Studiën in Nederlandsche Namenkunde
Part 26
Om na dezen taalkundigen uitstap naar de Fetsehol terug te keeren, zoo houd ik het er voor, dat deze naam eene hol of hel (eigenlijk helledeur of hellepoort) beteekent, die de bijzondere eigenschap van een fetse, van eene bron vertoont. Die oude naam fetse treffen wij nog heden op vier andere plaatsen in Friesland aan. Vooreerst in het oude Dokkum, waar, op korten afstand van elkanderen, twee van die bronnen gevonden worden, hoewel slechts aan eene van die twee de fetsenaam verbonden is. Door eenen schrijver, die in het laatst der jaren 700 na Chr. leefde, worden deze Dokkumer bronnen reeds, in hunne bijzondere vermaardheid, vermeld. En volgens sommigen zoude de Romeinsche schrijver Plinius daarvan reeds gewag maken. [56]
De eerste is de vermaarde Sint-Bonifacius-bron of -fontein, eene opene dobbe in een weiland even buiten de Woudpoort te Dokkum. En de tweede is de Fetse, als bij uitnemendheid zoo genoemd, een weinig minder vermaarde bron midden in de stad, op de kruin van de terp, waarop Sint-Martens-kerk gebouwd is, nabij het koor, dus ten oosten van die kerk gelegen, en nog heden daar aanwezig, vroeger als een opene put, thans gesloten, gedekt, en met eene pomp voorzien. Zonder twijfel zijn deze twee Dokkumer bronnen van hoogen ouderdom en reeds voor duizend en meer jaren, als de Friezen nog heidenen waren, bekend en in gebruik geweest, waarschijnlijk wel als plaatsen waar godsdienstige plechtigheden gehouden werden. Ook bij den tempel van Fosete, een der afgoden van de Friezen in hun heidendom (’t zij die dan op ’t eiland Ameland of op ’t eiland Helgoland—de Sapskuhle?—bestond), was zulk eene heilige bron.
De eene Dokkumer bron is bijzonderlijk door den Apostel der Friezen, door den Heiligen Bonifacius, als ’t ware gewijd, gekerstend geworden. De overlevering doet die bron op wonderdadige wijze ontstaan of eerstmaal opborrelen onder den hoefslag van het ros, dat de Heilige bereed. Ik vermoed dat men op deze wijze het heidensche karakter aan de bron heeft willen ontnemen, maar dat deze welle zelve veel ouder is. De dwaze volksmeening, dat de naam Bonifacius eigenlijk in het Friesch „goede Fetse” zoude zijn (Fetse komt nog heden als mansvóórnaam onder de Friezen voor), heeft misschien eenen grondslag in het woord fetse, waarmede men destijds ook wel deze bron zal hebben genoemd. Intusschen, de mansnaam Fetse en het woord fetse, bron, staan, in taalkundigen zin, in geenerlei verband met elkanderen.
Een tweede fetse bestaat er nog heden in West-Dongeradeel, waar eene sate dien naam draagt (de Fetse), zuidwaarts van den dorpe Ternaard gelegen, aan de Tsjettelfeart of Ketelvaart, ook een naam, die eenen oud-heidenschen oorsprong (van den offerketel?) vermoeden doet. Deze naam Fetse vindt men ook wel als Fetze, Fedse, Fedze gespeld, en, volgens de bijzondere uitspraak der Donger-Friezen, als Fitse; op de kaart van Schotanus, Fitze. Eene tweede hofstede, nevens de eigenlijke Fetse gelegen, doet beide saten als een gehucht zich voordoen, waaraan men den naam van Fetse- of Fitsebûrren geeft, evenals ook te Dokkum de naam van de Fetse overgegaan is op de straat, die daar langs loopt, en die als de Fetse of de Fetsestraat (bij Schotanus „op de Fetze”) bekend is.
De derde fetse is te Dronrijp: eene oude state, even benoorden de Tsjerkebûrren aldaar gelegen, en, in geijkten zin, meestal in den Oud-Frieschen vorm als de Fetsa of Fetsa-state voorkomende. En de vierde fetse is te Siksbierum; maar hier af weet ik geen nader bescheid.
