Slechte Tijden

Part 9

Chapter 93,934 wordsPublic domain

Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te turen--niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een dierlijk instinct dat hij daar wezen moest--dacht hij bij zich zelven, dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.

Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar te letten.

Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zij weder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.

Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen trok zij met hare tanden de kurk er af.

Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!

Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de haren; maar Rachel had den beker.

Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.

"Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan het droomen?"

"Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is haast drie ure. Stil, ik hoor de klok."

De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.

"Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen," zeide zij, terwijl zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het linnen daarin doopte. "Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig." En zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op het haardijzer aan stukken.

Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, eer zij in den regen en wind naar buiten ging.

"Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?"

"Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis."

"Gij zijt niet bang," zeide hij met eene zachte stem, toen zij de kamerdeur uitgingen, "om mij met haar alleen te laten?"

Zij zag hem aan en zeide: "Stephen!"

Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.

"Gij zijt een engel! God zegene u!"

"Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij is veranderd."

Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder op hem gevestigd.

"Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt."

Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.

"Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, of ons beiden had kunnen doen?"

Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar doek vasthield, vervolgde hij haastig:

"Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is."

Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij wenschte hem met eene haperende stem goedennacht en ging de straat op.

De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone ervaring van zijn leven.

XIV.

DE GROOTE FABRIKANT.

De tijd liep te Coketown voort gelijk eene machine in eene fabriek:--zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige eentonigheid, die de stad beheerschte.

"Louisa wordt haast een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind.

De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader bijzonder op hem had gelet.

"Thomas," zeide mijnheer Gradgrind, "wordt haast een volwassen jongmensch."

De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.

"Waarlijk," zeide mijnheer Gradgrind, "het is tijd geworden dat Thomas naar Bounderby behoort te gaan."

De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby's kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby's huis, noodzaakte hem tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.

Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk tot een heel aardig dingetje.

"Ik vrees, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "dat het nutteloos zou zijn u langer te laten schoolgaan."

"Dat vrees ik ook, mijnheer," antwoordde Sissy, voor hem nijgende.

"Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe," hervatte mijnheer Gradgrind, zijn voorhoofd fronsende, "dat de uitslag van uw proeftijd op school mij teleurgesteld heeft--mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang niet met anderen gelijk."

"Het spijt mij zeer, mijnheer," antwoordde zij; "maar ik weet wel, dat het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer."

"Ja," zeide mijnheer Gradgrind, "ja, ik geloof wel dat gij u veel moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet over u klagen."

"Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht" (Sissy sprak nu zeer schroomvallig) "dat ik misschien al te veel poogde te leeren, en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te beproeven, ik misschien..."

"Neen, Jupe, neen," zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste en stelligste manier zijn hoofd schuddende. "Neen. De cursus, dien gij hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht--naar het systeem--en daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld."

"Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat geene aanspraak op uwe bescherming had."

"Schrei maar niet," zeide mijnheer Gradgrind. "Schrei maar niet. Ik klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, en--en daarmede moeten wij maar tevreden zijn."

"Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt," zeide Sissy met werkelijke dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.

"Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus," ging mijnheer Gradgrind voort, "dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en vergenoegd zijn."

"Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als..."

"Ik begrijp u," zeide mijnheer Gradgrind, "gij doelt weer op uw vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschje bewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer van zeggen."

Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder welke hoofden hij haar moest verdeelen.

Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging--ééne uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement voor Coketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, gewichten en cijfers, een dier honourable gentlemen, die voor alle andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke jaren na onzen Meester?

Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen meisje werd--en dit scheen pas gisteren te zijn geweest--nauwelijks zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel een volwassen meisje was geworden.

"Geheel een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind peinzende. "Wel, wel!"

Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht kwam zeggen--daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor den volgenden ochtend zou terugzien--sloot hij haar in zijne armen, zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:

"Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw."

Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare oogen neer en zeide: "Ja, vader."

"Kindlief," hervatte mijnheer Gradgrind, "ik moet eens alleen en ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne kamer. Zult gij?"

"Ja, vader."

"Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?"

"Heel wel, vader."

"En vroolijk?"

Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. "Ik ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben geweest."

"Dat is goed," zeide mijnheer Gradgrind.

Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.

"Zijt gij daar, Louisa?" zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer innemend van voorkomen en manieren.

"Beste Tom!" antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem omhelsde. "Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt opgezocht?"

"Och, 's avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?"

"Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat morgenochtend wilde doen."

"Juist! Dat is het wat ik meen," zeide Tom. "Weet gij wel waar hij van avond heen is?" En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.

"Neen!"

"Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik."

Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend naar zich toe.

"Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?"

"Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat verloopen, zonder mij eens te komen zien."

"Wel, zusje," hervatte Tom, "als gij dat zegt, zijt ge niet ver van mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het zou allerpleizierigst voor mij wezen."

Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar het vuur staren.

"Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten hoeveel gij van mij houdt?"

"Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten."

"Gij zijt een best meisje," zeide Tom. "Goedennacht, Louisa."

Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de deur, waar men de fornuizen van Coketown kon zien, die den hemel in de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hij Stone Lodge achter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.

XV.

VADER EN DOCHTER.

Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht en voorgoed afgedaan--als zij, die er in betrokken waren, het maar hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium (en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen met een vochtig stukje spons wegvegen.

Naar dit observatorium dus--een sombere kamer, met eene doodelijke statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, alsof men op het deksel eener doodkist klopte--begaf zich Louisa op den bepaalden ochtend. Het venster zag naar Coketown uit; en toen zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht zwaarmoedig voortkronkelden.

"Lieve Louisa," zeide haar vader, "ik heb er u gisteren op voorbereid om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen."

Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij sprak geen woord.

"Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, dat mij gedaan is."

Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: "Een huwelijksvoorstel, kindlief." Waarop zij, zonder eenige zichtbare aandoening hoegenaamd, antwoordde:

"Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u."

"Wel!" zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, "gij zijt nog minder hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?"

"Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren uiteenzetten, vader."

Hoe vreemd het luidde, mijnheer Gradgrind was op dit oogenblik niet zoo bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand, draaide het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.

"Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op mij genomen u te doen weten, dat--dat mijnheer Bounderby mij kennis heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, dat gij het in gunstige overweging zult nemen."

Beiden zwegen--het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid en hol--de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.

"Vader," zeide Louisa, "denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?"

Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het veld geslagen.

"Wel, mijn kind," antwoordde hij, "dat zou ik--waarlijk niet durven zeggen."

"Vader," hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, "eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?"

"Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets."

"Vader," hernam zij weder, "eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem zal liefhebben?"

"Inderdaad, melieve," antwoordde mijnheer Gradgrind, "het is moeielijk die vraag te beantwoorden..."

"Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?"

"Zeker, melieve, omdat" (hier was iets te demonstreeren en dit hielp hem weder op weg) "omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve--ik geef u dit maar in bedenking, lieve--een weinig misplaatst wezen."

"Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?"