Slechte Tijden

Part 4

Chapter 43,990 wordsPublic domain

"Toen Sissy hier op de school kwam," vervolgde hij, "was haar vader zoo blij als malle Piet. Ik voor mij kon niet recht begrijpen waarom, daar wij overal toch maar komen en gaan, en hier ook niet zouden blijven. Ik geloof nu evenwel, dat hij toen dien streek al van zins was--hij was altijd half simpel--en dacht dat zij dus bezorgd zou zijn. Als het misschien het geval mocht zijn, dat gij van avond juist hier gekomen waart om te zeggen, dat gij haar wat zoudt willen voorthelpen," zeide mijnheer Childers, wederom de hand over zijn gezicht strijkende, en met eene herhaling van dien blik, "zou het heel gelukkig zijn en wel van pas--heel gelukkig en wel van pas."

"Integendeel," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik kwam om hem te zeggen, dat hare betrekkingen eene reden waren om haar de school te ontzeggen en zij niet moest terugkomen. Maar als haar vader haar werkelijk heeft verlaten, zonder dat zij iets daarvan heeft geweten--Bounderby, laat ik eens een woordje met u spreken."

Hierop gaf mijnheer Childers zich zeer beleefd, met zijn paardrijdersstap, naar het portaal buiten de deur, en bleef daar staan, gedurig met de hand over het gezicht strijkende en zachtjes fluitende. Terwijl hij zoo bezig was, kon hij eenige gezegden van mijnheer Bounderby beluisteren, zooals: "Neen. Ik zeg neen. Ik raad het u niet. Volstrekt niet, zeg ik." Terwijl hij van mijnheer Gradgrind op den veel zachter toon, waarmede deze sprak, de woorden hoorde: "Maar zelfs als een voorbeeld voor Louisa, om haar te toonen, waarop het leven, dat het voorwerp harer nieuwsgierigheid geweest is, uitloopt. Overweeg het eens, Bounderby, uit dat oogpunt."

Ondertusschen kwamen de verschillende leden van Sleary's troep langzamerhand van de bovenkamers, waar zij in kwartier lagen, naar het portaal, bleven eerst een poosje onder elkander en met mijnheer Childers staan praten, en drongen zachtjes aan zich zelven en hem de kamer in. Er waren onder deze groep twee of drie bevallige jonge vrouwen, met hare twee of drie mannen en hare twee of drie moeders, en hare acht of negen kinderen, die als het noodig was voor engeltjes speelden. De vader van een dier huisgezinnen was gewoon den vader van een ander huisgezin op de punt van een hoogen staak te laten balanceeren; de vader van een derde huisgezin maakte dikwijls een piramide met de twee eerstgemelde vaders en den jongenheer Kidderminster, die op den top stond; al de vaders konden op rollende tonnen loopen, op flesschen staan, messen en ballen opgooien en vangen, waschkommen laten tollen, op alles rijden en over alles heen springen. Al de moeders konden op de stijve en de slappe koord dansen en gevaarlijke kunsten maken op den blooten rug van een paard; zij waren geen van allen bijzonder beschaamd om hare beenen te laten zien, en een van haar reed geheel alleen in eene Romeinsche kar met zes paarden, die zij uit de hand mende, wanneer de troep eene stad binnentrok. Zij hielden zich allen alsof zij zeer luchtig en zeer slim waren, maar waren niet zeer net in hunne gewone kleeding, geheel niet ordelijk in hunne huishouding, en de vereenigde letterkundige bekwaamheden van den geheelen troep hadden slechts een zeer armoedigen brief, over welk onderwerp het ook wezen mocht, kunnen samenstellen. Evenwel hadden deze lieden iets opmerkelijk weekhartigs en kinderlijks over zich, waren zij bijzonder ongeschikt om op eene hardvochtige manier hun eigen voordeel te bejagen, en onvermoeid in hunne bereidvaardigheid om elkander te helpen en te troosten; waardoor zij dikwijls evenveel achting waardig waren en altijd met dezelfde edelmoedige zachtheid verdienden beoordeeld te worden, als eenige andere klasse van menschen door hare alledaagsche deugden verdient.