Zeer zeker hebben de sate te Ternaard en de state te Dronrijp hare namen aan zulke fetsen of bronnen ontleend. Of die fetsen, misschien in den vorm van oude, diepe bornputten met eenen onuitputtelijken voorraad van zuiver drinkwater nog bij die plaatsen aanwezig zijn, is mij niet bekend, maar acht ik wel waarschijnlijk. Anderen, die daar beter toe in de gelegenheid zijn dan ik, mogen dit onderzoeken, en ook verder nog veel betreffende de hel-, hol- en fetsenamen in Friesland aan het licht brengen. Want ongetwijfeld valt hier nog een schat van merkwaardige zaken uit den overouden tijd na te vorschen en op te diepen.
AANTEEKENINGEN
[1] De Navorscher, De Vrije Fries (tijdschrift van het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, Leeuwarden), Rond den Heerd (Brugge), Ostfriesisches Monatsblatt (Emden), Nomina Geographica Neerlandica (tijdschrift van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap), Belfort (Gent), de Friesche Volksalmanak (Leeuwarden), de Noordbrabantsche Almanak (Helmond), enz.
[2] Vermoedelijk komen soortgelijke spotnamen als de Nederlandsche, wel in alle landen en bij alle volken voor. Eenigen van die namen uit Duitschland vindt men vermeld in het Korrespondenzblatt des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung, VIII, 47; en anderen uit Frankrijk in De Navorscher, XV, 318. En wat Engeland aan gaat, de spotnaam van de Londenaars, Cockneys, is daar algemeen bekend.
[3] De Dokkumer kleermaker spreekt hier natuurlijk ook de dagelijksche spreektaal van Dokkum—dat is: gewoon stad-Friesch, met enkele bijzonderheden. Bij voorbeeld: Luwarden en sil, waar de Leeuwarders Leewarden en sal zeggen. Ook brengt de Dokkumer tongval meê, dat de lange a eenigermate naar den aai klank zweemende wordt uitgesproken. Van daar dat andere Friesche stedelingen de Dokkumers ook plagen en bespotten, door, hunne bijzondere uitspraak nog overdrijvende, te zeggen: Faaider! de blaaiker staait op ’e taaifel.
[4] Zie mijn werk Oud Nederland, (’s-Gravenhage, 1888) bladz. 327, 353, 358, 361.
[5] Te IJlst wordt eene soort van moppen gebakken, die kypmantsjes genoemd worden. Die des winters op ’t ijs te IJlst komt, moet kypmantsjes mede nemen naar huis. (Als zoogenoemd „welkom-t’-huis” voor de t’huisgeblevene huisgenooten.)
[6] Eene kleine havenplaats, oostwaarts van Dokkum, aan de Lauwersee.
[7] Zoo schreeuwde toen de uitgelatene Worp: Ik wil rijden om lijf en leven, Ik wil tegen den besten uit ulieder dorp, Dan ik op koeribben.
[8] Dr. J. H. Halbertsma, Ringmunten en oorijzers, in Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren, 1853.
[9] Zie mijn werk Oud Nederland (’s-Gravenhage, 1888), bladzijde 327.
[10] Bij voorbeeld, van de hedendaagsche geslachtsnamen Akersloot, Medemblik, Wijdenes, Beets, Barsingerhorn, Schermerhorn, Schagen, Opperdoes, Dokkum, Deinum, Hinloopen, Hoogeveen, Barneveld, Eibergen, Pijnacker, Oosterwijk, Steenbergen, Muntendam, Goudriaan, Valkenburg, Hoogstraten, Leuven, en vele anderen. Bijzonderlijk in Noord-Holland is deze soort van namen veelvuldig vertegenwoordigd.
[11] Van dit Latijnsche nepos is het Fransche neveu, en van dit Fransche neveu weer het Engelsche nephew afgeleid, terwijl de Hoogduitsche en Nederduitsche en Nederlandsche woorden Neffe, neve en neef met nepos uit den zelfden taalwortel ontsproten zijn.
[12] Opmerkelijk is het, dat men ook in Brabant van vretters spreekt, als in Friesland, en niet van vreters. De bekende spotnaam der Brusselaars wordt door den Zuid-Brabantschen volksmond steeds als Kiekenfretters uitgesproken.
