Part 16
"Ik heb u gezegd, beste," zeide Stephen Blackpool, "ik heb u dien nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!"
Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en een eind aan u maken.
Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.
Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.
Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar praatte en somtijds beneden over het horretje keek waarop het woord "kantoor" te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende oogen slechts even aan en zeide niets.
Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik een verdacht persoon was.
Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen te vergoeden.
Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, eer de fabriek-arbeiders op straat waren.
De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, gelijk eene treurig stille zee.
Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.
Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke vensters, welke de lieden van Coketown, door de berookte glazen heen, de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.
Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw en liefderijk hart achterliet.
XXIII.
BUSKRUIT.
Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid--de schitterendste en meest gevierde der beschaafde doodzonden--kwam hij weldra zoo ver, dat men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij bijna niets in de wereld ernstig opnam, was zeer in zijn voordeel, want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.
"Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij gelooven zich zelven niet. Het eenige verschil tusschen ons en de voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie--de naam komt er niet op aan--is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, maar het nooit willen zeggen."
Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?
Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming des menschen te gelooven--daarin geplant, voordat haar uitstekend practische vader het begon te vormen--onophoudelijk met twijfeling en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het onrecht dat men haar had aangedaan, indien die fluisterende stem de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld uit?--en zoo ging zij al voort en voort.
Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafd gentleman voegde, misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige Parlementslid, dat de Bounderby's heel amusant waren, en verder, dat de vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district van Coketown kwam hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin aangemoedigd. Het was geheel in mijnheer Bounderby's winderige manier, er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind's dochter, dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.
Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor "dien hondsvot" zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.
Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige met vorschende oogen te lezen.
Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze streek, die bij het naderen van Bounderby's buitengoed langzamerhand vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed eene hypotheek gehad, door een der magnaten van Coketown genomen, die, verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën van Coketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid zoo dikwijls ter sprake kwam.
Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en zelfs de schilderijen moesten veracht worden om op zijne lage afkomst te kunnen snoeven. "Ja, mijnheer," zeide hij zoo tegen een gast, "ik heb gehoord, dat Nickits" (de vorige eigenaar) "zevenhonderd pond voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet niet, dat ik Josiah Bounderby van Coketown ben. Jaar op jaar waren de eenige schilderijen in mijn bezit, of die ik zonder te stelen in mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg waren, voor een farthing het stuk verkocht; en dan was ik weer blij, dat ik er nog zóóveel voor kreeg."
Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:
"Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ging hij naar de Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden--dat ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is--zou ik ze nooit op stal kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in het land of ergens op de wereld--het kan mij niet schelen waar--en hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half gek--half gek, mijnheer--te Antwerpen in een donker achterstraatje op de vijfde verdieping zit te mijmeren."
Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.
"Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd om u eens te spreken."
Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken had getuurd.
Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.
"Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,"
Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol belangstelling naar hem om.
"Ik heb nooit in mijn leven," dacht hij, "iets zoo opmerkelijks en bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken."
Zijn gezicht verried zijne gedachten--misschien zonder hem te verraden, want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking teekende.
"Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is zoo schoon--Tom moest er zoo trotsch op wezen--ik weet wel, dat het onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig."
"Gij zijt altijd zoo naïef," zeide zij bedaard.
"Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel."
"Ik wacht," antwoordde zij, "wat gij verder van mijn broeder te zeggen hebt."
"Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp afgebracht--uw broeder namelijk. Hij interesseert mij."
"Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?" zeide zij, half ongeloovig en half dankbaar.
"Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd hebben "neen." Nu moet ik "ja" antwoorden--zelfs op het gevaar af, dat ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven."
Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene stem had. Eindelijk zeide zij: "Mijnheer Harthouse, ik wil wel van u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert."
"Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om zijnentwil door--nog eens excuseer mij--ik dwaal weder ver van mijn onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil."
Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.
"Mevrouw Bounderby," hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; "het is geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert--kortom, met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?"
"Ja."
"Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?"
"Ik geloof, dat hij wedt," en daar Harthouse bleef wachten, alsof dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: "Ik weet, dat hij dat doet."
"Natuurlijk verliest hij?"
"Ja."
"Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld voorziet?"
Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.
"Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?"
Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.
"Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd is gekomen," vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare inspanning zijn luchtigen toon aannemende, "wil ik u zeggen, dat ik er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of het--verschoon mijne lompheid--wel waarschijnlijk is, dat er groote vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan."
"Dat houd ik niet voor waarschijnlijk," zeide Louisa, blozende bij hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.
"Of tusschen hem--ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult begrijpen--of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder."
Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met eene flauwe stem antwoordde: "Dat acht ik ook niet waarschijnlijk."
"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, "zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?"
"Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse," antwoordde zij, na een oogenblik van besluiteloosheid--zij was gedurende dit geheele gesprek min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het geheel hare zelfbeheersching bewaard--"gij moet wel begrijpen, dat, als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt."
"Hoe fier ook!" dacht James Harthouse.
"Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde aan. Voor mij waren zij niets waard."
Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.
"Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat--gij hebt zoo even zelf de reden aangeduid." En hier brak zij eensklaps af.
Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, haar eigen beeld voor te houden.
"Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat de tegenovergestelde uitersten hem--zonder twijfel met de allerbeste oogmerken--zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby's rondborstige, echt Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek van hem, lokt toch--daarover zijn wij het eens geworden--niet tot vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken."
Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest mogelijke duidelijkheid uitsprak.
"Men moet hem veel toegeven," vervolgde hij. "Maar ik vind in Tom toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene zware schuld aanreken."
Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.
"Misschien heb ik genoeg gezegd," antwoordde hij. "Misschien zou het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van ware ontsnapt."