Het laatst van allen verscheen mijnheer Sleary, een zwaarlijvig man, gelijk reeds gemeld is, die één strakstaand en één beweeglijk oog had, en eene stem (indien het stem mocht heeten), welke naar het stenende zuchten van een ouden defecten blaasbalg geleek. Zijne huid hing in slappe plooien over zijn gezicht, en zijn hoofd was altijd beneveld, daar hij nooit recht nuchter en nooit geheel dronken was.

"Jonker!" zeide mijnheer Sleary, met zijne heesche stem en eenigszins belemmerde spraak. "Ik ben uw dienaar. Dat is eene leelijke historie, niet waar? Gij hebt wel gehoord, dat mijn clown en zijn hond denkelijk zijn weggeloopen?"

Hij richtte het woord tot mijnheer Gradgrind, en deze antwoordde: "Ja!"

"Wel, jonker," hervatte hij, terwijl hij zijn hoed afnam en de voering daarvan afwreef met een zakdoek, dien hij tot dat einde in den hoed bewaarde; "is het uw voornemen om iets voor dat arme meisje te doen, jonker?"

"Ik denk haar iets voor te slaan als zij terugkomt," zeide mijnheer Gradgrind.

"Daar ben ik blij om, jonker. Niet dat ik het kind wil kwijt zijn, evenmin als ik haar wil in den weg staan. Ik ben bereid haar in de leer te nemen, hoewel het op haar ouderdom wat laat is. Mijne stem is wat schor, jonker, en niet gemakkelijk te verstaan als iemand niet aan mij gewoon is; maar als gij zoo dikwijls als ik hadt moeten gloeien en rillen, rillen en gloeien, gloeien en rillen, onder het oppassen van dat jonge goed in de manege, zou uwe stem het ook niet hebben uitgehouden, jonker, evenmin als de mijne."

"Dat geloof ik ook wel," zeide mijnheer Gradgrind.

"Wat zult ge gebruiken, jonker, terwijl ge moet wachten? Zal het sherry zijn? Zeg maar op, jonker!" zeide mijnheer Sleary, met gastvrije vrijpostigheid.

"Voor mij niets, ik dank u," antwoordde mijnheer Gradgrind.

"Dat is al heel weinig, jonker. Wat zegt uw vriend? Als ge nog niet gegeten hebt, neem dan een glaasje bitter."

Zijne dochter Josephine, een bevallig blond meisje, dat, toen zij twee jaren oud was, reeds op een paard was gebonden, en op haar twaalfde jaar een testament had gemaakt, dat zij altijd bij zich droeg, en waarin zij haar stervenden wensch te kennen gaf om door de twee bonte hitjes naar het graf te worden getrokken, riep op dit oogenblik: "Stil, vader! daar komt zij terug."

Daarop kwam Sissy Jupe de kamer weder ingeloopen evenals zij was heengeloopen, en toen zij allen daar verzameld vond en zag hoe zij haar aankeken en geen vader ontdekte, barstte zij uit in een allerjammerlijkst geschrei, en verschool zich aan den boezem eener talentrijke koorddanseres, die zich juist in gezegende omstandigheden bevond, en op den grond knielde om het meisje te liefkoozen en met haar te schreien.

"Het is eene gloeiende schande, bij mijne ziel, dat is het," zeide Sleary.

"O, mijn lieve vader, mijn goede, lieve vader, waar zijt ge naar toe? Gij zijt heengegaan om te beproeven iets goeds voor mij te doen, dat weet ik wel. Gij zijt om mijnentwil heengegaan, dat weet ik zeker. En hoe ongelukkig en hulpeloos zult ge zonder mij zijn, arme, arme vader, totdat ge terugkomt."