[13] Deze naam Potmarge is, zonderling genoeg, ook eigen aan eenen ouden, kronkelenden stroom, die, beoosten Leeuwarden, uit de Greuns voortkomt, langs ’t dorp Huizum vloeit en te Leeuwarden in de Stadsgracht of Buitensingel uitmondt. Hoe dit vaarwater aan dezen bijzonderen naam komt, is mij niet bekend.
[14] Borst is een echt Oud-Hollandsche aanspraaksvorm voor jongeling of jongman. Hangt dit woord misschien samen met het Hoogduitsche woord Bursche, in de zelfde beteekenis?
[15] Sedert.
[16] Buitendien noemde men mij: de Braken van Kassel (die in den langhen Adieu Voorvechters heeten), de Wittigten van Belle (in den langhen Adieu Caesemaeckers), de Zotjes van Hondschoten, anders gezegd de Zots (Gekken) van de witte torre (toren), Hazebroekje Passe-temps van Hazebroek, Koesjes van Godewaartsvelde en ook Koesjes van Boeschepe, dan nog Zots van Merris, enz.
[17] Brandstoffen, in ’t Friesch brânje (brandinga) genoemd.
[18] Dat ook oudtijds, reeds in de 16de eeuw, de Franschen zoo dachten, daarvan strekt het volgende voorval ten bewijze.
Jonker Wigle van Aytta, van Swichum, lid en Voorzitter van den Raad van State, en van den Geheimen Raad ten hove te Brussel, bij Keizer Karel den Vde en later bij diens zoon, was een echte Standfries. Eens ontving hij als voorzitter van den geheimen raad, een afgezant van den Koning van Frankrijk, die over belangrijke staatszaken met hem wilde onderhandelen. Deze man, van den zelfden aard, die velen Franschen in den tegenwoordigen tijd ook nog eigen is, sprak Jonker Wigle aan in het Fransch, en bracht hem zijne boodschap over, in die taal sprekende. Jonker Wigle liet hem geheel uitspreken, en gaf den Franschman toen zijn antwoord in het Friesch, dat is, in zijne eigene moedertaal. De ambassadeur nam dit hoogst euvel op, en vroeg, in zijne Fransche opgeblazenheid geraakt, of de raadsheer met hem en met zijnen koning den spot dreef, door hem bescheid te geven in eene taal, die hij niet verstond. Maar Jonker Wigle antwoordde in kalme en eenvoudige waardigheid, en zeide: „Zijn wij dan meer gehouden, om uwe taal te spreken, als Gij de onze? Wanneer wij in Frankrijk komen, spreken wij Fransch. Het is dus ook billijk, dat Gij, als Gij hier in de Nederlanden wat te zoeken hebt, ook onze taal gebruikt. Of, zoo Gij dit niet kunt doen, spreek dan Latijn, de taal die allen volkeren gemeen is.”
[19] Zie mijn opstel Oude Volksliedjes, voorkomende in den Frieschen Volksalmanak voor het jaar 1887 (Leeuwarden, A. Meyer).
[20] Bolwerk, ook in het Engelsch bullwark, een werk of samenstel van bollen, bolen, Hoogduitsch Bohle, dat zijn zware balken, behouwen boomstammen. Dit zuiver Oud-Germaansche woord vinden wij terug in het hedendaagsche Fransche woord boulevard, breede straat, lei of laan, aangelegd ter plaatse der voormalige bolwerken of vestingswallen en muren, die de oude steden omsloten hielden.
[21] In Vlaanderen echter met ééne uitzondering. De naam van de hedendaagsche Westvlaamsche stad Waasten komt in oude oorkonden voor als Warnasthun (1007), als Warneston (1066–1080, 1103), in 1126 verwaalscht als Garneston, en in 1347, niet ten onrechte, als Garneri fortitudo (de veste, de versterkte, omtuinde plaats, de tuin, tun of ton van Garner of Warner) in het Latijn vertaald. Zie Ant. Verwaetermeulen, Westvlaamsche Oordnamenkunde, in het Bijblad van het tijdschrift Biekorf, Slachtmaand, 1893. De hedendaagsche Fransche naamsvorm van Waasten is nog Warneton.
