Slechte Tijden

Part 18

Chapter 183,909 wordsPublic domain

"Zeer zeker, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "gij hebt hem op eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven."

"Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, juffrouw?" zeide Bounderby.

"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige treurigheid haar hoofd, "dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is--overdrevener, als men die uitdrukking beter vindt--dan het wezen zou, indien ik altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed."

Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als wilde hij zeggen: "ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe aandacht wel waardig, zou ik denken?" Daarop hervatte hij zijne rede.

"Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben nooit zoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen naderhand liep hij weg--ging voort, niemand weet waarheen--gelijk mijne moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,"--met zijn hoed in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op den bol, alsof het eene tamboerijn was--"dat men hem avond op avond bij het kantoor op de wacht heeft gezien--dat hij na den donker daar bleef loeren--dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met geen goed oogmerk zoo loeren kon--dat zij Bitzer opmerkzaam op hem maakte en zij hem alle twee in het oog hielden--en dat het vandaag door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?" Tot dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.

"Dat luidt zeker verdacht," zeide James Harthouse.

"Dat dunkt mij ook, mijnheer," hervatte Bounderby, met een uitdagend knikje. "Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden--denkelijk om rapport te doen eer zij haar post verliet--dat duivelsche wijf."

Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te willen schuilhouden, dacht Louisa.

"Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten," zeide Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. "Maar ik heb voor het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben."

"Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft worden, gelijk de publicaties zeggen," antwoordde James Harthouse, "en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen, moeten de gevolgen maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren gaan bestelen."

Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar niet scheen.

"Vooreerst, Louisa Bounderby," zeide haar echtgenoot, "moet er om mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, dat zij het hier naar haar genoegen heeft."

"Ik dank u wel zeer, mijnheer," zeide deze bescheidene dame hierop, "maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is alles goed genoeg."

Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor het comfortable daarvan, dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. 't Was waar, de Powler's en de Scadgers' waren aan weelde gewoon; "maar het is mijn plicht te onthouden," merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, "dat ik niet meer ben wat ik was. Inderdaad," zeide zij, "als ik geheel en al de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan wèl zou doen." Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; waarna zij zeide: "Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer," en daarmede haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte "om op den eenvoudigen schapebout te wachten." Zij verzocht ook met diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs haar Romeinschen neus zien afrollen.

Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd moest schudden, alsof zij wilde zeggen: "Helaas, arme Job." Nadat zij zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het oog loopende opgeruimdheid: "Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;" en het scheen dan, dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, "want het verschil," zeide zij, "was toch zoo verbazend groot."

Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.

Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: "Wees nu niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd zien als gij placht te zijn."

Mijnheer Bounderby, bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, slaakte een zucht als een groot zeemonster.

"Ik kan u zoo niet zien, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Ga eens een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de eer had van onder uw dak te wonen."

"Ik heb sedert geen triktrak meer gespeeld, juffrouw," antwoordde Bounderby.

"Neen, mijnheer, dat weet ik wel," hervatte mevrouw Sparsit troostend. "Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, als gij zoo goed woudt zijn."

Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was een heerlijke avond, wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door de duisternis daar buiten heen te boren.

"Wat is er, juffrouw?" zeide Bounderby. "Gij ziet toch geen brand?"

"O Heere neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Ik dacht aan den dauw."

"Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?" hervatte Bounderby.

"Het is niet voor mij zelve, mijnheer," was het antwoord, "maar ik ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten."

"Zij vat nooit kou," zeide Bounderby.

"Inderdaad, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen een kuchje.

Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een glas water.

"O, mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit, "niet uw warmen wijn met citroenschillen en muskaat?"

"Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw," antwoordde Bounderby.

"Dat is wèl jammer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Gij verliest al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals ik dikwijls gedaan heb."

Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.

"Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen," zeide zij. "Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken."

En toen mijnheer Bounderby zeide: "Uwe gezondheid, juffrouw," antwoordde zij met diep gevoel: "Dank u, mijnheer. Ik wensch u hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn."

Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem eigenlijk scheelde.

Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer in de lucht uit, en alles was weder doodstil.

Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.

Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te slapen, maar zeide nog niets.

Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en vroeg wie daar was en wat er te doen was.

"Tom," zeide zij, "hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere menschen verborgen houdt, zeg het mij dan."

"Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben."

"Lieve broeder,"--zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde verbergen--"is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid."

"Ik weet niet wat gij meent, Louisa."

"Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid."

"Wat is het, dat gij weten wilt?"

"Gij kunt zeker zijn," en in het vuur harer liefde drukte zij hem aan hare borst alsof hij een kind was, "dat ik u geen verwijt zal doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar heel zacht. Zeg maar "ja," en ik zal u verstaan."

Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.

"Geen woord, Tom?"

"Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beter broeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed."

"Gij zijt vermoeid," fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.

"Ja, ik ben geheel afgemat."

"Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe ontdekkingen gedaan?"

"Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van--hem."

"Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?"

"Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?"

"Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou."

"Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?"

Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.

"Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar geweest ben?" zeide zijne zuster, bij het bed staande--zij had zich langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. "Zou ik het zeggen? Moet ik het zeggen?"

"Goede Hemel, Louisa," antwoordde haar broeder, "ge zijt niet gewoon mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, is het mij ook wel."

Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij spraken.

"Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, werkelijk in deze misdaad betrokken is?"

"Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet."

"Hij kwam mij toen een eerlijk man voor."

"Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn."

Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder wilde spreken, en daarna gezwegen.

"Kortom," hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, "als gij daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik hoop, dat hij het is."

"Was hij beleedigd door dat zeggen van u?"

"Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt ge, Louisa?" Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. "Goeden nacht, lieve, goedenacht!"

"Gij hebt mij niets meer te zeggen?"

"Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene leugen vertelde?"

"Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij zijn zullen."

"Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga naar bed, ga naar bed."

Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de deur en ging weder naar hare kamer.

Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde als hij zelf was.

XXV.

DE LAATSTE WOORDEN.

Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheen het dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, was toch de manier, waarop zij hare ruige, om niet te zeggen raspige mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.

Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit eenig menschelijk oog haar hard loopen.

Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor hem nijgende:

"Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres van mijnheer Bounderby te willen vernemen."

"Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen zal vergeten," antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.

"Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit.

"Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt."

"Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer," vervolgde mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, "wat de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind."

"Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor--voor alles, kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt--natuurlijk vereenigd met uwe kracht van geest--en uwe aanzienlijke afkomst--blinkt altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden." Hij viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij het uitbracht.

"Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind--het is een zonderling zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen--zoo jeugdig is als ik haar beschreven had?" zeide mevrouw Sparsit met zoetsappige vriendelijkheid.

"Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd," antwoordde Harthouse; "een trouw beeld van haar gegeven."

"Zeer innemend, niet waar, mijnheer?" hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.

"Buitengemeen."

"Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig genoeg was," zeide mevrouw Sparsit, "maar ik moet bekennen, dat het mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, daar is waarlijk mijnheer Bounderby!" riep zij uit, verscheidene malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand anders gesproken had. "Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer."

Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: "Gij zult wel naar uw ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen," antwoordde Bounderby: "Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ik u lastig vallen om den post aan den trekpot waar te nemen." Mevrouw Sparsit gehoorzaamde en hernam hare oude plaats aan de tafel.