Slechte Tijden

Part 26

Chapter 264,104 wordsPublic domain

Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.

Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden--een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen--en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch--bijna verbrijzeld.

Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.

Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijn toe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: "Rachel!"

Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.

"Rachel, melieve!"

Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: "Laat ze niet los."

"Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?"

"Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve--maar het is nu over. Och, Rachel, 't is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!"

Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.

"Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft--vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus' wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier--altijd in een warboel."

Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand--alleen als eene waarheid.

"Uw zusje, Rachel--gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet--dat arme, geduldige, lieve kind--hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!"

Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.

"Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had--als hij mij ooit eenigszins gekend had--zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!"

Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.

"Die heeft mij beschenen," zeide hij eerbiedig, "in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende--terwijl zij mij bescheen--heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was."

Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.

"Gij hebt het gehoord?" zeide hij na eene korte poos van stilte. "Ik heb u niet vergeten, mevrouw."

"Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne."

"Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?"

"Hij is hier," zeide Louisa met angst. "Zal ik hem bij u brengen?"

"Als het u belieft."

Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.

"Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over."

Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.

"Mijnheer," was het antwoord, "uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging--en ik vertrouw, dat gij het doen zult."

Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:

"Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen."

Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.

"Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!"

"Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg."

"God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?"

Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.

XXXV.

DE HONDSVOT-JACHT.

Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom--wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene--en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprak hij eenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.

Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich op Stone Lodge bevond.

"Ik geloof, vader," zeide Louisa, "dat hij van avond niet weder in de stad zal komen."

Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.

Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.

Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: "Nu niet, lieve kinderen, van avond." Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: "Ik ben er nog niet toe in staat--morgen." Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.

In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.

"Lieve vader," zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, "gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, en ik zal met 's Hemels hulp ook nog anders worden."

Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.

"Uw rampzalige broeder!" zeide mijnheer Gradgrind. "Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?"

"Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had."

"En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?"

"Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem."

"Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?"

"Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeg hem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan."

"Laat mij eens hooren," zeide haar vader, "of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne."

"Ik vrees, vader," antwoordde Louisa aarzelend, "dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam--dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen."

"Maar al te duidelijk!" zeide haar vader. "Maar al te duidelijk!"

Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:

"En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn."

"Sissy heeft het reeds gedaan, vader."

Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: "Altijd zijt gij het, mijn kind!"

"Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd," zeide Sissy, met een blik naar Louisa; "en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: "Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil." Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: "Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen." Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. "Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn," zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen."

"De Hemel zij gedankt!" riep zijn vader uit. "Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden."

Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens van Liverpool was gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem--want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen--werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haar zou komen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.

Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen--het eenige verschil tusschen die stations;--en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.

Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary's paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld. Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary's paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.

Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.

Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist--en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.

De keizer van Japan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,--de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwen clown aangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.

Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar den clown gedaan, en pas had de clown gezegd: "Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!" toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om den clown gelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: "Ei zoo, mijnheer!" beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en de clown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: "Nu is het mijne beurt!" toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.

Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.

"Cecilia!" zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, "het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge te Parijs van hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven--hun oom, die ze als voogd onder zijne bescherming neemt, ook te paard--zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard--en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard--dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan van Indië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd--zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg--en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt."

Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa's oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.