Chapter 1
Produced by Branko Collin and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
SISKA VAN ROOSEMAEL
Hendrik CONSCIENCE
Brussel.--Drukkerij J. Janssens, Marcqstraat, 16.
J. LEBÈGUE & C^{ie}, BOEKHANDELAARS-UITGEVERS
36, NIEUWSTRAAT, 36
1912
I
BURGERS VAN DEN OUDEN EED KWAKZALVERS VAN DEN NIEUWEN STIJL
Het is weinige jaren geleden, dat er in eene der straten omtrent het Groen kerkhof te Antwerpen een oude en befaamde kruidenierswinkel bestond, die, van vader tot zoon overgezet, sedert meer dan driehonderd jaren bekend was om zijne goede waren en geringe prijzen. De laatste eigenaar van dezen winkel heette Jan Van Roosemael, zoon van Frans, zoon van Karel, zoon van Kasper Van Roosemael, en was getrouwd met eene Siska Pot, afstammelinge van den beruchten Peter Pot, wiens naam men in de twee Peter-Pot-straten terugvindt[1].
Deze beide echtgenooten, van kindsbeen af tot een nuttig en arbeidzaam leven opgevoed en nu gedurig bezig met hunnen kleinen koophandel, hadden geenen ledigen tijd over gehad, om in den voortgang der hedendaagsche beschaving deel te nemen, anders gezegd om zich te verfranschen. Hunne kleederen, van sterk laken gemaakt, waren eenvoudig en veranderden bijna nooit van vorm; alleenlijk onderscheidden zij deze in werkdaagsche, in Zondagsche en in Paaschkleederen. Deze laatste kwamen nooit uit de kas dan op hoogtijden, wanneer de Van Roosemaels ter Heilige Tafel gingen, of wanneer zij een kind over de doopvonte houden moesten of getuigen waren bij het huwelijk van eenen vriend. Genoegzaam is het te begrijpen, dat deze burgers van de Vlaamsche wereld, alhoewel hun opschik een groot geld gekost had, er slechts arm moesten uitzien nevens den eenen of anderen voorbijgaanden pronker, die zich voor eenige franken in de hedendaagsche papieren kleederen had laten steken en misschien met kleinachting op de Van Roosemaels nederzag; maar zij stoorden zich daar niet in en dachten bij zich zelven: «/Ieder wat in deze wereld, gij den wind en wij de schijven!/»--Onwetend genoeg waren zij, om onbewust te zijn, dat een treffelijk man op den middag niet mag eten, en zij hadden dus de /gemeene/ gewoonte van juist op klokslag van twaalf zich bij de tafel neder te zetten; daarbij, zij vergaten nooit te bidden, en inderdaad, te bidden vóór en na den maaltijd. Andere gebreken nog kon men hun ten laste leggen: onder anderen zij verstonden geen woord Fransch en hadden nooit gevoeld, dat hun die kennis noodig was;--zij waren godvruchtig, werkzaam, ootmoedig en bovenal vredezoekend. Maar hunne grootste domheid bestond hierin, dat zij in hunne Vlaamsche eenvoudigheid geloofden, dat het beter was alle dagen eenen eerlijk gewonnen stuiver ter zijde te kunnen leggen, dan zich met treken en met bedriegerij in twee of drie jaren zoo rijk te tooveren, dat iedereen de oogen er van openspalkt en met verwondering uitroept: «Maar! maar! Waar heeft die Rat[2] het toch gehaald?»--In één woord, zij waren Vlaamsche burgers van den ouden eed.
Meester Jan Van Roosemael had eene jonge dochter, genaamd Siska, gelijk hare moeder, van omtrent de vijftien jaren, tamelijk lang opgeschoten voor haren ouderdom, fraai van gestalte en van gelaat, met blond haar en blauwe oogen: een echt schoon Brabantsch kind.--Tot hiertoe had zij in de stad naar eene gewone school van jonge meisjes gegaan en had er de moedertaal bijna grondig geleerd, benevens de rekenkunde en al de handwerken, welke eene goede burgervrouw moet kennen, al ware het slechts om meer van het huishouden te weten dan hare dienstmeid. Eenvoudig was zij gelijk hare ouders, godvruchtig, onderdanig, beminnend, niet dartel, niet lui, niet eigenzinnig,--en waarlijk geschikt om met den man, die haar zou trouwen, in deugd en eere het huis harer voorvaderen staande te houden en den befaamden kruidenierswinkel voort te zetten.
Hoe komt het, dat de honderdjarige winkel nu gesloten is? Wat rampspoed heeft onlangs de tonnekens, snuifpotten, flesschen en kannekens van Van Roosemael naar de Vrijdagsche markt gevoerd? Deze geschiedenis zal u dit verhalen.
Weet dan vooreerst, dat er in de gebuurte van onzen winkelier een meester-schoenmaker woonde, die de beste vriend van meester Van Roosemael was, met hem des Zondags naar de Steenenbrug[3] ging wandelen, des avonds een smousjas met hem speelde, en verder als een broeder zonder hem geen vermaak vond. Dit veranderde eensklaps om eene zonderlinge reden.