Het was zoo aandoenlijk, haar aanhoudend zulke gezegden te hooren uiten, terwijl zij, met een naar boven gekeerd gezichtje, hare armen uitstak alsof zij zijne dierbare schim in het verdwijnen wilde tegenhouden en omhelzen, dat niemand een woord sprak, totdat mijnheer Bounderby, die ongeduldig werd, de zaak aanvatte.

"Hoort eens, goede lieden," zeide hij. "Dit is niet anders dan tijdverspillen. Het meisje moet de waarheid begrijpen, en als ge wilt, zal ik ze haar wel aan het verstand brengen, daar mijne eigene moeder ook wel is weggeloopen. Nu dan--hoe heet gij ook weer?--Uw vader is voortgegaan--heeft u laten zitten--en gij moet maar denken, dat gij hem uw leven lang niet zult weerzien."

Maar de omstanders hielden zoo weinig van de onbewimpelde waarheid, dat zij, in plaats van des sprekers gezond verstand en rondborstigheid te bewonderen, die integendeel ten uiterste kwalijk namen. De mannen mompelden, dat het schande, en de vrouwen, dat hij een beest van een kerel en een barbaar was; en Sleary, nu vrij haastig sprekende, gaf mijnheer Bounderby ter zijde den volgenden wenk:

"Laat ik u eens wat zeggen, jonker. Om ruiterlijk te spreken, geloof ik dat ge best zoudt doen, als gij u maar stil- en er buiten hieldt. Mijne luidjes zijn heel goedhartig, maar zij zijn gewoonlijk wat driftig in hun doen; en als ge mijn raad niet volgt, mag ik verd...d wezen als ik niet geloof dat zij u uit het venster zullen smijten."

Toen mijnheer Bounderby door deze vriendelijke kennisgeving tot zwijgen was gebracht, vond mijnheer Gradgrind gelegenheid voor zijne uitnemend practicale beschouwing van de zaak.

"Het is van geen gewicht," zeide hij, "of die persoon te eeniger tijd terug te wachten is of niet. Hij is vertrokken, en het is niet te denken dat hij zoo terstond zal terugkomen. Daaromtrent is men het eens, geloof ik."

"Dat is zoo, jonker, daarin zijn wij het eens, geloof ik."

"Welnu dan. Ik, die hier ben gekomen om den vader van dat arme meisje, Jupe, te onderrichten, dat zij niet meer in de school kon worden toegelaten, uithoofde van practische bezwaren (waarover ik thans niet behoef uit te weiden) tegen de toelating van kinderen van lieden met zulk een beroep, ben onder deze veranderde omstandigheden bereid om een voorstel te doen. Ik ben genegen om u te mijnen laste te nemen, Jupe, u op te voeden en voor u te zorgen. De eenige voorwaarde, die ik maak (boven en behalve uw goed gedrag), is, dat gij nu terstond beslist of gij met mij wilt medegaan of hier blijven; en, indien gij met mij medegaat, dat het aangenomen wordt dat gij geen gemeenschap meer zult hebben met iemand van uwe vrienden, die hier tegenwoordig zijn. Deze opmerkingen omvatten de geheele zaak."

"Ondertusschen moet ik nog een woordje zeggen, jonker," zeide Sleary nu, "om allebei de kanten van de vlag evengoed te laten zien. Als gij bij ons in de leer wilt komen, Cecilia, gij kent den aard van het werk en gij kent uwe kameraden. Emma Gordon, in wier schoot gij nu ligt, zou eene moeder voor u zijn, en Josephine eene zuster voor u wezen. Ik weet wel, dat ik zelf juist geen engel ben, en ik wil niet zeggen, dat gij, als gij uw slag mocht missen, niet ondervinden zoudt, dat ik geducht kan uitvaren, en ik u niet een paar vloeken naar den kop zou smijten. Maar wat ik zeggen wil, jonker, is dit: ik mag dan in een goed of in een slecht humeur zijn, ik heb nog nooit een paard meer kwaad gedaan dan een beetje uitgescholden, en ik geloof niet, dat ik op mijne jaren mijne rijders anders zal gaan behandelen. Ik ben nooit een kakelaar geweest, jonker, en ik heb gezegd wat ik te zeggen had."

