Slechte Tijden

Part 21

Chapter 214,107 wordsPublic domain

"Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde--gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet--zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?"

"Neen, neen, mijn ongelukkig kind," antwoordde hij.

"Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben--om er niemand mede te verrijken--alleen om deze wereld des te armer te maken--van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?"

"O neen, neen, Louisa."

"En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen."

Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.

"Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust."

"Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind."

"Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen."

"En dat zoo jong, Louisa!" zeide hij met medelijden.

"Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader--want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood--toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken."

Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:

"Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen."

"Louisa!" zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.

"Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen."

"Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt."

"Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren."

"Om u, Louisa!"

Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.

"Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed."

Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.

"Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet."

Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte, met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.

"Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen."

Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: "Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!" En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.

DERDE BOEK. INZAMELEN.

XXIX.

NOG IETS NOODIGS.

Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone kamer. Het was haar in 't eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde haar duidelijker voor den geest.

Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:

"Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?"

"Gisteravond, Louisa."

"Wie heeft dat gedaan?"

"Sissy, geloof ik."

"Waarom gelooft gij dat?"

"Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt."

"Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!" zeide Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog om haar een kus te geven.

"Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan Sissy te danken hebben."

De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder teruggetrokken.

"Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt," zeide zij; en toen haar nog even terughoudende, vervolgde zij: "Gij zijt het zeker, die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, dat ik welkom was."

"O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was..."

Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die opendeed en binnentrad.

Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak over de noodzakelijkheid om zich, na de aandoeningen van den vorigen avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls naar woorden zoeken.

"Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter..." Hier was hij zoo in de war, dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.

"Mijn ongelukkig kind!" Het was zoo moeielijk over dat begin heen te komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.

"Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is."

Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.

"Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt geholpen--beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid van mijn systeem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb wèl te doen."

Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen des levens verwoest.

"Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen."

Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.

"Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen."

Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene betuiging van het diepste naberouw geweest.

"Maar," zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; "als ik reden zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik het rechte instinct heb--om voor een oogenblik te vooronderstellen, dat er eene eigenschap van dien aard bestaat--om u te helpen en den rechten weg te wijzen, mijn kind."

Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.

"Sommigen beweren," vervolgde hij, nog aarzelende, "dat er eene wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het instinct, dat mij ontbreekt, Louisa..."

Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.

"Louisa," hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, "ik ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon de opvoeding uwer zuster volgens het--het systeem is ingericht"--hij scheen thans dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken--"is zij toch noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag u--nederig en als een onkundige, mijne dochter---denkt gij, dat dit tot haar bestwil zou zijn geweest?"

"Vader," antwoordde zij zonder zich te bewegen, "als er in hare jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft vermeden."

"O, mijn kind, mijn kind!" zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid in zijn toon; "ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke bittere verwijten doe!" Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht sprekende: "Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou het zoo kunnen zijn?"

Zij gaf hem geen antwoord.

"Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!"

Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.

Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, die wrokkend tegen eene vriendin opstond.

Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.

Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.

Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit en bleef stil bij het bed staan.

"Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of gij hebben wilt dat ik bij u blijf."

"Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij zijt alles voor haar."

"Ben ik dat?" antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. "Maar ik zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht."

"Wat voor mij zijn?" zeide Louisa bijna stuursch.

"Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?"

"Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?"

"Neen, zeker niet," antwoordde Sissy. "Hij heeft mij nu gezegd, dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer gezonden--of ten minste..." Zij aarzelde en zweeg.

"Ten minste--wat?" zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op haar vestigende.

"Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden."

"Heb ik u altijd zoozeer gehaat?"

"Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt gevoelde."

Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf haar een scherp verwijt.

"Mag ik het beproeven?" zeide Sissy, moed vattende om hare hand op te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.

Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy's hand in de hare sluitende, antwoordde zij:

"Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?"

"Neen!"

"Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?"

"Neen!"

In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, dat de duisternis der andere verhelderde.

Louisa beurde nu zelve Sissy's hand op, om haar hals te omvatten. Toen viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.

"Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart mogen te rust leggen!"

"O, leg het hier," riep Sissy uit, "leg het hier te rust!"

XXX.

ZEER BELACHELIJK.

Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat hij vergat op de manier van fijn beschaafde gentlemen zijne verveling te toonen.

Nadat hij door den storm naar Coketown was gerend, bleef hij den geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug moest verwachten.

Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!

"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had om zich in dit opzicht ongerust te maken. "Zij is van morgen eer de dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt."

"Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?"

"Waar ik gisteravond geweest ben!" zeide Tom. "Wel, nu nog mooier! Ik heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?"