Slechte Tijden

Part 14

Chapter 144,104 wordsPublic domain

"O, mijne vrienden," riep hij uit, "wat anders dan dit heb ik u gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?"

Sommigen applaudisseerden, anderen riepen "foei!" en "schande!" maar de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen's uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd dan verontwaardigd.

"Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken," zeide Stephen. "Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij."

Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed worden. Dezelfde krachtige stem riep: "Slackbridge, laat de man gehoord worden en houd je bek!" Toen werd alles verwonderlijk stil.

"Mijne broeders," zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk hoorde, "mijne medearbeiders--want dat zijt ge van mij, hoewel niet, zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,--ik heb maar één woord te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik spreken tot den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is."

"Stephen Blackpool," zeide de president opstaande, "denk er nog eens over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden wordt gemeden."

Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk niemand dan een makker kon doen.

"Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik moet van allen hier afscheid nemen."

Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende voordat zij langzaam weder neerzakten.

"Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een verrader en zoo al meer genoemd--gij, wil ik zeggen," hierbij keerde hij zich naar Slackbridge, "maar het is gemakkelijker zoo iets ze zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven."

Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, en daarom terugkwam.

"Misschien," zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; "misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, zal ik in eenzaamheid onder u blijven werken--want waarlijk, ik moet dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, die van klein kind af hier in Coketown heb gewerkt? Ik klaag er niet over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat."

Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, zijns weegs.

Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te beuren. "Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige plicht der mannen van Coketown, met hunne voorvaderen voor zich, met eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd Gemeenschappelijk Tribunaal!"

Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.

Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon was te gaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor hem alleen over.

Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd te houden.

De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte kleur onderscheidde.

"Gij heet Blackpool, niet waar?" zeide de jonkman.

Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: "Ja."

"Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik meen?" zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.

"Ja," antwoordde Stephen wederom.

"Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, niet waar?"

"Ja," herhaalde Stephen.

"Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?" zeide Bitzer. "Ge wordt gewacht, en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat--ik ben gezonden om u te halen--haalt gij mij eene wandeling uit."

Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.

XXI.

MANNEN EN MEESTERS.

"Wel, Stephen," zeide Bounderby op zijne winderige manier, "wat heb ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom binnen en spreek op."

Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby's jeugdige vrouw, en haar broeder, en een groot heer uit Londen waren aanwezig. Voor al deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef met den hoed in de hand daarbij staan.

"Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse," zeide mijnheer Bounderby.

De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: "Ei zoo!" en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, waar mijnheer Bounderby stond.

"Komaan," zeide Bounderby, "spreek nu maar op."

Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.

"Wat was het, mijnheer," zeide Stephen, "dat het u beliefde van mij te willen hebben?"

"Wel, dat heb ik u gezegd," antwoordde Bounderby. "Spreek op als een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die combinatie."

"Met uw believen, mijnheer," zeide Stephen Blackpool, "ik heb er niets van te zeggen."

Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.

"Zie nu eens hier, Harthouse," zeide hij, "daar hebt gij nu een van hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen--en die, waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden--en ik heb dien man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!"

"Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik bang was om mijn mond open te doen."

"Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik weet ook wat gij meent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?"

"Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte leidslieden heeft," antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. "Zij nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen."

De wind begon onstuimig te worden.

"Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse," zeide mijnheer Bounderby; "gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, mijnheer Blackpool,"--de wind stak al meer en meer op--"mag ik zoo vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot die combinatie toe te treden?"

"Hoe het komt?"

"Ja," zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, "hoe het komt."

"Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: ik had mijn woord gegeven."

"Niet aan mij, dat weet gij wel," zeide Bounderby. (Stormachtig weer, met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist een heerschte).

"O neen, mijnheer, niet aan u."

"Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen deel aan," zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. "Als het alleen om Josiah Bounderby van Coketown ware te doen geweest, hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?"

"Ja wel, mijnheer, dat is waar."

"Ofschoon hij weet," zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag uitbarstende, "dat die kerels een troep rebellen en schelmen zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, dat naar dien man geleek?" En mijnheer Bounderby wees naar hem met een van gramschap trillenden vinger.

"Neen, mevrouw," zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, nadat hij haar even in de oogen had gezien. "Geene rebellen of schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw--geen twaalf?--geen zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad--ik, die met hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan."

Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.

"Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken geplukt moeten worden, eer zij anders werden."

"Kortom," zeide mijnheer Bounderby, "het is zeker omdat zij zoo vol deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op."

"Hoe het komt, mevrouw," hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke toevlucht in Louisa's gezicht scheen te vinden, "dat juist datgene, wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt."

"Nu, mijn vriend," zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, "als ge mij nu een halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?"

"Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker."

"Hier is een heer uit Londen,"--mijnheer Bounderby wees achterwaarts met zijn duim naar mijnheer James Harthouse--"een heer van het Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan--ik weet al vooruit wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel--op goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen."

Stephen boog zijn hoofd voor den heer uit Londen en toonde zich wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant (nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op mijnheer Bounderby.

"Zeg nu eens, waarover klaagt gij?" vroeg mijnheer Bounderby.

"Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer," antwoordde Stephen. "Ik kom omdat ik geroepen ben."

"Wel," hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, "waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?"

Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen toen tot een besluit te komen.

"Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar eens rond in deze stad--zoo rijk als zij is--en zie dan de menigte van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen--behalve alleen aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?"

"Natuurlijk," zeide mijnheer Bounderby, "En nu zult gij misschien dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?"

"Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij anders, mijnheer, als zij dat niet doen?"

"Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is," antwoordde mijnheer Bounderby. "Wij zullen een voorbeeld maken van een half dozijn Slackbridge's. Wij zullen die schavuiten voor de rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden."

Stephen schudde ernstig zijn hoofd.

"Zeg mij niet van neen, man," vervolgde mijnheer Bounderby, en nu waaide het een orkaan, "want dat zullen wij, zeg ik u."

"Mijnheer," antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener onwankelbare overtuiging, "al zoudt ge honderd Slackbridge's nemen--allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel--en ze ieder in een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!" vervolgde Stephen met een glimlach, "wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben geen vriend van hen--ik heb geen reden om hun vriend te zijn--maar het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip en zend ze weg naar het eiland Norfolk, en de tijd zal toch eveneens voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge."

Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij nog op het gemoed had.

"Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen verbeteren,--hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant altijd ongelijk, zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken--gelijk ik nederig geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, ooit kan overtroffen worden--ook dat zal het nooit doen, voordat de zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u geen menschelijk gevoel toonen,--dat zal het nooit doen, mijnheer, eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft."

Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets meer van hem verlangd werd.

"Blijf nog een oogenblikje," zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood gezicht. "Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet, dat ik het wel begreep als men den gouden lepel in het oog had."

"Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker ik u."