Chapter 2
De dokter zag op dit oogenblik met blijdschap, dat zijne woorden indruk op zijne beide aanhoorders deden, en inderdaad, zij hielden hunne oogen strak in de zijne gevestigd en schenen beweegloos, alsof de zware stem van den ouden redenaar hen had verpletterd; willende het kind, dat hij beminde, geheel van de verderving bevrijden, ging hij voort op nog meer nadrukkelijken toon:
«En door het overdrijven van een onnatuurlijk en onverzadelijk liefdegevoel, wordt het hart dier jonge dochters dor en ledig; hunne ouders worden knorrepotten van de andere eeuw, oortjesdood! Hunne echtgenooten, die zij droogzakken en vijanden van het vermaak noemen, gelijken niet aan hunne ingebeelde jonkers en ridders; zij kunnen nimmer hunnen man oprecht beminnen; zij breken hunne trouw en spotten met al de wetten der eerbaarheid. Kendet gij het nest, waaruit al deze schoone zaken gesproten zijn! Wist gij, wat modderpoel van goddeloosheid en zedenbederf dat Parijs is, welks levenswijs gij uwe dochter wilt doen aanleeren! Beziet Hortense Spinael! Wat is zij anders dan eene wulpsche /coquette/, die met vijftig onkuische jongelingen te gelijk liefdewoorden spreekt, zich de ooren vol ijdelen klap laat blazen en dagelijks dingen hoort, die mijn berimpeld voorhoofd onder mijne grijze haren zouden doen rood worden, eene Dante, die nu reeds hare goede faam verloren heeft. Wat zal er van haar geworden? Fortuin doen? Neen, neen; zij zal zoolang met het vuur spelen, totdat zij zich brandt, en dan is het dartelen gedaan..... Van iedereen veracht en verfoeid, zal zij dan in tranen het overige van haar leven slijten en te laat eene eerbaarheid betreuren, die onwederroepelijk geschonden blijft.--O, mijne vrienden, is dit het lot, dat gij uw eenig kind, uwe goede Siska, wilt doen ondergaan? Zult gij voor God durven verschijnen, wanneer gij de zaligheid van uwe dochter met hare zeden zult hebben verspeeld, om anderen in de Fransche boosheid na te apen? Wilt gij ze verwijzen tot een leven van berouw en van wroeging, tot het storten van bloedtranen over hare geschondene eerbaarheid? O, zegt mij neen, ik bid u!»
Hier borst vader Van Roosemael in tranen los; hij wilde spreken, doch kon in het eerst niet, zoozeer verkropte hem de angst, dien het voorgeschetst lot van Siska hem had ingeboezemd. Hij stond op, vatte de hand van den dokter en riep eindelijk:
«Dank, dank, vriend. Uw wijze raad zal hier gevolgd worden; ik versta wel, dat mijne vrouw onze Siska naar het pensionaat van Hortense Spinael wil zenden; maar dat men er niet meer van spreke, hoort gij, vrouw, of ik zal u laten zien, dat uwe koppigheid slechts zoolang duren kan, als ik het wil verdragen!»
De vrouw begreep aan de klemmende stem van haren man, dat hij ditmaal de zaak ernstig meende; zij antwoordde koelbloediglijk:
«Nu, nu, zwijg er maar van. Gij moet daarom niet weenen. Dat Siska dan al te huis blijve, en zie, dat gij zelf er iets van maakt!»
Deze woorden bedroefden den dokter; hij begreep genoegzaam, dat moeder Van Roosemael niet bekeerd was, en bracht nog vele en verschillende redenen in tegen haar gevaarlijk voornemen. Eindelijk begon hij te gelooven, dat hij had gezegepraald en nam zijn afscheid, half vergenoegd en half droef.