[22] Aernout, Van Graefschepe, De Coussemaker, De Baecker (Bakker), Hase, Baert, Bernaert, Becuwe, Blavoet, Bloeme, Cappelaere, De Haene, De Rode, De Ruywe, De Smidt, De Swarte, Meneboo (elders Minneboo), Strobbel, Top, Treutenaere, Van de Walle (ook half verfranscht als Deloualle), Verstavel, De Conynck, De Meunynck (de Monnik), De Grendel, De Laeter, De Smyttere, De Vos, Goudaert, Hopsomer (een, door Franschen invloed verbasterde vorm van Opsomer, Opzomer, dat ook in Noord- en in Zuid-Nederland voorkomt), Ryngaert, Van den Abeele, Van den Kerckove, Van der Veene, Verclytte, De Schodt, De Zitter, Wayenburg, Van der Colme, Beekmans, Behaghel, Bieswal, Blanckaert, De Beyer, De Coster, De Groote, De Man, Eeckman, Goemaere, Govaere, Herreman, Hooft, Liefooghe, Lootgieter, Spillemaker, Wittevronghel, Wyckaert, Wellecomme, Vinckevleugel, Wallaert, De Broere, Cleenewerck, Schoonheere, Van de Velde, Hazewindt, Van Acker, De Stuynder, De Waegemaeker, Plaetevoet, De Grave, Raeckelboom, De Mol, Elleboode, Yserbyt, (ook verfranscht tot Iserbi), Van Hove, Oswin, De Vilder, Van Heeghe, Dagbert, Keingaert, Swyngedauw, Van Eeke, De Temmaeker, Goeneute, Van Elslandt, en nog velen meer. Hier bij valt op te merken dat door de Franschen de namen die met het lidwoord de, of met het voorzetsel van of met van de, van den, van der zijn samengesteld, in één woord schrijven; bij voorbeeld Dehaene, Deruywe, Derode, Vanderwalle, Vandenabeele, Vandenkerckove, enz. De namen krijgen op die wijze zulk een vreemd voorkomen, dat een Nederlander zelf aanvankelijk ze niet herkent.
[23] De getallen achter de namen duiden de jaren aan waar in de oorkonden zijn opgesteld, die deze namen vermelden: de jaren dus (in den regel) waar in de personen leefden, welke die namen droegen.
[24] Van alle deze oude benamingen zal, in het vervolg van dit opstel, de volledige overzetting in onze hedendaagsche taal niet gegeven worden; de opmerkzame lezer zal, bij eenig nadenken, zelf die namen wel kunnen duiden en verklaren. Slechts sommige, anders schier onbekende benamingen zullen met een enkel woord nader worden aangeduid; terwijl eenige zeer bijzondere en zeer opmerkelijke vóórnamen aan het slot van dit opstel nog afzonderlijk nader zullen behandeld worden.
[25] Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen (1400); Willem Gerits Tsweertssoen (1439), dat is waarschijnlijk: Willem de zoon van Gerrit den Weerd, den Waard, den herberghouder (Tsweerts = des weerds); Art Art Metten Swagerssoen van Milheze (1416); Celen Claes Wolfssoen (1416); Heyncke Willem Duysschensoen (1416); Claes Claes Wielmanssoen (1418); Dirc Udemans Swolfssoen (1435); Peter Willem Luppensoen van Bakel (1419); Lodewich wilen Heynen Stokssoen (1419); Henneken Jan Deynensoen (1478).
[26] Hubrecht Kerstiaens (1413), Cornelis Vriens (1467), in 1492 als Cornelis Vrients voorkomende; Dirc Wautgers (1439); Godart Vrancken (1418), in 1439 Godart Vrankensoen genoemd; Willem Meynsen (1439); Maes Weylarts (1416); Filips Goukens (1402); Godert Bants (1435), enz.
