Slechte Tijden

Part 10

Chapter 103,904 wordsPublic domain

"Wel, mijn lieve Louisa," zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu geheel hersteld had, "daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, gelijk men die in Engeland en Wallis heeft opgemaakt, in overweging te nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk--daar het de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont--dat de beste middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen in Indië, in een aanzienlijk gedeelte van China, en bij de Kalmukken in Tartarije, dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen als verdwenen.

"Wat raadt gij dan, vader," zeide Louisa, zonder dat hare strakke bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, "dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even heb gebruikt--voor die misplaatste uitdrukking?"

"Louisa," antwoordde haar vader, "het komt mij voor, dat niets duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets duidelijker kan zijn dan dit."

"Zal ik hem trouwen?" herhaalde Louisa met groote bedaardheid.

"Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge vrouwen eigen zijn."

"Neen, vader," antwoordde zij, "dat doe ik niet."

"Ik laat u nu voor u zelve oordeelen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Ik heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen."

Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een sprong. Hij zag het niet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.

Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad te turen, dat hij eindelijk zeide: "Raadpleegt gij de schoorsteenen van de fabrieken te Coketown, Louisa?"

"Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader," antwoordde zij, zich snel naar hem omkeerende.

"Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die aanmerking niet." Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.

Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:

"Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is."

Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij er dadelijk op inviel:

"Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd."

"Ik spreek van mijn eigen leven, vader."

"Ei zoo?" zeide mijnheer Gradgrind. "Maar ik zal u toch niet behoeven te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, die het leven in het algemeen beheerschen."

"Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?"

Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste woorden moest verstaan, en antwoordde: "Hoe uitmaken? Wat uitmaken, kindlief?"

"Mijnheer Bounderby," vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, zonder hierop te letten, "vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?"

"Zekerlijk, kindlief."

"Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij wist wat ik zeide."

"Het is zeer goed, kindlief," antwoordde haar vader weltevreden, "zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van het huwelijk betreft?"

"Neen, vader. Wat maakt dat uit!"

Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:

"Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?"

"Vader," antwoordde zij, bijna met verachting, "welk ander voorstel kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke ervaring heeft mijn hart gehad?"

"Mijne lieve Louisa," hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en tevreden, "gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte alleen aan mijn plicht te voldoen."

"Wat weet ik, vader," zeide Louisa op haar bedaarden toon, "van smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema's, die men demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?" Terwijl zij dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en asch uit liet vallen.

"Zeer waar, kindlief, zeer waar," zeide haar uitnemend practische vader.

"Wel, vader," vervolgde zij, "welk eene zonderlinge vraag dan om mij te doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend."

Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.

"Mijne lieve Louisa," zeide hij, "gij beloont mij rijkelijk voor al mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief."

Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, vervolgde hij:

"Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men ook tusschen u kan vinden--indien er eenige bestaat--zij wordt meer dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het is altijd mijn doel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl gij nog in uwe prille jeugd waart (als ik mij zoo mag uitdrukken) bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten wij nu uwe moeder gaan opzoeken."

Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige damesportret overeind.

"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, "laat ik u mevrouw Bounderby mogen presenteeren."

"Zoo!" zeide mevrouw Gradgrind; "dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, kindlief,--en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge," vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, "zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!"

"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, "wat meent gij?"

"Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk," vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en wreveligheid, "hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem dan moeten noemen?"

Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog het volgende codicil had gevoegd:

"Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag--en dat vraag ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel--dat zij spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren."

Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met eene mengeling van aandoeningen aan--verwondering, medelijden, spijt en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch--hield zij Sissy op een afstand--en was voor deze geheel veranderd.

XVI.

MAN EN VROUW.

De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.

Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en een fleschje allersterkste spiritus te koopen. "Waarachtig," dacht mijnheer Bounderby, "als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, zal ik haar toch het vel van den neus branden." Doch, niettegenstaande hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is dat hij zoo pas uit de etenskast komt.

"Goedenavond, mijnheer Bounderby."

"Goedenavond, juffrouw, goedenavond."

Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren achteruit, als wilde zij zeggen: "Het is uw haard, mijnheer. Dat geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het u zoo belieft."

"Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw," zeide mijnheer Bounderby.

"Wel verplicht, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.

Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.

"Mevrouw Sparsit," zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk van het fleschje gemakkelijk losging. "Ik behoef u niet te zeggen, dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels verstandige vrouw zijt."

"Mijnheer," antwoordde de dame, "het is waarlijk de eerste maal niet, dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt vereerd."

"Mevrouw Sparsit," hervatte mijnheer Bounderby. "Ik zal u eens doen verbazen."

"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu haar werk neer en streek die mofjes glad.

"Juffrouw," vervolgde mijnheer Bounderby, "ik zal met Tom Gradgrind's dochter gaan trouwen."

"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit. "Dan hoop ik dat gij gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, mijnheer!" Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby--veel meer ontsteld, dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op het haardkleedje was flauw gevallen--de kurk van het fleschje in zijn zak stijf vastduwde en dacht:

"Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou opnemen?"

"Ik wensch met al mijn hart, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, op een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste te beklagen), "dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn."

"Wel, juffrouw," antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager werd; "ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook."

"Doet ge, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene vriendelijkheid. "Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat gij het doet."

Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en goedertierenheid scheen te klinken.

"Wel, juffrouw," hervatte mijnheer Bounderby, "onder deze omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier zeer welkom zoudt zijn."

"O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!"

Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het kuchje een weinig--nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.

"Evenwel, juffrouw," zeide mijnheer Bounderby, "er zijn aan het kantoor nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities..."

"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment zoudt bezigen."

"Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen."

"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat is een voorstel, waarin ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen..."

"O, dat spreekt vanzelf," zeide Bounderby. "Als het zoo niet was, juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet dat ik om zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel."

"Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby."

"Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk leventje te houden," zeide Bounderby.

"Zeg niets meer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Als ik mijn post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid om het brood der afhankelijkheid te eten;" zij had wel mogen zeggen de bestellen der afhankelijkheid, want dat fijne gebak met eene lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; "en ik wilde dat liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer," zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, "ik hoop hartelijk, dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!"

Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.

Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als erkend minnaar naar Stone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, huwelijksvoorwaarden gefabriceerd--een geheel assortiment van feiten deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheel prozaïsch van het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder ander tijdperk. De statistieke tijdmeter in het observatorium van mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.

Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah Bounderby Esquire van Coketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas Gradgrind Esquire van Stone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd waren, begaven zij zich naar Stone Lodge om te ontbijten.

Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap had eenige malligheid over zich.

Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden aan:

"Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby van Coketown. Daar gij mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: "dat is een paal," en als hij eene pomp ziet, zegt: "dat is eene pomp," en er niet toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom Gradgrind's dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind's dochter ben getrouwd. Ik ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd--om er maar geen doekjes om te winden--geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag vinden als mijne vrouw heeft gevonden."