Omtrent drie maanden later zag de dokter eens van verre meester Van Roosemael hem te gemoet komen. De man zag er ongemeen treurig uit en ging, tegen zijne gewoonte, zeer langzaam voort, alsof hij uit eene zware ziekte ware opgestaan. De oude Pelkmans, hem genaderd zijnde, vatte hem bij den pols en sprak;
«Niet ziek, hoop ik? Er scheelt toch iets aan; uw pols slaat zoo langzaam. Wat hebt gij, vriend?»
De goede Van Roosemael sloeg zijne oogen op, en terwijl twee tranen op zijne wangen vielen, zuchtte hij:
«Siska is naar het pensionaat!.....»
«Dit is niet erg,» bemerkte de dokter, «maar naar welke kostschool is zij?»
«Naar het pensionaat van Hortense Spinael! Word niet boos op mij, vriend Pelkmans; het is mijne schuld niet. De duivel heeft mijn huishouden twee maanden lang overhoop gezet, eer ik heb toegestemd; maar den zaag, den twist en het weenen van moeder en dochter kon ik niet langer uitstaan; ik ben er zuiver mager van geworden.»
Een gevoel van droefheid kwam het hart des dokters vervullen; dan, hij had medelijden met zijnen vriend en antwoordde glimlachend:
«Meester Van Roosemael, de oude Grieken schrijven van eenen wonderbaren held, dien zij /Hercules/ noemen. Deze heeft vele reuzenwerken uitgevoerd: rotsgebergten gekloofd, stroomen verdraaid, wilde stieren den nek omgewrongen, slangen platgenepen, ja, zelfs eenen draak met zeven hoofden den hals gebroken; maar dat hij in zijn geheele leven een vrouwenhoofd zou gebroken hebben, dit heeft men niet durven schrijven. Waarom zouden wij het dan kunnen?--Troost u toch, ik heb alles ten ergste opgegeven; het zal er waarschijnlijk zoo slecht niet gaan als wij denken, en in alle geval, Siska komt toch alle jaren tweemaal naar huis: dan zullen wij het kwaad al vroeg kunnen tegenhouden, indien wij het bemerken.»
De vader glimlachte troostvol en blij: hij drukte met dankbaarheid de hand des dokters en vervorderde zijnen weg met versnelde stappen.
[10] Door het woord /coquette/ verstaan de Franschen eene mannenzottin, die zich met niets bezig houdt dan met modekleederen, pommades, blanketsel, geveinsden liefdezang, Fransche complimenten en anderen wind;--die, getrouwd of ongetrouwd, Jan en alleman tot vrijers zou willen hebben, en in de wereld niets veroorzaakt dan ergernis, huistwist en zedenbederf.
Voortijds was dit soort van vrouwen in de Vlaamsche landen onbekend; ook bestaat er in onze moedertaal geen woord, dat met /coquette/ overeenkomt. Wij hebben wel /Lichtvink/, /Dante/ en nog een ander zeer bekend woord, dat ik niet zeggen wil; maar deze benamingen worden niet toegepast dan op /coquetten/ der geringste klasse. Te Antwerpen zegt men nog wel, sprekende van eene juffer, wier goede faam niet zwaar weegt: het is een /haantje/! Zou dit het woord /coquette/ niet zijn?
[11] Verschillende wijzen van het haar op te doen: op zijn sneeuwsch, op zijn kurketrekkersch, op zijn Chineesch.
[12] Verschillende wijzen van kleeden: een morgenkleed, een wandelkleed, een balkleed.