[27] Wouter Maessoen die handschoemeker van Son (1418). Dat deze Wouter, zoon van Maes (Thomas), een broeder had die even als zijn vader ook Maes heette, en dat zoowel die broeder als vader Maes beiden ook handschoenmakers waren, blijkt uit de benaming Maes den Hantscomekersoen Maes Hantscomekers, die wij in eene oorkonde van den jare 1439 ontmoeten.—Willem Diddensoen van Grotel (1416): Godart Mathijs Bloxsoen (1450); Ruelken dien Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen (1401); Gherit wilen Aerts van den Put (1440). Daar was nog een andere Gherit van den Put in die jaren te Helmond. Maar de vader van dezen heette niet Aert gelijk die van den eerstgenoemden Gherit; hij heette Jan, en droeg den bijnaam van Hollander, waarschijnlijk omdat hij een Hollander van geboorte of herkomst was. Dies wordt die tweede Gherit in eene oorkonde van den jare 1413 genoemd: Gherit geheiten van den Put Jans Hollanders soen.—Symon Lambrechts Langsmeedssoen (1348). Willem van Eyke soen wilen Henrix Boyfaes van Eyke (1421); deze zelfde man komt in eene oorkonde van het volgende jaar voor als Willem Boyfaessoen van Eyke (1422). Hubrecht soen Happen Smolners, reeds op bladzijde 175 hiervoren vermeld. Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428); Weder, ook met het lidwoord den Weder of die Weder, schijnt reeds als een vaste bijnaam, als of ’t een hedendaagsche geslachtsnaam ware, bij Willem en bij zijnen vader Dirk in gebruik te zijn geweest. Immers Sweederssoen in Willems benaming staat voor ’s weders soen, des weders zoon. De vader komt in eene oorkonde van 1427 voor als Dirck die Weder; en ook in een geschrift van den jare 1481 wordt een Dirc die Weder genoemd. Weder, ook saamgetrokken tot weer, is een goed Oud-Nederlandsch woord, dat ram, mannelijk schaap beteekent. Het woord ram komt ook nog heden als maagschapsnaam (Ram en De Ram) voor.
[28] Nolle van der Egelmeere (1401); Jan Tempeler (1498); Florens van den Vijfeyken (1439); nog heden dragen drie verschillende maagschappen, die echter zeer wel allen van dezen zelfden Helmondschen Florens kunnen afstammen, de geslachtsnamen Vijfeiken, Van Vijfeyken en Vijfeyken; Michiel die Keteler (1472); Klaes Mijs (1472); Heynric van den Kerckhove; dat deze toenaam aan de ligging van ’s mans huis ontleend was, blijkt uit de oorkonde die zijnen naam vermeldt, van den jare 1414, en waarbij hij zijn huis verkoopt, gelegen te Helmond, „bij den kerckhof.” Dit zelfde is het geval met den toenaam van Peter van den Doseldonck (1469), die eigenaar was van het landgoed Doseldonk. Verder Art van den Paependonck (1439); Heyn van den Berken (1416); Gherit die Volre (de volder, lakenvolder: 1492); Jan de Blake (1416); Heyn Queyen (1429), Jan de Berre, geheiten van Eyndoven (1419); Henric Kuylman (1416): Reyner van den Wintmoelen (1348); Godert van Bistervelt (1348); Jan van Stipdonc (1395); Art den Wize van Asten (1416)—een bijnaam aan ’s mans wijsheid ontleend? Ook zekere Henric had vroeger dien zelfden bijnaam gedragen, zoo als blijkt uit de benaming waaronder diens zoon ten jare 1416 voorkomt. Godart Henric Swisen soen, dat is Godart Henric des Wisen soen, Godart zoon van Hendrik den Wijze. Eindelijk nog Jan van Honthuys (1418); Yde van Roezel (1481); Udeman van Thefelen (1439); Godart van der Capellen (1460); Lemmen van de Laer (1416); Henric Scuerman (1394); Jan Wyflet (1417); Marcelys Bruynswyck (1477), waarschijnlijk een Duitscher, en van de stad Brunswijk herkomstig; Wouter Terlink (1427)—terlink, teerling, dobbelsteen, de bijnaam van eenen speler, eenen dobbelaar?; Jan die Vleeschouwer (1404); Jan Colibrant (1450); Jan van den Bocht (1450); Henric van den Hoeghenhuys (1386); Willem Cortsmet (1462); Vranck van den Dijck (1462); Henric Waunays (1429); Lodeken van Lofen (1410), reeds vroeger vermeld op bladzijde 175; Willeken van Ghemert (1410); Reynier Haengreve (den Hanegraaf of Pluimgraaf was oudtijds het toezicht op het pluimgedierte van eenen heerenhof, kasteel of landgoed opgedragen) van Stakenborch Matheus soen van Boesscot (1389); Jan de Blake (1416).
