Part 19
Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisa verscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby's ontbijt gereed te maken, eer Miss Bounderby--zij verzocht wel verschooning, zij wilde zeggen mevrouw Gradgrind--zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen--hare tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer Bounderby's tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.
"Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw," zeide Bounderby, "blijf gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, als gij haar van dien last ontheft."
"Zeg dat niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met strengheid, "want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer."
"Wees maar gerust, juffrouw.--Gij kunt het heel bedaard opnemen, niet waar, Louisa?" zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot zijne vrouw.
"O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig gewicht voor mij zijn?"
"Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw Sparsit?" zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel van gekrenkte waardigheid. "Gij hecht veel te veel gewicht aan die dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren."
"Wat scheelt u?" vroeg Louisa met koele verwondering. "Wat heeft u aanstoot gegeven?"
"Aanstoot!" herhaalde Bounderby. "Denkt gij, als iets mij aanstoot gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om."
"Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te bedeesd of al te kiesch te houden," antwoordde Louisa zeer bedaard. "Ik heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ik begrijp niet wat gij hebben wilt."
"Hebben wilt?" hervatte Bounderby. "Niets. Weet gij anders niet heel goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby van Coketown, het ook hebben zou?"
Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.
"Gij zijt van morgen onbegrijpelijk," zeide Louisa. "Maar geef u geene verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig naar uwe meening. Wat maakt het uit!"
Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, lag in haar eigen gesloten hart verborgen.
Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen kus op zijne hand drukte, de woorden, "mijn weldoener!" prevelde, en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, dezelfde afstammelinge der Scadgers' en aanverwante der Powler's haar rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: "Het is uw verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om."
Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap van Stone Lodge gekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks had verbeeld.
Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naar Coketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar haar ouderlijk huis te brengen.
Zij was sedert haar huwelijk zelden daar geweest. Haar vader was doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop (zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.
Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele schoone onmogelijkheden versieren--zoo heilzaam, dat men ze zich nog herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te komen verlustigen--wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan door een hefboom van welberekende materieele kracht--wat had zij met zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.
Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.
Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.
Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.
Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.
"Wel, melieve," zeide mevrouw Gradgrind, "ik hoop dat het u wel naar uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart op gesteld. En hij moest het weten."
"Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve."
"Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw en duizelig."
"Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?"
"Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is," antwoordde mevrouw Gradgrind, "maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb."
Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.
"Gij ziet uwe zuster zeer zelden," zeide mevrouw Gradgrind. "Zij begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, breng haar hier."
Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy's hals gezien en gevoelde het verschil dezer toenadering.
"Ziet gij de gelijkenis, Louisa?"
"Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar..."
"He? Ja, dat zeg ik ook altijd," riep mevrouw Gradgrind met onverwachte vlugheid uit. "En dat doet mij bedenken--ik moet u spreken, melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen."
Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de kamer eigen was--het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.
Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.
"Gij hadt mij willen spreken, moeder?"
"He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven."
"Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?"
"Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang nooit meer iets over iets gezegd heb."
"Ik hoor u wel, moeder." Maar het was alleen door laag te bukken en tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.
"Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen."
"Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te spreken." Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af te dwalen.
"Maar er is toch iets--geen ologie, gansch niet--dat uw vader gemist of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik wil hem schrijven, dat hij om 's Hemels wil poogt te vinden wat het is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen."
Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.
Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
XXVI.
DE GROOTE TRAP.
Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.
Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl men daags voor haar vertrek aan tafel zat:
"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gij moet, zoolang het mooi weer blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven."
En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: "Hooren is gehoorzamen."
Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar beneden dalen.
Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en acht te geven hoe Louisa die afdaalde--somtijds langzaam en
somtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.
Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steeds lager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd en had lust tot een gezellig praatje.
"Ei, mijnheer," zeide zij, "als ik het wagen mag iets te vragen aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren--en dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene reden hebt voor al wat gij doet--hebt gij ook al nadere inlichtingen aangaande dien diefstal gekregen?"
"Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik het ook nog niet verwacht. Rome is niet op één dag gebouwd, juffrouw."
"Wel waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd schuddende.
"En niet in ééne week, juffrouw."
"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit op een droevigen toon.
"Dus kan ik ook wel wachten, weet ge," hervatte Bounderby. "Als Romulus en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze met de beste koe gelijk."
"Ach!" zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.
"Neen, juffrouw," vervolgde Bounderby, "ik heb er nog niets meer van gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig tamelijk wel op zijne zaken past--dat is iets nieuws voor hem; hij is niet zoo gedresseerd als ik--helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen wij hen krijgen."
"Zeer schrander overlegd, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "en zeer interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer..."
"De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw," viel Bounderby er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf om te snoeven, "is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk van haar te spreken."
Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag Louisa steeds lager en lager afdalen.
Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. "Zoo het dat niet werkelijk doet!" zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; maar wat zij zeiden, was dit:
"Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?"
"O ja, volkomen."
"Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?"
"Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: "Goede man, gij overdrijft uwe rol."
"Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken."
"Lieve Louisa--gelijk Tom zegt," (hij zeide dit nooit) "gij weet toch geen goed van den man?"
"Neen, dat zeker niet."
"Of van een van die lieden."
"Hoe kan ik," antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, "als ik geheel niets van hen weet?"
"Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet--want braaf zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, mijnheer Bounderby--die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen, doet mede, steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!"
"Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe," antwoordde Louisa, nadat zij eene poos had zitten peinzen, "dat ik zoo gereed ben u toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo verlicht gevoel."
"Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan eens met mijn vriend Tom over gepraat--ik blijf natuurlijk op den vertrouwelijksten voet met Tom--en hij is volkomen van mijn gevoelen, en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?"
Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.
Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit's oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder afdalende.
Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.
Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, tegen de nederdalende gedaante.
XXVII.
AL LAGER EN LAGER.