III
HOOG VLIEGEN, DIEP VALLEN
Siska was met nette burgerkleederen en eene welvoorziene kist vol nieuw lijnwaad naar de kostschool vertrokken; maar niet lang bevond zij zich daar, of zij begon onder allerlei voorwendsels en met schoone woorden om geld te schrijven. Haar eerste brief ving in dezer voege aan:
«Lieve en welbeminde Mama,
Ik ben het slechts gekleed van het geheele pensionaat; de andere mammezellen lachen mij uit en zeggen, dat ik eene boerin ben. Ik doe niets dan krijschen en ik heb veel verdriet en ik zal ziek worden, allerbeste mama, als gij geene /compassie/ met uwe ongelukkige Siska hebt. De dochter van den coiffeur, die papa komt scheren, is hier ook op het pensionaat, en die is wel gekleed in het satijn en in de zijde gelijk de anderen; ik alleen loop met een licht katoenen kleêken en heb geenen hoed of geene bottinnen, dat ik heel krom geworden ben van schaamte en van met mijne oogen naar den grond te gaan. Ik word bleek en mager, en ik zal zeker ziek worden, lieve mama, als ik nog langer de verstootelinge van het pensionaat moet zijn.--Ik ben al in den /Télémaque/, en ik kan al zoo schoon dansen, dat de andere mammezellen er jaloersch over zijn.
De complimenten aan papa.
Uwe getrouwe dochter tot in den dood, Eudoxie van Roosemael.»
De moeder durfde dezen brief aan haren man niet toonen. Zij gevoelde wel, dat daarin de voorteekenen lagen van het kwaad, dat dokter Pelkmans had aangewezen: er heerschte reeds een toon van lichtvaardigheid in; het einde scheen haar uit een minnebrief ontleend te zijn, en met droefheid poogde zij de uitlegging te vinden van het woord /Eudoxie/, dat zij eindelijk aanzag als de vertaling van den voornaam /Siska/. Uit medelijden tot hare dochter zond zij haar tweemaal zooveel geld als deze zou hebben durven verwachten. Dit geschiedde meer dan eens: Siska bezat nu alreeds de kunst om zoogezegde onnoozele leugens aaneen te knoopen, en de liefde harer moeder uit te persen als eene spons. Men zou zich kunnen verwonderen over deze spoedige verandering;--maar was zij dan alleen? Had zij in hare gezellinnen niet meer dan honderd leermeesteressen, die haar door woorden en voorbeelden in al de aardige en grillige ondeugden der luiheid en der wulpschheid onderwezen? O, dit deel harer Fransche opvoeding was onmiddellijk voltrokken. De eerste maand had zij een zijden kleed met gewatteerde borst: het was de mode; de tweede maand eenen satijnen hoed met bloemen; de derde een zonnescherm of /parasol/; de vierde een kleed met ontblooten hals; de vijfde gebruikte zij pommade en amandelmelk, en had ergens een zeer klein doosken verborgen, waarin zij van tijd tot tijd den vinger eens stak en dan hare blozende wangen met een schaamloos rood bestreek, alleenlijk maar om eens te beproeven, hoe zij er dan zou uitzien. Was dit geene zeer eerzame opvoeding, zooals de burgerdochters er eene moeten ontvangen?
Ja, maar de zesde maand nadert met snelle stappen, en het zal verloftijd of /vacantie/ zijn. Wat zal de dokter zeggen, als hij Siska zal zien met wulpsche kleederen, met een welriekend voorhoofd, met een genepen mondje en een altijd lachend gezichtje? Zal hij dat vrouwelijk hart kunnen doorgronden en zien, wat zaden van bederf er in ontkiemen? Voorzeker, dit zou hij hebben kunnen zien; maar op het oogenblik dat Siska gereedstond om naar het pensionaat te vertrekken, had hare moeder geheimelijk gezegd:
«Let op, Siska, dat gij nu wijs zijt,--en als gij met schoolverlof komt, wees dan niet te wild of te hoovaardig; want zoo dokter Pelkmans dit bemerkt, zal uw vader u niet meer laten teruggaan.»
Deze woorden waren niet in het oor van een doove gesproken. Siska had met hare gezellinnen dikwijls er om gelachen en geraadpleegd, hoe men /dokter moeial/ zou bedriegen.
