Part 24
"Ik had medelijden met hem," antwoordde Louisa met verhoogde kleur, "en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden."
"Dank je wel, mevrouw," viel Bounderby hierop in. "Zeer vereerd en verplicht."
"Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?" hervatte Rachel.
"Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen."
Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.
"O ja wel," zeide Bounderby. "Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is."
"Mevrouw," hervatte Rachel, "Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen--de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!" Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.
"Het spijt mij, het spijt mij zeer," zeide Louisa.
"O mevrouw, mevrouw," antwoordde Rachel, "ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet."
Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.
"En als ik bedenk," zeide Rachel tusschen haar snikken door, "dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart--als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht--o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet."
"Het staat u mooi," bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, "om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient."
Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.
"Komaan," zeide hij, "gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders."
"Het spijt mij waarlijk," antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, "dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is--en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was--ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd--want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken--en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier."
"Zoo ver is alles waar," zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. "Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is--doe het."
"Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb," antwoordde Rachel, "en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."
"Dan zal ik u eens wat zeggen," liet Bounderby hierop volgen. "Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven."
"Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw," zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, "of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaakt was onder een anderen naam werk te zoeken."
"Zoo waarachtig!" riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, "heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft."
"In naam der barmhartigheid, mevrouw," zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, "wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?"
"Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart," zeide Louisa, "en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren."
"Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig."
"Des te veiliger zou ik denken," zeide Bounderby, "omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?"
"Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is," zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, "en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."
"Evenwel," liet Bounderby hierop volgen, "als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken."
Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: "Goedenavond, vader!" Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.
Sedert zijn plechtanker hem begeven had, was mijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:
"Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent."
"Het stuit mij tegen de borst," antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, "iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd--als wij het allen worden--kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt."
"Hebt gij hem in uw brief gezegd," vroeg Sissy, "dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn."
"Ja, lieve juffrouw," antwoordde zij, "maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij."
Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.
"Ik twijfel," antwoordde Rachel, "of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn."
"Dan zal ik ook overmorgenavond komen," zeide Sissy.
Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:
"Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?"
"Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer."
"Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen--zijn die zoo eerlijk?"
"Bijzonder eerlijk."
"En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven," zeide mijnheer Gradgrind peinzende, "zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?"
Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.
Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.
De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.
Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.
De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel's brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men te Coketown koesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.
Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed--een akeligen moed--en begon brutaal te worden. "Was de verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?"
Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.
XXXIII.
GEVONDEN.
Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?
Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie te Coketown.
"Ik twijfel," zeide Rachel, "of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben."
Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel's terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.
"Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken," vervolgde Rachel, "zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken."
"Dat geloof ik ook met al mijn hart," antwoordde Sissy. "Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt."
"En ik, lieve," zeide Rachel met eene beving in hare stem, "heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen."
"Wij op Stone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden."
"Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft," zeide Rachel, "en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch...."
"Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?"
"Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht--neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten...."
Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.
"Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die--om dit te voorkomen--hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft."
"Dat is eene schrikkelijke gedachte," zeide Sissy, verbleekende.
"Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn."
Sissy huiverde en werd nog bleeker.
"Als dat mij in het hoofd komt, lieve," vervolgde Rachel, "en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was--dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan."
"Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden," zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; "en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden."
"Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet."
"'t Is waar," luidde Sissy's onwillige toestemming.
"Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben."
"Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht."
Hare zachte hand hing Rachel's doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.
"Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler."
"Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig."
"Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?"
"Ja, lieve."
Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy's weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.
"Dat is eene beschikking der Voorzienigheid," riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. "Kom er uit, juffrouw," vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; "kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen."
De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.
"Blijft van haar af, allemaal!" riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. "Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw," vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; "kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen."
Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.
"Roep mijnheer Bounderby beneden!" riep mevrouw Sparsit. "Gij, Rachel, weet gij wie dit is?"
"Dit is juffrouw Pegler," antwoordde Rachel.
"Dat zou ik ook denken!" riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. "Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal." Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. "Praat mij van niets,", zeide mevrouw Sparsit hardop. "Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven."
Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby's gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.
"Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?" zeide hij.
"Mijnheer," zoo begon die brave vrouw hare opheldering, "ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen--ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot."
Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.
"Wat heeft dat te beduiden?" was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. "Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?"
"Mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit flauw.
"Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?" viel Bounderby uit. "Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?"
Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.
"Mijn lieve Josiah!" riep juffrouw Pegler bevend uit. "Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien."
"Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?" zeide Bounderby.