Dit laatste gedeelte zijner rede was tot mijnheer Gradgrind gericht, die het met eene deftige buiging van zijn hoofd beantwoordde en daarop hervatte:

"De eenige opmerking, die ik u nog wil voorhouden, Jupe, ten einde eenigen invloed op uw besluit uit te oefenen, is, dat het hoogst wenschelijk is eene degelijke, practicale opvoeding te ontvangen, en dat zelfs uw vader, naar ik verneem, dit ten uwen opzichte schijnt geweten en gevoeld te hebben."

Deze laatste woorden maakten een zichtbaren indruk op haar. Zij bedwong haar heftig schreien, maakte zich eenigszins van Emma Gordon los en keerde zich met haar gezicht geheel naar haar aanstaanden beschermer. Het geheele gezelschap gevoelde de kracht dezer verandering, en men hoorde bij allen eene lange en diepe ademhaling, die duidelijk zeide: "Zij zal gaan!"

"Pas op dat gij zelf goed bedenkt wat gij wilt, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind waarschuwend. "Anders zeg ik niet. Pas op dat ge zelf weet wat ge wilt."

"Als vader terugkomt," riep het meisje na eene poos stilzwijgens uit, en begon wederom te schreien, "hoe zal hij mij dan ooit vinden als ik heenga?"

"In dat opzicht kunt ge volkomen gerust wezen, Jupe," antwoordde mijnheer Gradgrind zeer bedaard; want hij werkte de geheele zaak uit alsof het eene som was. "In zulk een geval zal uw vader, denk ik, naar u zoeken bij mijnheer...."

"Sleary. Dat is mijn naam, jonker. Ik schaam er mij niet voor. Door geheel Engeland bekend en overal eerlijk betaald."

"Zal uw vader bij mijnheer Sleary naar u zoeken, die hem dan wel zeggen zal waar gij gebleven zijt. Ik zou de macht niet hebben om u tegen uw zin te houden, en het zal hem nooit moeielijk wezen mijnheer Thomas Gradgrind van Coketown te vinden. Ik ben welbekend."

"Welbekend," zeide mijnheer Sleary toestemmend en liet zijn beweeglijk oog rollen. "Gij zijt een van die soort, jonker, die ons eene macht van geld uit de kas doet blijven. Maar dat doet er nu niet toe."

De vrouwen gingen nu met zekere treurige drukte aan het werk om Sissy's kleeren bijeen te halen--hetgeen spoedig gedaan was, want zij waren niet veel--en ze in eene mand te pakken, waarin zij reeds dikwijls gereisd hadden. Sissy zat al dien tijd op den grond te schreien met hare handen voor de oogen. Mijnheer Gradgrind en zijn vriend Bounderby stonden bij de deur gereed om haar mede te nemen. Mijnheer Sleary stond in het midden van het vertrek, met de mannelijke leden van den troep om hem heen, juist gelijk hij in het midden der manege zou gestaan hebben, terwijl zijne dochter Josephine hare kunsten verrichtte. Niets ontbrak hem dan zijne zweep.

Toen de mand in stilte gepakt was, brachten zij Sissy haar hoed, en zetten haar dien op het hoofd, nadat zij hare verwarde haren hadden gladgestreken. Toen drongen zij om haar heen, bukten zich over haar in zeer natuurlijke houdingen, en kusten en omhelsden haar, en brachten de kinderen bij haar om afscheid te nemen, kortom, gedroegen zich geheel als een troepje teerhartige, onnoozele, malle vrouwen.

"Nu, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "als ge nu uw besluit hebt genomen, kom dan."