Zij kwam dan op eenen namiddag met hare moeder, die haar was gaan afhalen, aan de deur van den winkel afgestapt. Is dat wel de Siska, die wij kennen? Zie, wij misgrepen ons: zij draagt een zedig burgerkleed; het haar platgestreken, zonder krullen, geenen hoed, geene pommade en met het hoofd gebogen en de oogen nedergeslagen! Men zou zeggen: het is /Truiken roert mij niet/. De dokter ondervraagt haar; zij antwoordt zoo eenvoudiglijk, zij is zoo stil en zoo weinig van spreken, dat hij zich verloren geeft..... En Siska mag naar het pensionaat wederkeeren.
* * * * *
Terwijl de dochter van meester Van Roosemael de verfranschte opvoeding genoot, ging het niet zeer wel met den winkel en het huisgezin van meester Spinael. De Fransche jonkheid betaalde zeer zelden, en bij het einde van elk tooneeljaar lichtten al de komedianten den voet, welvoorzien van onbetaalde laarzen en schoenen. Hortense bracht er ook al een aardig geldeken door in kleederen en snoeperijen; misschien gaf zij somtijds wel iets weg aan hare kale vrijers. Kort gezegd: meester Spinael stak in de schuld tot over de ooren; zijn huis was reeds belast met eene zware rente.
In dezen droeven toestand begonnen de oogen van den schoenmaker open te gaan; de plakkaart, waarop de glans eener laars den aanschouwer verblindt, lag reeds lang gescheurd op den zolder, en er stond slechts nog een opschrift op het vensterraam: /Magasin de souliers/, en daaronder /Schoenenmagazijn/. Maar de Vlaamsche klanten hadden den weg tot zijnen kwakzalverswinkel vergeten; de te vroeg geborsten schoenen lagen hun nog in het geheugen..... En meester Spinael met zijne paletot, zijne chocoladekleurige broek en zijnen spinsbekken ketting, wist niet meer van wat hout pijlen te maken: hij was er doorgetobd, de vent!
De ondeugd is door hare natuur alleenheerschend; wanneer zij eens de baan tot het hart gevonden heeft en daar met vriendschap wordt ontvangen, wil zij het geheel alleen bezitten en rukt, tot den laatsten toe, al de wortelen der ingeboren deugden uit. Niets weerstaat aan hare onophoudende bevechting; alle gevoelens van rechtvaardigheid en plicht werpt zij uit hare woning, en zij neemt bezit van den mensch als van eenen slaaf. Dit ondervond meester Spinael op eene verschrikkelijke wijze. Hij was nu in zijne zaken tot het uiterste punt geraakt: overladen met schulden, arm en lijdend, betreurde hij zijne onvoorzichtigheid en poogde in de deelneming zijner dochter eenen troost te zoeken; maar van haar kreeg hij niets dan schandelijke verwijten, en ondanks het gebrek, waarin hij leefde, ging de ondeugende Hortense voort in allerlei verkwistingen en in schuld te maken om hare wulpschheid te voeden.
Weinig tijds daarna kwam Jan Spinael, of liever Jules, zoo hij zich noemde, van Parijs terug; doch in stede van bij den schoenmakersdrieprikkel neder te zitten en zijnen ongelukkigen vader voort te helpen, had de jongen nergens trek naar dan naar schoone kleederen, koffiehuizen afloopen, biljart spelen, sigaren rooken en Franschen wind verkoopen. Hij ging met zijne zuster eene vloekbare samenspanning aan tegen den onmachtigen vader: zij deden hem zijn huis verkoopen en begonnen onder zijne oogen schoon weder te spelen met het weinige, dat er, na het afleggen der renten, overschoot. Allengs verviel meester Spinael tot dat punt van armoede, dat de kleederen en het gelaat deze komen verraden; zijne ellebogen staken door zijne mouwen; hij was vuil en onzindelijk, daar hij zelfs den moed niet meer had om pogingen tot het verbergen zijner ellende te doen. Zijne kinderen waren desniettemin schoon gekleed en leefden, met verachtelijke onbeschaamdheid, in weelde onder het oog huns vaders. Ongetwijfeld hadden zij van het geld een deel verborgen, om tot hunne dartelheid te gebruiken, en zij weigerden nu, doemelingen als zij waren, hunnen vader er deel in te geven.
