Slechte Tijden

Part 13

Chapter 133,989 wordsPublic domain

Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in 't bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw "verrukkelijk!" en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om den volgenden ochtend weder naar Jeruzalem te gaan, indien hij minder nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.

"Is er dan niets," dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; "is er dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?"

Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een heldere glimlach blonk op haar gelaat.

Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit--een fraai, zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.

"Ha, ha!" dacht de gast. "Die hondsvot is het eenige schepsel waarom zij iets geeft. Zoo, zoo!"

De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, maar niet onverdiend.

"Toen ik zoo oud was als gij, Tom," zeide Bounderby, "paste ik op mijn tijd, of ik kreeg geen eten."

"Toen gij zoo oud waart als ik," antwoordde Tom, "hadt gij geene verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te kleeden."

"Zwijg daar nu maar van," zeide Bounderby.

"Wel, begin dan ook niet met mij," bromde Tom.

"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk hoorde, "uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?"

"Neen," antwoordde zij met zeer veel belangstelling, "hij is nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet buitenslands kan gezien hebben."

"Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer," zeide Tom.

Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. "Des te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven heeft," dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, "des te meer, des te meer."

Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.--Toen hij eindelijk opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat op om hem daarheen te geleiden.

XIX.

DE HONDSVOT.

Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen bestuur was overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster was toch Tom.

"Rookt gij?" zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel kwamen.

"Dat zou ik denken," antwoordde Tom.

Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.

Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn vriend eens op te nemen.

"Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen," dacht Tom, "en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!"

Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze hand opnieuw vol.

"Wel bedankt," zeide Tom. "Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt gekregen." Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.

"Een heel goede kerel, inderdaad," antwoordde mijnheer James Harthouse.

"Ei zoo, vindt ge dat?" zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.

Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte hij aan:

"Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!"

"Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar ik denk," zeide Tom.

"Ge zijt bijtend scherp, Tom," liet mijnheer James Harthouse hierop volgen.

Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom ongemeen met zich zelven in zijn schik was.

"Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent," zeide hij. "Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen."

"Om mij behoeft ge niet te geven," hervatte James; "maar pas op als zijne vrouw er bij is, weet ge."

"Zijne vrouw?" zeide Tom. "Mijne zuster Louisa? O ja!" Hij lachte en nam nog een slok van den verkoelenden drank.

James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een innemend gentleman was, die slechts over hem behoefde te zweven om hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.

"Mijne zuster Louisa?" zeide Tom. "Zij heeft nooit om Bounderby gegeven."

"Dat is de verledene tijd, Tom," hervatte mijnheer James Harthouse, en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. "Wij zijn in den tegenwoordigen tijd."

"Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem," antwoordde Tom.

"Aardig! Heel aardig!" zeide zijn vriend. "Maar gij meent het toch niet."

"Of ik het meen!" riep Tom uit. "Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne zuster om ouden Bounderby geeft."

"Lieve vriend," antwoordde James, "wat ben ik anders verplicht te denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd met elkander leven?"

Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet reeds daarop ware geweest, toen hij zoo "lieve vriend" genoemd werd, zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met zulk een machtigen invloed op hem neerzag.

"Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse," zeide Tom, "en dus behoeft het u niet te verwonderen, dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, en toen nam zij hem."

"Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster," zeide mijnheer James Harthouse.

"Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet zoo gemakkelijk gegaan zijn," antwoordde de hondsvot, "als het niet om mij geweest ware."

De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was genoodzaakt voort te gaan.

"Ik overreedde haar," zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van meerderheid. "Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt--waar ik nooit had willen wezen--en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?"

"Het was verrukkelijk, Tom!"

"Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij," vervolgde Tom koeltjes, "omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis zitten--vooral toen ik weg was. Het ware nog wat anders geweest als zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar het was toch goed van haar."

"Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort."

"O," antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, "zij is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het vuur heb zien zitten kijken."

"Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden," zeide Harthouse al rookende.

"Niet zooveel als gij wel denken zoudt," antwoordde Tom, "want onze oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is zijn systeem."

"Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd," merkte Harthouse aan.

"Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook op die manier gevormd," zeide Tom.

"Onmogelijk!"

"Ja zeker," zeide Tom en schudde zijn hoofd. "Ik kan u zeggen, mijnheer Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist dan eene oester."

"Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid."

"Bij mijne ziel," zeide de hondsvot, "ik spreek in ernst. Dat doe ik waarlijk." Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde toen met buitengemeene zelfvoldoening: "Ik heb sedert een beetje geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; dat heb ik mijn vader niet te danken."

"En uwe schrandere zuster?"

"Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven is gekomen. Maar zij geeft daar niet om," voegde hij er scherpzinnig bij, en trok weder aan zijne sigaar. "Een meisje kan altijd haar tijd klein krijgen."

"Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren," merkte mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, die hij opgerookt had, wegwierp.

"Moeder Sparsit?" zeide Tom. "Wat, hebt gij haar al gezien?"

Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te tikken.

"Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik denken," zeide Tom. "Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog vrijgezel was. Wel neen!"

Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: "Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!"

"Wel," zeide hij, van de sofa opkrabbelende, "dan zal ik afscheid van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze zijn wat al te licht."

"Ja, ze zijn al te licht," antwoordde zijn gastheer.

"Het is zot, zoo licht als ze zijn," zeide Tom. "Waar is de deur? Goedennacht."

Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was en invloed op hem uitoefende--alsof hij nog hier of daar in dezelfde achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.

De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.

XX.

MANNEN EN BROEDERS.

"O, mijne vrienden, gij werklieden van Coketown, die in het stof vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat het uur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!"

"Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!" en andere dergelijke kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.

Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.

"Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!" Het vuur zoowel van aandacht als van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn (ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook wezen mocht, dat uit niets voortkwam.

Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.

"Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte werklieden van Coketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien werkman--dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam zoodanig te verguizen!--die, bij ondervinding bekend met het onrecht en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd--wat, vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, een lafhartige en een afvallige wordt; die op zulk een tijd zich niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?"

De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om iemand ongehoord te veroordeelen. "Pas op, dat gij het recht hebt, Slackbridge."--"Laat hij voor den dag komen."--"Laten wij hem hooren!"--Zulke dingen werden van verschillende kanten geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: "Is de man hier? Als de man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats van u," en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.

Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de manier van alle Slackbridge's is), om de bulderende zee te stillen, wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.

"O, mijne vrienden en medemenschen!" zeide Slackbridge toen, met geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, "ik verwonder mij niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!"

Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.

"Mijne vrienden," zeide hij, "uit kracht van mijn post als uw president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en zijn goeden naam."

Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit andersom.

"Mijne vrienden," begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, "ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken en verlegen te worden."

Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het wilde afschudden.

"Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen."

Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een gefronst voorhoofd een spottend gezicht.

"Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne redenen--mijne eigene redenen, ziet ge--die mij verhinderen; niet alleen nu, maar altijd--altijd--mijn leven lang."

Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met woeste gebaren naast hem.