Slechte Tijden

Part 17

Chapter 174,001 wordsPublic domain

"Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is."

"Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen--en daar wij, wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, waarop ik boven alles prijs stel--zal ik u gehoorzamen. Ik kan het hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin--voor hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een verschoonlijken misstap te houden."

Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene verlichting daarin.

"Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te redden--van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die een deugniet op veel grootere schaal is geweest--zullen mij eenigen invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard ben. Daar onder de boomen," vervolgde hij, nadat hij had opgekeken en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, "is uw broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk geweten getroffen--als er zulk een ding als een geweten is; want, op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven."

Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.

"Holla ho!" zeide hij stotterend. "Ik wist niet, dat gij hier waart."

"Wiens naam, Tom," zeide Harthouse, hem de hand op den schouder leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het huis wandelden, "hebt gij daar op de boomen gesneden?"

"Wiens naam?" antwoordde Tom. "O, gij meent welken meisjesnaam?"

"Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven."

"Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls als zij maar wilde."

"Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom."

"Zelfzuchtig," herhaalde Tom. "Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne zuster maar."

"Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?" zeide Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid en wreveligheid te toonen.

"Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa," antwoordde haar broeder stuursch. "Zoo ja, trek hem dan maar aan."

"Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich vervelen, nu en dan zijn," liet Harthouse hierop volgen. "Geloof hem maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt."

"In allen gevalle, mijnheer Harthouse," zeide Tom, door de schertsende gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, "kunt gij haar niet zeggen, dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang."

Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.

"Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken."

Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen--het behoorde tot mijnheer Bounderby's nederigheid om de rozen van Nickits in het wild te laten groeien--en Tom zette zich op de balustrade van een terras, en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien zag zij hen.

"Tom, wat scheelt er aan?"

"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom met een zucht, "ik zit er zoo in; ik word half doodgeplaagd."

"Ik ook, mijn beste jongen."

"Gij?" hervatte Tom. "Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb--een toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar gewild had."

Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.

"Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel--dat weet ik."

"Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje 's maands leefde, of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?"

Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.

Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.

"Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft...."

"Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een onnatuurlijk gedrag."

Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten van Coketown dreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een drijvend eilandje vormden.

"Beste Tom," zeide Harthouse, "laat ik eens beproeven uw bankier te zijn."

"Om 's Hemels wil," antwoordde Tom verschrikt, "spreek toch niet van bankiers!" En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.

Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet zich niet verbazen--hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren--maar hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, als tegen de leer die Gradgrind predikte.

"Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?"

"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen hem toch beter dan zijne norschheid; "het is te laat. Het geld kan mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een oprecht vriend."

Een oprecht vriend! "O, hondsvot!" dacht Harthouse, op zijne trage en flauwe manier, "welk een ezel zijt ge toch!"

"En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid," vervolgde Tom, zijne hand vattende, "eene zeer groote vriendelijkheid."

"Wel," hervatte de ander, "het zal u later misschien van meer nut kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden."

"Ik dank u," zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en rozeknopjes kauwende. "Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, mijnheer Harthouse."

"Gij moet weten, Tom," zeide Harthouse tot slot, zelf een paar rozen over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland wilde vasthechten: "alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er razend op gesteld,"--de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een gevolg der groote hitte zijn--"dat gij vriendelijker voor uwe zuster wordt--en dat zou u wel passen;--dat gij een beter en pleizieriger soort van broeder wordt--en dat zou wel zoo behoorlijk zijn."

"Dat zal ik, mijnheer Harthouse."

"Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond."

"Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen."

"En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom," zeide Harthouse, hem nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle vrijheid liet te meenen--gelijk hij ook deed, arme dwaas--dat deze voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn gevoel van verplichting te verminderen, "zullen wij ons tot etenstijd van elkander losrukken."

Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.

"Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa," zeide hij, haar de hand en een kus gevende. "Ik weet wel, dat gij veel van mij houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd."

Later op dien dag had Louisa's gezichtje een glimlach voor iemand anders. Helaas, voor iemand anders!

"Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft," zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt had, bij hem was opgekomen. "Des te minder, des te minder."

XXIV.

DE UITBARSTING.

De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.

Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles zeer vreemd, en zeer streelend.

En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.

Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede is, dan is hij eerst de echte duivel.

Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.

Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had--want er zou ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid zou geven om stemmen te winnen--kleedde hij zich vroeg en ging toen naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder beginnen waar hij het gelaten had.

Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.

Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.

"Harthouse!" riep mijnheer Bounderby luidkeels. "Hebt gij het gehoord?"

"Wat gehoord?" zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.

"Dus hebt gij niets gehoord?"

"Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets."

Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten springen.

"Het kantoor is bestolen!"

"Dat meent ge toch niet in ernst!"

"Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met een valschen sleutel bestolen!"

"Is het verlies groot?"

Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te antwoorden: "Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?"

"Hoe groot is het?"

"O, wat de som betreft--als gij bij de som blijft--niet meer dan honderd vijftig pond," antwoordde Bounderby wrevelig. "Maar het is de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit niet begrijpt."

"Mijn beste Bounderby," zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte en de teugels aan zijn knecht overgaf, "dat begrijp ik zeer wel, en ik ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart."

"Dank je," antwoordde Bounderby op een stroeven toon. "Maar laat ik u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn."

"Wel te denken."

"Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken," zeide Bounderby, gramstorig knikkende. "Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, als de kerels niet gestoord waren."

Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.

"Daar is Tom Gradgrind's dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het had kunnen zijn, als gij het niet weet," hervatte Bounderby op zijn winderigsten toon. "Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten."

Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, hoe de diefstal gepleegd was.

"Wel, dat wilde ik u juist vertellen," zeide Bounderby, korzelig zijn arm aan mevrouw Sparsit gevende. "Als ge niet zoo machtig precies op de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame (want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?"

"Ik heb reeds de eer gehad..."

"Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde gelegenheid gezien?"

Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.

"Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen slaapt, was--het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, was honderdvijftig pond of wat meer."

"Honderd vier en vijftig, zeven en een," zeide Bitzer.

"Pas op!" voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te keeren. "Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik viel iemand niet met beuzelingen in de rede, al wist ik er van."

Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon zeer getroffen en verslagen.

"Honderd vijftig pond ongeveer," hervatte mijnheer Bounderby. "Die som had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken--mevrouw Sparsit, gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?"

"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik kan niet zeggen, dat ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet verklaren. Maar 's avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te zeggen alsof hij half geworgd werd--het was omtrent hetzelfde geluid dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet," vervolgde zij, met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene streng onpartijdige getuigenis te geven, "dat ik eenige blaam op zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, dat verzoek ik te mogen zeggen."

"Welnu," hernam de vergramde Bounderby, "terwijl hij dan snorkte, of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, of iets van dien aard--terwijl hij lag te slapen, kortom--zijn eenige kerels--of zij te voren in huis verscholen waren of niet, staat nog te bezien--op eene of andere manier bij het geldkistje van Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid--zij was op het nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen--met een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom's kamer aanstaan, vindt het kistje opengebroken en het geld weg."

"A propos, waar is Tom?" vroeg Harthouse, in het rond kijkende.

"Hij heeft de politie geholpen," antwoordde Bounderby, "en is nog aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen."

"Wordt er niemand verdacht?"

"Verdacht? Dat zou ik denken!" antwoordde Bounderby, den arm van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te vegen. "Waarachtig, Josiah Bounderby van Coketown zal niet bestolen worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!"

Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?

"Wel, dat zal ik u zeggen," antwoordde Bounderby, stilstaande en zich omdraaiende om al de anderen aan te zien. "Maar het moet niet verder verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er in betrokken zijn--het is eene geheele bende--niet te waarschuwen. Dit dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen," barstte hij geweldig uit, "als er een van mijne werklieden in betrokken was?"

"Ik hoop niet onze vriend Blackpot?" zeide Harthouse op een onverschilligen, slependen toon.

"Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer," antwoordde Bounderby, "en het is de man."

Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.

"O ja, dat weet ik wel," zeide Bounderby, hierop terstond vuur vattende. "Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat is, onverschillig welke."

Dit was weder een der algemeenheden van Coketown, welke men met tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk geloofden.

"Maar ik ken die knapen," hervatte Bounderby. "Ik kan hen lezen als een boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij gelijk met de aristocratie--heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: "Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?"