Op eenen Zondag, dat meester Spinael, uit schaamte voor zijne gescheurde kleederen, zelfs niet ter kerk had durven gaan, en dat hij, met de tranen in de oogen en met het hoofd gebogen, zijnen levensloop en de boosheid zijner kinderen overdacht, kwam er een jonge heer (/kleermaker of edelman, het was in zijnen persoon niet te onderscheiden/) naar Jules en Hortense Spinael vragen. Hij zag den droeven man voor den knecht des huizes aan en sprak in gebroken Fransch tot hem:
«Garçon, va dire à M. Jules et à M^{lle} Hortense, qu'on les attend pour partir[13].»
En alzoo de verbaasde Spinael den jonker roerloos, aanzag, viel deze onbeschoft tegen hem uit:
«Ah ça, veux-tu bien m'annoncer, insolent valet[14]?»
(/Deze woorden had hij geleerd uit de laatste VAUDEVILLE, die men op het THEATER had gespeeld./)
Eensklaps werd Spinael ongemeen bleek en beefde schrikkelijk; zijne oogen schoten stralen vuurs op den jonker; maar deze, hierover vergramd, hief zijnen gaanstok in de hoogte en riep dreigend:
«Maraud, je te rosserai[15]!»
Een schreeuw van woede ontsnapte de borst van Spinael; hij stond op, vatte eenen spanriem van den grond, sloeg den jonker er mede in het aangezicht en wierp hem op de straat, eer hij den tijd had om een woord te spreken. Dan, nog bevende, sloot hij zijne deur toe en klom de trap op, om zijne kinderen te gaan vinden. Sedert lang had Spinael den moed niet gevonden om hun de minste verwijting toe te sturen: doch nu de woede hem bezielde, durfde hij het wagen, hun al de schandelijkheid van hun gedrag onder het oog te leggen. Hij vond hen in groot /toilet/, met /parasol/ en gaanstok in de hand, gereed om, volgens dat zij zeiden, met een gezelschap naar Brussel een speelreisje te gaan doen. De verwijten des vaders waren streng en drukkend, maar het misprijzen, waarmede deze godvergeten kinderen ze ontvingen, was oneindig. Hoe meer de gramschap des vaders klom, hoe onbeschaamder de kinderen werden, en nadat zij hem eenige oogenblikken hadden uitgelachen, wenschten zij hem spottend goeden dag en meenden uit te gaan.
De vader, door zooveel boosheid in blinde razernij ontstoken, sprong voor de deur om hun den uitgang te beletten, en riep:
«O, gij slangen, het is u niet genoeg mij tot den bedelzak gebracht te hebben, nog zoudt gij mij gaarne doen sterven door uwe spotternij! Niet genoeg is het, dat gij in schandelijke weelde de vruchten van mijn zweet verkwist, terwijl ik, als een bedelaar, zonder kleederen en zonder het noodige voedsel leven moet; niet genoeg, dat een schaamtelooze modejonker mij voor den knecht mijner kinderen aanziet en mij in het aangezicht spuwt, dat hij mij als eenen knecht zal slaan; niet genoeg, dat ik hier honger lijd en bittere tranen stort, terwijl gij in losbandige vermaken zwemt;--ik moet sterven als een hond, niet waar? Van iedereen veracht en door u verfoeid, in het graf zinken, zonder dat mijn dood een enkel gevoel van droefheid of van medelijden doe ontstaan! Maar het is gedaan: de maat is vol! Gij zult niet uitgaan; en zoo gij niet oogenblikkelijk deze weeldekleederen afwerpt, zal ik u onder mijn voeten verpletteren gelijk ongedierte, dat gij zijt!»
