Part 23
"Mijnheer," fluisterde mevrouw Sparsit, "mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen."
En dit deed zij ook.
"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, "zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken."
Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.
"Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind," hervatte hij, "dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby van Coketown door zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen."
Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.
"Mijn lieve Bounderby," begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.
"Neem mij niet kwalijk," zeide Bounderby, "maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na."
"Bounderby," hervatte mijnheer Gradgrind dringend; "alle menschen kunnen dwalen."
"Ik dacht, dat gij het niet kondt," viel Bounderby hem in de rede.
"Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was."
"Ik heb zijn naam niet eens genoemd," zeide Bounderby.
"Goed, goed!" antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. "Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben."
"Wie meent ge met dat wij?"
"Laat mij dan ik zeggen," antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. "Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb. Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen."
"Daar hebt gij het aan 't rechte eind," antwoordde Bounderby. "Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!--Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is--dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding."
"Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien," bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, "dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn."
"Dat zie ik geheel niet in," antwoordde de stijfkoppige Bounderby.
"Wel," hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, "wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad."
"Ik versta u nog niet," antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, "en daarom wil ik niets beloven."
"In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby," vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, "schijn ik beter met Louisa's karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er--Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen--ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die--die op eene harde manier verwaarloosd zijn en--zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En--en ik wilde u doen opmerken, dat het--dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten--en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen--het--het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa," vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, "is altijd mijn geliefkoosd kind geweest."
Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:
"Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?"
"Ik--ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt."
"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, "ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij."
"Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en--en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb," gaf de vader treurig ten antwoord.
"Luister nu eens, Tom Gradgrind," zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. "Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben een Coketowner. Ik ben Josiah Bounderby van Coketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind."
"Bounderby," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen."
"Wacht nog eens even," hervatte Bounderby; "ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat is rond en duidelijk gesproken, zou ik hopen."
"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind dringend; "dat is onredelijk."
"Is het?" zeide Bounderby. "Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn--geborene dames--die tot familiën behooren--familiën!--die den grond haast aanbidden, waarover ik ga."
Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.
"Terwijl uwe dochter," vervolgde Bounderby, "lang geene geborene dame is--dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?"
"Niet om mij te sparen, vrees ik," merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.
"Hoor mij ten einde," zeide Bounderby, "en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen."
"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, "hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik."
"Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is"--deze bedenking stuitte hem--"totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?"
"Wat ik meen, Bounderby?"
"Met dat logeer-voorstel," zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.
"Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken."
"Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?" zeide Bounderby.
"Als gij het zoo wilt uitdrukken."
"Wat heeft u daaraan doen denken?" zeide Bounderby.
"Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomen of zij mee- of tegenviel..."
Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:
"Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak."
"Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt."
"Ik denk er anders over," zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; "en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik heb mijne opvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heeft hare opvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken."
"Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen," zeide mijnheer Gradgrind, "eer gij tot zulk eene beslissing overgaat."
"Ik beslis altijd dadelijk," antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, "en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby van Coketown te hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!"
Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.
XXXII.
VERLOREN.
De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.
Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.
Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool--zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen--zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.
De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas--en zulk eene hulp was overal gereed--staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.
Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden van Coketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat "doemvonnis", gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.
"O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof--o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters, wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woorden ziftte en haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden--mijne arbeidende vrienden--want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman--mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat--wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden van Coketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders van Coketown plechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen."
Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: "Neen!" en toen een man zeide: "Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!" riepen eenige anderen goedkeurend: "Hoor, hoor!" Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleek de woorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.
Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.
"Wie is er?" vroeg Louisa.
"Het is mijnheer Bounderby," antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken, "en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent."
"Wat willen ze hebben, lieve Sissy?"
"Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn."
"Vader," zeide Louisa, want hij was in de kamer, "ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?"
Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.
"Mevrouw Bounderby," zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, "ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren."
"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw," zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.
Tom kuchte.
"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien," herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.
Tom kuchte nog eens.
"Ja, dat heb ik," zeide Louisa nu.
Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: "Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?"
"Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij."
"Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?" vroeg Bounderby.
"Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen." En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: "En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed--en zoo volledig--vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?"
"Zeg nu, mevrouw, als het u belieft," hervatte Rachel, "waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?"