Maar zij moest nog van de mannelijke leden van den troep afscheid nemen, en elk van dezen moest haar in zijne uitgespreide armen sluiten (want onder de oogen van mijnheer Sleary namen zij altijd een theatrale houding aan) en haar een afscheidskus geven. Zij deden dit ook allen behalve de jongeheer Kidderminster, wiens jeugdig gemoed iets misanthropisch had, en die ook in de verte reeds uitzichten op een huwelijk had gekoesterd;--hij droop in eene sombere stemming af. Mijnheer Sleary werd tot het laatst bewaard. Zijne armen wijd uitspreidende, vatte hij haar bij de beide handen, en zou haar op en neer hebben laten springen, op de manier waarop een pikeur gewoonlijk eene jonge dame feliciteert, wanneer zij na haar laatsten toer van het paard wipt; maar Sissy gaf niet op en bleef maar schreiende voor hem staan.

"Vaarwel, lief kind!" zeide Sleary. "Gij zult fortuin maken, hoop ik, en niemand van ons arme lieden zal u ooit lastig vallen, daar sta ik u voor in. Ik wenschte wel dat uw vader zijn hond niet had meegenomen; het is onpleizierig dat de hond niet op de biljetten kan staan. Maar als ik mij wel bedenk, zou hij toch zonder zijn meester geene kunsten willen doen, en dus is het even breed als het lang is."

Daarna staarde hij haar met zijn strakstaand oog oplettend aan, overzag zijn gezelschap met het beweeglijke, gaf haar een kus, schudde zijn hoofd en reikte haar aan mijnheer Gradgrind over, alsof hij haar op een paard wilde zetten.

"Daar is zij, jonker," zeide hij, haar met een pikeursblik opnemende, als om te zien of zij wel goed zat, "en zij zal haar best doen. Dag, Cecilia!"

"Dag, Cecilia! Dag, Sissy! God zegen u, kindlief!" klonk het met verschillende stemmen door de geheele kamer.

Doch de pikeur had het fleschje met negenolie in hare borst gezien en zeide nu:

"Laat mij dat fleschje, kindlief; het is te lastig om mee te nemen en komt u nu toch niet meer te pas. Geef het mij."

"Neen, neen," antwoordde zij, nogmaals in tranen uitbarstende. "Och neen! Laat het mij voor mijn vader bewaren, tot hij terugkomt! Hij zal het wel noodig hebben als hij komt. Hij dacht er zeker niet aan om heen te gaan toen hij mij uitzond. Ik moet het voor hem bewaren. Och, laat het mij toch houden."

"Nu, goed dan, liefje. Gij ziet wel hoe het is, jonker. Vaarwel, Cecilia! Mijn laatste woord aan u is dit: Houd u trouw aan uw accoord, wees den jonker gehoorzaam en vergeet ons. Maar als gij groot geworden en getrouwd en in goeden doen zijt, en dan ooit een paardenspel tegenkomt, veracht het dan niet, en werk het niet tegen, maar neem een abonnement als gij kunt, en denk dat gij er niet veel kwaad aan doet. De menschen moeten zich vermaken, jonker, op de eene of andere manier," vervolgde Sleary, nog heescher geworden dan ooit door zooveel te spreken; "zij kunnen ook niet altijd leeren. Denk het beste van ons en niet het ergste. Ik heb al mijn leven met paardrijden den kost gewonnen, dat weet ik wel; maar ik geloof toch dat ik het bij het rechte eind heb, als ik zeg: Denk het beste van ons en niet het ergste."

Hij zeide dit op de trap, terwijl men naar beneden ging; en terwijl hij de drie gedaanten en de mand zoowel met zijn beweeglijk als met zijn strakstaand oog bleef staan nakijken, verdween zij op de donkere straat weldra uit zijn gezicht.

VII.

MEVROUW SPARSIT.

Daar mijnheer Bounderby ongehuwd was, had hij eene bejaarde dame bij zich wonen, die uit aanmerking van zekere jaarlijksche som zijn huishouden bestuurde. De naam dezer dame was mevrouw Sparsit, en zij was eene zeer in het oog vallende gedaante onder den stoet, die den triomfwagen van mijnheer Bounderby vergezelde, terwijl deze, met dat model van hoogmoedige nederigheid daarin, zegepralend voortrolde.