[29] Herman Eycmans (1439); Jan Starkens(1498), d.i. Jan, zoon van Willem (?) Starken; deze toenaam Starken is ook weêr een patronymicale naamsvorm, beteekenende van Stark of zoon van Peter (?) Stark, van den man, die om zijne bijzondere sterkte, den bijnaam van Stark (of Sterk) verworven had. Stark en Sterk, Sterck komen nog heden als maagschapsnamen voor; ook de patronymicale vormen daar van: Sterke, Sterckx, Sterken, enz. Verder Peter van Eyndhouts (1487); Peter Stippelmans, Henric Touwers(1439; touwer = touwslager? zie bladzijde 175), in 1435 Heyn Touwers genoemd; Peter Pedelmans (1416); Goswyn Wevers (1402) en Herman Swevers (1492; des Wevers); Mathys Jan Spapen soen van Zomeren (1417), d.i. Matthijs, zoon van Jan de Paap of de Pastoor van den dorpe Zomeren, of zoon van Jan die om d’eene of andere reden den bijnaam van Paap droeg, zonder daarom juist een Pastoor of ander Geestelijk Heer te zijn, en die van Zomeren herkomstig was. Dan nog Diryck Swerts (1492); Heyn Teulinx (1389); Goeswyn Schuermans (1419), met andere woorden: Gosewijn, de zoon of kleinzoon van eenen man, die den toenaam Schuerman voerde (omdat zijn huis kenbaar was aan eene groote of anderszins bijzonder in ’t oog vallende schuur?); de naam Schuermans is nog heden als maagschapsnaam aan Brabantsche geslachten eigen. Eindelijk nog Jan Coffermans (1436) en Goessen Scorten (1460).
[30] Luytgart Huben dochter (1400), die in eene andere oorkonde van den jare 1394 als Luytgaert Houben optreedt; Aleyt Moerkens (1395); Jutte Gobbels (1436); Lisebet Harcmansdochter (1388); Wandel Jan Embrechtsdochter (1419); Aleyt Arts Creppen dochter (1427). Deze laatste benamingen komen reeds in samengestelden vorm voor den dag; maar zij worden daarin nog verre overtroffen door benamingen als Engel van den Doren Peters dochter van den Vehuse (1419), waar de dochter eenen anderen toenaam voert als de vader. De toenaam van dezen laatsten (van den Vehuse) hebben wij eerder in deze verhandeling op (bladzijde 174) ontmoet en besproken. Verder Swenelt wilen Henrics Mortels dochter (1436); Margriet Sweders dochter wilen Jans van Binderen (1421), eene onduidelijke benaming, die zoo wel de verklaring toelaat dat Margriet eene dochter van Sweder en eene kleindochter van Jan van Binderen, als deze, dat zij eene dochter van Sweder, maar de vrouw van Jan van Binderen was; Heilwig dochter wilen Hermans Dircs Guedelen soens (1443), dat is: Heilwig, de dochter van wijlen Herman, die een zoon was van Dirk, die weêr een zoon was van vrouw Guedele (Goedele, Gudula); Sophie van Geldrop Dircs Sjoncheren soens dochter (1400), dat is: Sophie, dochter van Dirk, die een zoon was van den Jonkheer van Geldrop. Nog omslachtiger zijn de benamingen van Gheertruy dochter Heynen Coensen Maessoen van der Heyden (1472), dat is: Geertrui, de dochter van Hein, die een zoon was van Koen, die een zoon was van Maes van der Heyden; van Jutte dochter Meys van Herzel die dieselve natuerlic gewonnen hadde Coratine van de Goer (1446), en van Katlin geheiten van de Donc Marcelys Scillinx wilen spastoirs van Baerle natuerlike dochter (1417). Wegens de geboorte dezer twee laatstgenoemde dochters buiten huwelijk harer ouders, zijn hare namen zoo uitvoerig te boek gesteld. Bij de eerste benaming is zoo wel de naam van den vader als die van de moeder vermeld. De laatste wil zeggen Katelyne of Catharine, met toename van de Donk, die de natuurlijke dochter was van Marcelis Schillink, in zijn leven Pastoor in den dorpe Baarle.
