Slechte Tijden

Part 25

Chapter 254,075 wordsPublic domain

"Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik door constables hier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk"--hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond--"in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan."

Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:

"Het verwondert mij, juffrouw," zeide hij met strengheid, "dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld."

"Ik onnatuurlijk!" riep de arme juffrouw Pegler uit. "Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!"

"Dierbaar!" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten."

"Ik mijn Josiah verlaten!" riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. "Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren."

Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:

"Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in--in de goot hebt laten liggen?"

"Josiah in de goot!" riep juffrouw Pegler uit. "Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!" zeide zij met trotsche verontwaardiging. "En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer--want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen--dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond 's jaars--meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over--alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon," vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, "want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij voor u, mijnheer," zoo besloot zij, "over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen."

De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.

"Ik weet niet recht," zeide hij, "hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden--vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!"

Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby van Coketown.

Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek van Stone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.

Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.

In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen's terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.

En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?

Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?

XXXIV.

HET STERRENLICHT.

Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.

Daar Coketown stof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek--op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden--waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.

Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zich Coketown in het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.

De machines boven de monden van mijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.

Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.

De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. "Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen."

Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.

"En toch weet ik het niet," zeide zij. "Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.--O, Rachel!"

Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.

"Wat is er?"

"Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras."

Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.

"O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord."

"Is er--is er bloed aan?" bracht Sissy stamelend uit.

Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.

"Rachel," fluisterde Sissy, "ik zal alleen wat verder gaan."

Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.

"O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!" In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.

"Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om 's Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!"

Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.

"Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hem toch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!"

"Neen, neen, neen!"

"Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren."

Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.

Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.

"Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!"

Zij zag aan Rachel's gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.

Loop, Sissy, loop, in 's Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.

Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.

Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.

Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven--het was alsof zij hem aan zijn lot overliet--en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.

Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.

Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein van Coketown had doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.

De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, en boodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eene brandende kaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord: "Laat zakken!"

Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweging gebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.

Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van "Levend of dood?" en daarop volgde eene diepe stilte.

Toen hij "levend!" zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.

"Maar hij is heel erg bezeerd," voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. "Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen."

Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.

Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.

Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.