Want mevrouw Sparsit had niet alleen geheel andere dagen gezien, maar was ook van aanzienlijke familie. Zij had nog eene oudtante in leven, die Lady Scadgers heette. De overledene mijnheer Sparsit, die haar als weduwe had achtergelaten, was van moeders zijde, gelijk mevrouw Sparsit het altijd noemde, "een Powler" geweest. Vreemdelingen, die weinig wereldkennis en geen vlug begrip hadden, schenen somtijds niet te weten wat een Powler was en zelfs onzeker te zijn of daarmede een beroep, eene politieke partij of eene godsdienstige gezindte werd bedoeld. Menschen van meer ontwikkelden geest behoefden echter niet onderricht te worden, dat de Powler's een oude stam waren, die men zoo ver moest nasporen, dat het niet te verwonderen was dat men hen somtijds uit het oog verloor--gelijk dan ook eenige stamhouders nu en dan tengevolge van omstandigheden, die met weddenschappen, geldleeningen en executiën in verband stonden, voor geruimen tijd onzichtbaar waren geworden.

De overledene mijnheer Sparsit dan, die van moeders zijde een Powler was, trad in het huwelijk met deze dame, die van vaders zijde eene Scadgers was. Lady Scadgers (eene verbazend dikke vrouw, met een ontzaglijken eetlust en een geheimzinnig been, dat nu veertien jaren lang niet uit het bed had willen stappen) had dit huwelijk bekuipt op een tijd toen Sparsit juist meerderjarig was en hoofdzakelijk gekenteekend werd door een mager lichaam, door twee dunne stutten onderschraagd en bekroond met een hoofd, waarvan het niet de moeite waard is eenige melding te maken. Hij erfde van een oom een zeer aanzienlijk vermogen, maar was, eer hij dit kreeg, reeds eene evengroote som schuldig, en verteerde terstond daarop nog eens het dubbele daarvan. Toen hij dus op vier-en-twintigjarigen ouderdom stierf (de plaats van zijn overlijden was Calais en de aanleidende oorzaak het brandewijn drinken), liet hij zijne weduwe, van welke hij kort na de wittebroodsweken gescheiden was, in geene zeer gunstige omstandigheden achter. Deze weduwe, vijftien jaar ouder dan hij, geraakte weldra in doodelijke vijandschap met haar eenige bloedverwante, Lady Scadgers, en gedeeltelijk om deze dame verdriet aan te doen, gedeeltelijk om zich een bestaan te verschaffen, ging zij in eene conditie. En hier zat zij nu op haar ouden dag, met haar spitsen arendsneus en de gitzwarte wenkbrauwen, die Sparsit eens hadden bekoord, voor mijnheer Bounderby thee te schenken, terwijl deze heer zijn ontbijt gebruikte.

Indien Bounderby een veroveraar ware geweest en mevrouw Sparsit eene gevangene prinses, welke hij ter opluistering zijner zegepralende intochten medevoerde, had hij niet meer met haar kunnen pronken dan hij thans gewoon was te doen. Gelijk het tot zijne manier van snoeven behoorde zijne eigene afkomst te verachten, behoorde het er toe, de afkomst van mevrouw Sparsit te verheffen. Terwijl hij niet wilde toegeven dat zijne eigene jeugd met eene enkele gunstige omstandigheid vergezeld ging, verhelderde hij de jeugdige dagen van mevrouw Sparsit met alle mogelijke voorrechten, en strooide hij wagenvrachten vol rozen over het geheele pad dezer dame. "En toch, mijnheer," zeide hij dan, "hoe is het eindelijk met haar afgeloopen? Daar zit zij nu met honderd pond 's jaars (ik geef haar honderd pond, en zij is wel zoo goed om dat mild te noemen) en bestuurt het huishouden van Josiah Bounderby van Coketown!"