[31] Zie over deze zaak mijne verhandeling Haarringen, Hoofdbengels en Oorijzers, voorkomende in het werk Oud Nederland, ’s Gravenhage, 1888.
[32] Aeldrik (in Nederlandsche spelling Aaldrik, oorspronkelijk voluit Adelrik), Aelwyn (in Nederlandsche spelling Aalwijn, oorspronkelijk voluit Adelwin = Edele vriend), Ayold, Albert (oorspronkelijk voluit Adelbrecht), Aldert (de zelfde naam als Aaldert, bovenvermeld), Alef en Alof (oorspronkelijk voluit Adelelf, Adellof, Adelwolf), Alfert (Alfred, Adelfred, Adelvrede), Alger (oorspronkelijk voluit Adelger, Adelgar), Almer (Adelmar), Arend (Arnwald of Arnhold, de zelfde naam als Arnout), Bareld (Barwald), Bindert en Binnert (Bernhard), Bronger, Eadsger, Edser, Edsert, Edzard en Idsert; dan Egbert, Eilard (Agilhart), Eilof (Agilolf), Evert (Everhart), Folken (Folkwin), Folkert (Folkhart), Freark of Frjerk (Freerk, Frederik), Gerlof of Geerlof, bij samentrekking Gelf (Gerolf, Gerwolf), Gerben en Gerbren (Gerbern); Gerbrand; Gerrolt, bij samentrekking Grealt, Greolt of Greult (Gerhold), Germen (German), Gysbert (Giselbrecht), Gisold, Godsskalk (in Nederlandsche spelling Godschalk), Hartger, Hartman, Hattem of Hattum (Harthelm), Hilbert (Hildbrecht), Hilbrand of Hillebrand (Hildbrand), Idsert (zie hier voren bij Edser), Ysbrand, Jelger (Ethelgar), Jelmer (Ethelmar), Jildert of Jillert, Jodserd, Jorrit (Everhart), Jouwert, Lammert (Lambert, Landbrecht), Leffert (Liafhart), Lubbert (Hludbrecht), Meindert en Meinert (Meginhart), Nittert (Nidhart), Olfert (Olfhart, Wolfhart), Reinhard, Reinert en Reindert (Reginhart), Richolt, Ryken (Rikwin), Ritsert (Richard, Rikhart), Rodmer (Hrodmar), Sibrand (Sigbrand), Sibren of Sybren (Sigbern), Sibout (Sigbald), Symen (Sigman), Tetman, Tsjalf (in Nederlandsche spelling Tjalf, oorspronkelijk voluit Thiadlef), Wibrand (Wigbrand), Wibren of Wybren (Wigbern), Wigbold, Willem (Wilhelm), enz.
[33] Alem (voluit Adelhelm, als Hattem en Willem gevormd), Alman (Adelman), Alwart (Adelwart), Aswyn (vriend der Goden), Bornlef, Bernlef of Bernolf, Brotryck, Edgar, Edleff, Egilbald, Eilbrand, Folcbrat, Folkmar, Folkwart, Gardolf, Garhelm, Garlef, Gerbald, Gerhold, Gerwalt, Godsfriund, Gondebald, Hadlef, Harald, Hartmod, Hatebrand, Heylgar, Hellingbern, Helmrik, Herbern, Herbrand, Herdrad, Hildegrim, Hilderik, Hildmar, Hildulf, Hildwin, Ibrand, Liafwin, Lindrad, Liudger, Liudmund, Liudric, Liobbren, Ludelef (Ludelf, Ludolf, Lulof, Hludwolf), Meinbern, Meynum (Meginhelm), Meinward, Notgrim, Odelbald, Radbald, Radbad, Radbod, Rabbod, Rabbold (Radbout), Randolf, Ratger of Redger, Redlef, Redward, Reinbern, Ricbald, Ricbern, Ricfred, Riklef, Ricward, Robet (Hrodbald), Rodbern, Tancmar, Tethard, Thiadlef (Tsjalf; zie hier voren), Ulfbold, Waldger, Werinhad, Wicholt, Wilbrand, Wolbern, Wolbrand, Wolbrecht, enz.