Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 27
[34] Bernou, Edwer, Eedwer of Idwer, Eland (Edelland), Ferdou, Fardou of Fredou, Gerland, Hadewei (Hedwig), Jildou, Jeldou of Joldou, Ludewei (Hlodwige), Meinou, Reinou, Welmoed, enz.
[35] Adelgonda, Aldburga, Armgard, Hatheburgis, Herbilda, Irmgard, Irmtrude, Ysland, Liafburg, Machteld, Rikou, Swanelt (Swanhilda; zie Swenelt op bladzijde 190 hiervoren), Switburga, Thiadlindis, Wigmod, enz.
[36] De eenig goede uitspraak van dezen naam is dan ook met den vollen klemtoon op de eerste lettergreep, op de A, terwijl de tweede lettergreep de toonloos is; en geenszins als Adeelen, met de stemsate op de tweede lettergreep die dan als dee wordt uitgesproken, gelijk Hollanders, uit onverstand, wel spreken en schrijven. Zie bij voorbeeld Mr. J. van Lennep, De Roos van Dekama, in welken roman een der hoofdpersonen den verknoeiden naam Seerp van Adeelen draagt.
[37] Wilke Folkerts, Aesge Aesgesz (in betere spelling Easge), Sywrd Sickez, Gerlef Abbez, Abele Jeltez, Herke Feykez, Wybe Saecklez (Seakle of Seakele), Haya Sywrdz, Tzalingh Tiebbez (Tjalling Tjebbes), Janke Fongerz, Tyesse Mennes, Doythye Feyckez (Doaitsje of Doaitsen), Tiethe Tiercks (Tiete Tjerks), Dowe Bottez, Heerke Takaz (Take of Teake), Botte Aukenz, Gerbren Sackez (Sake), Gerleff Abbez, Iw Eckez (Iw = Ivo, Iuw, Juw, Jou, Jouke), Jarich Hiddes, en zeer vele andere dergelijken meer.
[38] Gerryt Jacobz, Peter Lambertz (St. Lambert, in ouden oorspronkelijken vorm Landbrecht, is de naam van eenen Heilige), Willem Albertz (ook St. Albert, Adelbert, Athalbrecht is de naam van eenen Heilige, maar tevens, even als Lambert en vele andere dergelijken, een algemeen Germaansche naam), Frans Claesz, Claes Laurens, Albert Pouwels, Tryn Heyndricks (Tryn, voluit Catharina is de naam van eene Heilige; de naam is Grieksch, en beteekent de reine, de kuische), Johannes Jorretz, Tialle Hanss, Jacob Adserts, Barent Gerbrenz (Barent, Berent, verbastering van Bernard, Bernhart, een algemeen Germaansche naam, tevens de naam van St. Bernardus) enz.
[39] Mijne grootmoeder bij voorbeeld, eene dochter van Johannes Schaap, die in het laatst der achttiende eeuw stads-bouwmeester te Leeuwarden was, schreef haren naam als Jeltje Johannis Schaap.
[40] Doed Juyssman (Juwsma, Jousma?), Eelck Onsta, Tierck Bonga, His Taeckema, Lywe Kampstera, Jelte Bonge, Poppe Obbema.
[41] Deze voorbeelden zijn genomen uit Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Antony-Gasthuis te Leeuwarden, allen in de Oud-Friesche taal opgesteld en uit de 15de eeuw dagteekenende.
[42] Zie Helmondsche namen in de middeleeuwen, bl. 171.
[43] Frouck Martens, Rinscka Doekes, die op de zelfde bladzijde als Reynsck Doekes voorkomt, Griet Heynes, Dew Gowerts (Dieuwke), Aleyt Hayes, Follzw Piers, Tryn Gernants (de bijzondere namen van deze twee laatstgenoemde vrouwen zullen nog nader in dit opstel besproken worden). Griet Backer voert eenen schijnbaren geslachtsnaam, en Tryn Hermane (Hermana) eenen waren, Oud-Frieschen, patronymicalen maagschapsnaam, terwijl Auck Mester Sywcks in hare benaming nog den titel van haren vader behouden heeft.
[44] Nog heden onderscheidt het volk hier en daar in Holland, onder anderen te Haarlem, nauwkeurig „den Meester” (wondarts, chirurgijn) van „den Docter”.