Hij trompette het bezit eener huishoudster, die zijn aanzien zoodanig verhoogde, zoo geweldig uit, dat ook anderen er van begonnen te spreken en er bij sommige gelegenheden openlijk over uitweidden. Het was een der hatelijkste eigenschappen van Bounderby, dat hij niet alleen zijn eigen loflied zong, maar ook anderen verleidde om dit te zingen. Zijne manier van snoeven had iets besmettelijks. Vreemdelingen, overal elders bescheiden genoeg, konden bij een openbaren maaltijd te Coketown somtijds opstaan en op Bounderby snoeven alsof zij razend waren geworden. Als men hem hoorde, zou men geloofd hebben, dat hij alles, wat bij zulke gelegenheden gewoonlijk werd opgehemeld en te pronk gesteld--het koninklijke wapen, de Britsche zeevlag, het groot Charter, John Bull en het Habeas Corpus, "een Engelschmans huis is zijn kasteel," Kerk en Staat, en God save the queen--in zijn persoon vereenigde; en zoo dikwijls (en dit gebeurde zeer dikwijls) een redenaar van deze soort in het slot zijner aanspraak de regels te pas bracht:

"Laat Vorstendommen, Gravenhuizen Op aarde bloeien of vergaan: Een enkel woord kan hen weer scheppen, Gelijk zij vroeger zijn ontstaan,"

hield men het onder het gezelschap voor zoo goed als zeker, dat hij van mevrouw Sparsit had gehoord.

"Mijnheer Bounderby," zeide mevrouw Sparsit, "ge zijt van morgen bijzonder langzaam met uw ontbijt, mijnheer."

"Ja, juffrouw," antwoordde hij, "ik zit te denken over die gril van Tom Gradgrind." Dit "Tom Gradgrind" zeide hij met eene manhaftigheid, alsof iemand gedurig beproefde hem met ontzaglijke sommen om te koopen om "Thomas" te zeggen en hij toch niet wilde; "die gril van Tom Gradgrind, juffrouw, om dat kunstenmakerskind groot te brengen."

"Het meisje staat nog te wachten," zeide mevrouw Sparsit, "om te weten of zij rechtstreeks naar de school of eerst naar het buiten moet gaan."

"Zij moet wachten, juffrouw, tot ik het zelf weet," antwoordde Bounderby. "Wij zullen Tom Gradgrind zoo meteen wel hier hebben, denk ik. Als hij wenschen mocht, dat zij nog een paar dagen hier bleef, kan dat natuurlijk wel geschikt worden."

"O ja zeker, als gij het zoo verkiest, mijnheer Bounderby."

"Ik zeide hem gisteravond, dat ik haar hier een kermisbed zou geven, om hem tijd te laten om er zich eens op te beslapen, eer hij er toe besloot om haar eenige gemeenschap met Louisa te laten hebben."

"Inderdaad, mijnheer Bounderby, dat was zeer oplettend van u."

Mevrouw Sparsit's spitse neus werd een weinig breeder door het uitzetten der neusgaten en hare zwarte wenkbrauwen trokken zich samen, terwijl zij een teugje thee slurpte.

"Het is voor mij tamelijk duidelijk," zeide mijnheer Bounderby, "dat zulk een gezelschap het kleine nest heel weinig goed kan doen."

"Bedoelt gij de jongejuffrouw Gradgrind, mijnheer Bounderby?"

"Ja, juffrouw, ik meen Louisa."

"Daar uw gezegde alleen op een "klein nest" betrekking had," zeide mevrouw Sparsit, "en er twee kleine meisjes in de zaak betrokken waren, wist ik niet wie van de twee door die uitdrukking kon worden aangeduid."

"Louisa," herhaalde mijnheer Bounderby, "Louisa, Louisa."

"Gij zijt volkomen een tweede vader voor Louisa, mijnheer."

Mevrouw Sparsit nam nog een teugje thee; en toen zij hare wederom saamgetrokkene wenkbrauwen over haar kopje boog, had haar klassiek gelaat eene uitdrukking alsof zij de onderaardsche goden aanriep.