Een schaterende lach begroette des vaders toorn, en hij zag genoegzaam, dat zijne bedorvene kinderen noch aan zijne macht, noch aan zijnen wil geloof gaven. De zoon naderde stoutelijk tot bij de deur en poogde zijnen vader met geweld er van weg te rukken.....
Hier volgde nu een tooneel van onnoemelijke boosheid, welks beschrijving ons walgt.
Eenige oogenblikken later gingen Jules en Hortense Spinael de huisdeur uit; aan de roode kleur, die hunne aangezichten deed gloeien, en aan de moeite, welke zij aanwendden om hunne verkrookte kleederen te schikken, kon men genoeg bemerken, dat zij uit eene hevige worsteling kwamen; niettemin, zij lachten spottend als menschen die over eenen misprijsbaren vijand gezegepraald hadden, en namen weldra hunnen gang om het reisgezelschap te gaan vinden en in de hoofdstad zich aan dwaze vermaken te gaan overleveren.
In tusschentijd was de ongelukkige vader bezig met het bloed te stelpen, dat hem van het aangezicht leekte.
* * * * *
Eene maand later, op eenen Zaterdag, zat vader Van Roosemael in zijne achterkamer rekeningen uit een groot boek te schrijven; sedert meer dan een uur zocht hij met hardnekkigheid naar de drie /deniers/, die hem bij elke optelling ontsnapten. Zijn voorhoofd glom met het vuur der drift, en zijne hersens waren reeds duizelig geworden, toen hij met wanhoop uitriep:
«Wel, wel, is dat zoeken! Al die posten, op de vingeren geteld, maken toch vijf en zestig guldens, acht stuivers en vijf deniers; en op dit schelmachtig papier kan ik slechts twee deniers krijgen! Ik kon de drie deniers wel laten schieten en ze verliezen, maar dit is de zaak niet; het moet uitkomen: ieder 't zijne, dan heeft de duivel niets! Nog eens gerekend!»
Op dit oogenblik, dat Van Roosemael inderdaad opnieuw zijne drie deniers begon na te jagen, ging de deur der kamer open, en een man trad vreesachtig binnen; de winkelier sprong met verbaasdheid van zijnen stoel op en bezag den inkomende met stijve aandacht, doch zonder spreken. De man, die slechts twee stappen in de kamer waagde, was tot het uiterste punt van ellende vervallen: mager, bleek, met verward haar, gescheurde kleederen en gapende schoenen, stond hij daar als iemand, die om eene aalmoes komt bidden. Van Roosemael herkende hem in het eerst niet en zag hem met vragende blikken aan; onder zijn gezicht ontstelde zich de man, en twee tranen schoten hem blinkend onder de oogleden.
«Meester Spinael, wat wilt gij van mij?» vroeg eindelijk de winkelier met mistrouwen. «Indien gij weder hier komt om mij geld te ontleenen, kunt gij gerust vertrekken, want ik ben niet te huis voor zulke zaken.»
Tranen sprongen bij deze woorden in overvloed uit de oogen van Spinael.
«Meester Van Roosemael,» zuchtte hij, «ik kom hier niet om u geld te ontleenen of te vragen. Wist gij, hoe ongelukkig ik ben, gij zoudt mij niet verstooten: iedereen veracht mij, en ik heb zelfs den troost niet meer om aan iemand van mijne ellende te kunnen spreken. Ik heb u bedrogen, Van Roosemael, maar gij zijt eens mijn vriend geweest; weiger mij nu ook ten minste uw medelijden niet!»