[45] Powels Tymmerman, Wybe Tymmerman, Gysbert Tymmerman, Albert Smidt, Ryoerdt Smidt, Tyalle Smid, Gaele Metzelaer, Gauke Metzeler, Aelthie Metzler, Paesche Backer, Eme Backer, Hessel Backer, Dowe Scomaker, Syrick Scomaker, Wybrant Scomaker, Menno Scroer, Botte Scroer, Herman Scroer, enz.
[46] Baucke Scutmaker, Wattie Scutmaker (Watse), Peter Scutmaker, Sybren Wielmaker, Hed Wielmaker, Hanz Wyelmaker, Gerryt Kuyper, Inthie Kuper, Egbert Kuper, Arys Glaesmaker, Gosse Glaesmaker, Alle Ferwer, Jacob Decker, Jan Decker, Hilthyen Leydecker (Hiltje of Hyltje, Hylke), Wynthie Leydecker, Gale Kistemaker, Wybren Kistmaeker, Sibet Kistemaker, Romke Holtsnyder, Foppo Holtsnider, Bartolt Mesmaker, Thomas Mesmaker, Wolter Slotemaker, Reyn Kannemaker, Claes Steenbicker, Arent Brouwer, Ede Kremer, Gerryt Kramer, Jan Cramer, Jelle Kremer, Sywert Molner, Ide Moller, Gheert ende Jancke Molner, Verbout Boeckbinder, Roloff Schriver, Jancke Scriuer, Rothger Schriver, Hille Coster, Jan Fleyshouwer, Herman Fleyshouwer, Anthonius Fyscker, Renick Drager, Claes Drager, Ysbrant Drager, Anscke Rogdrager, Wilke Rogdrager, Wythie Calcmaker, Jelle Holtsager, Baucke Holtsager, Romert Wagenaer, Ydssche Wagenner, Sybet Wagener.
[47] Zie Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. Deel II, bladzijde 720.
[48] Zie De Navorscher, Deel XLI, bladzijde 203.
[49] Hoe zeer deze naam oudtijds onderhevig was aan allerlei spellingen en misspellingen (even als het Friesche woord frjeon nog heden), leert ons de naam van eenen boer te Wons, in 1511. Die naam wordt op drie onderscheidene plaatsen van de Registers van den Aanbreng (deel III, bl. 321, 341 en 350) geschreven als Johannes Goedsvrients, Johannes Goedsfrioens en Johannes Goedsvriond.
[50] Ook in het Garmerwolder Heidenschap was in de middeleeuwen een klooster gesticht.
[51] Zie: Oostergo, Register van Geestelijke Opkomsten van Oostergo, bewerkt door Prof. Dr. J. Reitsma, Leeuwarden, 1888, bladz. 162.
[52] Ook in het dagelijksche leven is nog heden bij bet Friesche volk het woord helsdoar niet vergeten, maar komt nog in de volksspreektaal voor. Bij voorbeeld: Iemand heeft zekere zaak niet dan met uiterst veel moeite kunnen verkrijgen, waarbij hij hevigen tegenstand van anderen had te bestrijden; dan zegt hij wel: Ik moast it foar de helsdoarren wei skûrre. Of anderszins, als een boos wijf, door helsche drift vervoerd, begint te razen, te schelden en te rachen, en haren tegenstander, onder groot misbaar, met beschuldigingen en verwijtingen begint te overladen, dan zegt men: It is eft de helsdoarren iepen komme.
[53] Zeer opmerkelijk is het, dat zelfs Gysbert Japicx nog van de hel spreekt, vergelijkender wijze, als van eene diepe waterkolk.
[54] Immers zóó, met twee letters o, moet de naam dezer Friesche stede geschreven worden, naar dien die naam in de Friesche taal Sleat is, het welk overeenkomt met het woord sloot in het Nederlandsch, waarvan de vorm Slooten den locativus voorstelt. De vorm Sloten zoude een locativus zijn van het woord slot, kasteel, en het sprekende wapen der stad, een slot (kasteel) en twee sleutels, begunstigt deze opvatting van den oorsprong des naams. Maar de Friesche naam Sleat weêrspreekt dit ten stelligsten, en heeft alleen gelding.
[55] Lexicon Frisicum, bladz. 407.
[56] Zie Mr. J. Dirks, Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen. Utrecht, 1846, blz. 69.