had.”
Blifil weigerde met verachting hem de hand te geven, en hernam met veel verontwaardiging, „dat het niet te verwonderen was, dat iets dat tragisch was, geen indruk op een blinde maakte, dat, wat hem betrof, hij het ongeluk had van zijne ouders te kennen, en dus natuurlijk door hun verlies getroffen moest zijn.”
Jones die, niettegenstaande zijne goedaardigheid, eenigzins driftig van aard was, sprong woedend van zijn stoel op, en Blifil bij den kraag vattende, riep hij hem toe:
„Hoe! Gij vervloekte schelm! Wilt ge me beleedigen over het ongeluk mijner geboorte?”
Deze woorden gingen met zulk eene ruwe behandeling gepaard, dat Blifil’s vredelievendheid weldra bezweek en er eene worsteling volgde, welke kwaad had kunnen afloopen, als Thwackum en de geneesheer niet tusschenbeide gekomen waren; want de wijsgeerige Square was boven alle aandoeningen verheven en bleef zeer kalm zijne pijp rooken, zooals hij gewoonlijk deed bij gelegenheid van dergelijke twisten, tenzij hij vreesde dat men hem de pijp in den mond stuk zou slaan.
Daar de strijdenden nu belet werden hun wrok op elkaar te koelen, behielpen zij zich met de gewone toevlugt van teleurgestelde woede, en gaven hun toorn lucht in bedreigingen en uitdagingen. In deze soort van tweestrijd scheen de overwinning, welke in het werkdadig gevecht naar de zijde van Jones overhelde, nu geheel en al zijn vijand te begunstigen.
Eindelijk echter werd er door tusschenkomst der onzijdige partijen een wapenstilstand gesloten, en het gezelschap nam weder plaats aan tafel, waar Jones overgehaald zijnde om zich weder te verontschuldigen, en Blifil om dat aan te nemen, de vrede weder hersteld werd, en alles in het vorige statu quo verkeerde.
Maar hoewel de twist schijnbaar voor goed bijgelegd was, keerde de goede luim, die gestoord was geworden, volstrekt niet terug. Alle opgeruimdheid was nu gebannen, en het gesprek dat volgde, bestond alleen uit het aanhalen van ernstige daadzaken en uit even ernstige opmerkingen dienaangaande;—eene soort van gesprek, welke, hoe waardig en leerzaam ook, weinig onderhoudend is. Daar wij echter alleen wagen het laatste aan den lezer aantebieden, zullen wij al hetgeen gezegd werd overslaan, tot de overigen van het gezelschap zich langzamerhand verwijderden, en Square en de dokter alleen bleven, als wanneer het gesprek eenigzins verlevendigd werd door eenige opmerkingen aangaande hetgeen gezegd was door de beide jonge heeren, welke de dokter beiden schelmen noemde, wat door den wijsgeer met een diepzinnig hoofdschudden goedgekeurd werd.
HOOFDSTUK X.
DE WAARHEID BEWIJZENDE VAN VELE OPMERKINGEN VAN OVIDIUS EN VAN ANDERE DEFTIGE SCHRIJVERS, DIE BOVEN ALLE BEDENKING BEWEZEN HEBBEN, DAT DE WIJN DIKWERF DE VOORBODE DER ONTUCHT IS.
Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.
En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.
Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:
„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”
Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:
„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”
„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.
„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”
Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.
Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.
Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”
Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.
Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of
„Speluncam Blifil, dux et divinus eandem Deveniunt—”
dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.
Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.
Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.
Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”
Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.
De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.
Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.
De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.
HOOFDSTUK XI.
WAARIN, IN EEN LANGEN VOLZIN, NAAR DEN SMAAK VAN DEN HEER POPE, EEN BEELD DE BESCHRIJVING VOORAF GAAT VAN EEN DER BLOEDIGSTE GEVECHTEN, DIE GELEVERD KUNNEN WORDEN ZONDER HET GEBRUIK VAN BLANKE WAPENEN.
Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):
„—Procul, o procul este, profani, Proclamat vates, totoque absistite luco!”
„Wijkt ver van hier, oningewijden,” Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”
Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aan genus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.
Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.
Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:
„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”
„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”
„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”
„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”
„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”
„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”
„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”
„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „dat dat nu niet gebeuren zal!”
Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”
Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hem onmiddellijk ter aarde velde.
Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.
De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.
Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.
Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.
De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”
De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.
Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones het slagtoffer van Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.
HOOFDSTUK XII.
WAARIN EEN VEEL AANDOENLIJKER TOONEEL GEZIEN WORDT, DAN HET VERGIETEN VAN AL HET BLOED IN HET LIGCHAAM VAN THWACKUM, OF BLIFIL, OF TWINTIG DERGELIJKE MENSCHEN, KAN OPLEVEREN.
Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.
Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.
Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.
Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.
Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.
De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.
Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.
Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.