Slechte Tijden

Part 8

Chapter 84,017 wordsPublic domain

Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.

Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste behoefte had--niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste liefde het woeden der zee kon stillen--maar het was toch ook de hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt (hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naar Coketown was gekomen. De scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend gezicht--dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is--om des te beter te kunnen hooren wat zij hem vroeg.

"Zeg eens, mijnheer," zeide de oude vrouw, "heb ik u daar niet uit dat huis zien komen?" en zij wees naar het huis van mijnheer Bounderby. "Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een verkeerden hebben nageloopen."

"Ja wel, juffrouw," antwoordde Stephen, "dat was ik."

"Hebt gij--neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig is--hebt gij den heer, die daar woont, gezien?"

"Ja, juffrouw."

"En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, hartelijk en ferm in zijn spreken?"

Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.

"O ja," antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; "hij was dat alles."

"En gezond," zeide de oude vrouw, "zoo gezond als de frissche wind?"

"Ja," antwoordde Stephen. "Hij was aan het eten en drinken--hij was zoo dik en zwaar als een olifant."

"Dank je wel," zeide de vrouw uiterst vergenoegd, "dank je wel."

Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw had gedroomd.

Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, dat Coketown eene drukke stad was. "Ja zeker, schrikkelijk druk," antwoordde zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.

"Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen," zeide zij. "Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, mijnheer!" zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van genoegen glinsterden.

"Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?"

"Neen, maar eens in het jaar," antwoordde zij, haar hoofd schuddende. "Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien."

"Alleen om te zien?" hervatte Stephen.

"Dat is genoeg voor mij," antwoordde zij met grooten ernst en alsof het onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. "Ik vraag niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien heer" (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) "te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien--ik wil hem maar even te zien krijgen--welnu, dan heb ik u gezien, en gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen." Dit zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als zij geweest waren.

Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle onderdanigheid voor de patriciërs van Coketown, kwam de belangstelling der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.

Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.--Ja, zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.

"Zijt ge niet gelukkig?" vroeg zij hem.

"Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet," antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had--wel, des te beter voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.

"Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?" zeide zij.

"Somtijds. Nu en dan," antwoordde hij flauwtjes.

"Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in de fabriek?"

Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.

Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te brengen. Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, en zij klonk zoo deftig.

Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, hoelang hij daar gewerkt had.

"Twaalf jaren," antwoordde hij.

"Ik moet de hand kussen," zeide zij, "die twaalf jaren lang in die mooie fabriek gewerkt heeft!" En hoewel hij dit wilde verhinderen, tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en treffende manier had kunnen doen.

Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.

Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn hart lag.

De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens van Babel.

Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo slecht kunnen missen.

O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.

Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was blijven bewandelen--om zijnentwil--en hoe hij somtijds eene schaduw van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene rampzalige ondergeschikt moest wezen.

Vol van zulke gedachten--zoo vol, dat hij een zonderling gevoel had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur aannam--begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.

XIII.

RACHEL.

Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, te laten wegglijden; en bij Stephen's andere gepeinzen kwam nog de wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!

Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.

Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.

Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar Rachel's handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij dit alles in Rachel's gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.

Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:

"Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat."

"Ik heb wat op en neer gewandeld."

"Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het regent aanhoudend en de wind is opgestoken."

De wind? 't is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten was geweest en niet eens wist dat het waaide!

"Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd."

Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd hangen.

"Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was--"

Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.

"En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: "Laat hij, die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen." Er zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is."

"O Rachel, Rachel!"

"Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u," zeide zij op medelijdenden toon. "Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart en ziel."

De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;--deze was de eene.

Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen scheen hem te bevangen.

"Ik zal hier blijven, Stephen," zeide Rachel, terwijl zij stil weder ging zitten, "tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend."

"Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste Rachel."

"Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel kunt slapen, terwijl ik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik."

Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.

"Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er niets van te weten."

"Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?"

"De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen zou komen."

Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. "Neen," zeide hij, "dat was het niet. Hij had een schrik gehad."

"Een schrik?"

"Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het denken was. Toen ik--"

Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.

"Stephen!"

Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen te houden.

"Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan zoo. Nooit, nooit, nooit!"

Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend door het huis gierde.

"Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne zien slapen."

Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een langen, onrustigen droom.

Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had gezet--maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te midden van zijn ingebeeld geluk--in de kerk stonden om zich te laten trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.

Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte woord daaromheen te lezen.

De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.

Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.