Met verbaasdheid luisterde de winkelier op de smeekende stem van Spinael; hij begreep oogenblikkelijk, dat men van hem geen bedrog meer te vreezen had, en dat eene ongeveinsde en diepe ellende den man had getroffen, die lang zijn boezemvriend en zijn broeder was geweest. De ingeborene edelmoedigheid nam in zijn hart de overhand; zijne oogen begonnen insgelijks door de toevloeiing van eenen bedwongen traan te blikkeren; hij vatte de hand van Spinael, trok eenen stoel bij en sprak:
«Gij zijt ongelukkig, vriend, ik zie het. Welaan, alles is vergeten. Zit neer en zeg mij, wat kan ik voor u doen? Vrees niet, ik zal u behulpzaam zijn, kost wat kost!»
«De eenige weldaad, die ik van u vragen durf, is, dat gij mij toelaat u mijn lijden te vertellen en mijne smart uit te storten in het hart van den eenigen oprechten vriend, dien ik heb gehad. Lange jaren heb ik u gevlucht, Van Roosemael; niet omdat ik u niet achtte en beminde, maar omdat ik mij schuldig gevoelde en onder de oogen van een rechtzinnig man niet verschijnen durfde. Nu is het met mij zooverre gekomen, dat ik mijn vaderland verlaten moet en, als een zwerver, mijne schaamte en mijn lijden in eene vreemde streek moet gaan verbergen. Ik ben stout genoeg, Van Roosemael, om te denken, dat gij mij uwe vergiffenis schenken zult, voordat ik vertrekke, om nooit de plaats mijner geboorte weder te zien.»
Deze woorden, op den toon van diepe smart gesproken, ontroerden den winkelier zeer; hij greep de hand van Spinael met diepe belangstelling en sprak:
«Ongelukkig zijt gij, ik twijfel er niet aan; maar uw vaderland verlaten, Spinael? Neen, neen, wanhoop niet. Ik speel wel voor oortjedood[16] in mijnen handel, omdat er moet gezorgd worden; maar dit kan mij niet beletten den eenigen vriend, dien ik heb gehad, uit den nood te redden, al moest ik zelfs daartoe een groot gat in mijn goed maken. Dus spreek, Spinael, spreek stoutelijk, gij zult mij verheugen; want ik wil u helpen.»
Een dankbare glimlach kwam het vermagerd gelaat van Spinael beglanzen, terwijl tranen over zijne wangen rolden; hij sprak met ontroerde stem:
«Ik zegen den goeden God, dat Hij mij inboezemde bij u mijnen laatsten troost te zoeken, Van Roosemael. Sedert een jaar is dit mijn eerste oogenblik van vreugde: dank moet gij daarvoor hebben! maar luister op mijne woorden, en gij zult zelf begrijpen, dat het onmogelijk is, mij eene andere hulp dan die van een vriendelijk medelijden te schenken..... Gij weet, wat dwaze gedachte mij aandreef tot het navolgen der Fransche lichtzinnigheid; ik heb de vaderlijke zeden en de Vlaamsche eerlijkheid afgezworen om in bedriegerij mijn geluk te zoeken, en ik waagde in dat gevaarlijk spel de vruchten van mijn vorig zwoegen tegen valschen schijn. Het spreekwoord zegt de waarheid, vriend: beter één vogel in de hand dan zeven in de lucht. Hadde ik dit begrepen! Maar tot mijn verderf heb ik niet alleen mij zelven aan de valschheid overgegeven, ik heb ook gewild, dat mijne kinderen aan den vergifkelk der Fransche beschaving dronken. Dit is de bitterheid mijner ellende; hadde ik mijne dochter Theresia nooit naar een Fransch pensionaat gedaan, zoo ware ik meester Spinael..... Maar gij wordt bleek, Van Roosemael, gij beeft?»
«Het is niets, ga voort. Ik dacht aan onze Siska, die ook in een Fransch pensionaat is.»
«Doe ze terugkomen, Van Roosemael,--ik bezweer u, doe ze terugkomen!--Reeds zult gij ze niet meer herkennen!»
«Gij hebt misschien gelijk, vriend; maar ga voort, ik wil weten of ik u niet helpen kan.»