De schoenmaker, die te voren fraai aan zijn brood kwam en reeds door spaarzaamheid zijn eigen huis bezat, deed op zekeren dag, terwijl Van Roosemael met de koorts te bed lag, zijne twee vensters voor aan de straat uitwerpen en een groot uitstekend winkelraam in de plaats stellen. Op de ruiten liet hij in roode verf allerlei Fransche berichten schilderen. In het midden stond: /A la botte sans couture. Magasin de bottes et souliers de Paris/[4];--eene leugen, vermits hij voornemens was de schoenen en laarzen zelf te maken. Wat lager pronkte er voor het glas eene print, waarop men een persoon verbeeld had, die door de wederspiegeling der zon in eene geblonkene laars aan beide oogen stekeblind wordt; en boven dit meesterstuk van kwakzalverij kon men deze woorden lezen: /Véritable cirage anglais/[5];--nog eene leugen, want het was altijd zijn oude blink, dien hij zelf maakte. De klanten verloren daar toch niets bij; het verschil was, dat hij zijnen blink nu viermaal duurder dan te voren deed betalen. Verder op de hoekruiten stond: /Souliers en caoutchouc/, /Poudre de savon/, /Semelles de liège/, enz.[6]
Toen meester Van Roosemael van de koorts genezen was en voor de eerste maal met langzame stappen zijne straat doorwandelde, viel zijn gezicht op het nieuwe vensterraam van den schoenmaker. Hij bleef plotseling staan, wreef zijne oogen als iemand, die door den slaap bekropen wordt, en bezag al de huizen één voor één en met verbaasdheid, gelijk een vreemdeling, die verloren geloopen is.
«Wat is dat?» dacht hij in zich zelven. «Dat is toch de winkel van meester Spinael niet. Zou hij verhuisd zijn, zonder dat ik het geweten hebbe? Alweder eene Rat, die hier den Piro[7] komt uithangen en de menschen gaarne wat zemelen in de oogen zou werpen, om des te beter bankroet te kunnen spelen, als het schaap binnen is. Maar hij zal mij toch niet vangen.....»
Terwijl Van Roosemael dus in gepeinzen dwaalde, kwam er een heer van binnen uit den schoenmakerswinkel op den dorpel staan. Deze was fraai gekleed, met eene paletot van ruitengoed, eene chocolaadkleurige broek, een wit ondervest en eenen zoogezegden gouden ketting voor de borst, waaraan een uurwerk of een kijkglas moest gehecht zijn. Dikke bakkebaarden van blinkend zwart haar omvingen zijn gansche aangezicht; zijn hoofd was kunstmatig opgedaan en geleek wonderwel aan die wassen poppen, welke men voor de vensters der paruikmakers ziet.
«Ha!» dacht Van Roosemael, «daar is de Rat. Het is zonde van zulken knappen vent!»
Maar de nieuwe gebuur kwam rechtstreeks op hem aan, en op zijnen schouder kloppende, sprak hij:
«Gij zijt genezen, vriend Roosemael?»
De verbaasde man herkende de stem van Spinael; hij ging twee stappen achteruit, bezag zijnen vriend van hoofd tot voeten, en dan eerst zeide hij eenvoudiglijk:
«Wat zijt gij schoon, eh!--Hebt gij den grooten prijs in de loterij van Rusland gewonnen? Hebt gij misschien een erfdeel gedaan? Proficiat dan, ik wensch u geluk..... Nu, ik heb immers mijn geheele leven lang gedacht, dat gij ros haar hadt!»
Spinael glimlachte met eene soort van slim medelijden en antwoordde, terwijl hij zich eenen zekeren lossen toon gaf, die gewoonlijk /Fransche chique/ genoemd wordt:
«Van Roosemael, mijn vriend, gij zult nooit rijk worden, gij. De wereld is veranderd, niemand laat zich tegenwoordig vangen zonder lokvinken of zonder vogelteer. /Slechte waar, goed voorgezet, is half verkocht./ Wie van de Vlaamsche burgers moet leven, slaaft tot zijne oude jaren, eer hij mag zeggen: /ik ben binnen/! Zij zijn te houvast, vriend, en willen goed leder en goed werk voor eenen nauwen prijs. Spreek mij van de Fransche jonkheid; daar is vet op, alle maanden een paar laarzen, duur betaald en licht gemaakt.»
De verstomde Van Roosemael wist niet, of hij waakte of sliep. Hij voelde zijne ooren tuiten van die zonderlinge taal en was genoeg genegen om te denken, dat Spinael zijne vijf zinnen niet meer bezat.
«Maar,» viel hij hem in de rede, «ik heb nog al hooren zeggen, dat die Fransche windmakers dikwijls vergeten te betalen. Let gij maar op; daar staan bij mij nog al eenigen van die overvliegers in het krijt, en scheer dan al waar geene wol is. /Liever oordje zeker en het geweten zuiver./»
«Oude praat, vriend,» antwoordde de schoenmaker, «wij zullen elkander binnen twee of drie jaren spreken, als het God belieft, en dan zullen wij eens zien, wie het verste zijn zal. Mijn zoon Jules is naar Parijs om zijnen stiel te leeren: daar verwacht ik veel van.»
«Wie is er naar Parijs, zegt gij? Jules? Ik dacht, dat ik de peter van uwen eenigen zoon was, en dat hij Jan heette gelijk ik?»
«Welnu, ja, Jan is naar Parijs; maar hij heeft zijnen gemeenen naam veranderd en heet nu Jules: dat is veel treffelijker, en mijne dochter, die deze week uit het pensionaat gekomen is, noemt zich Hortense. Ik zeg u dit slechts, omdat gij hen niet in tegenwoordigheid mijner klanten Jan en Trees zoudt heeten.»
Meester Van Roosemael schudde het hoofd met twijfel, bezag beurtelings de opschriften van het vensterraam en de verschillende kleedingstukken van zijnen vriend, en sprak dan op half schertsenden toon:
«Ik geloof niet, dat gij het wel voor hebt, meester Spinael! Ik heb er al zoovelen langs dien weg zien om zeep gaan[8] en die te voren nog al vast in hunne schoenen liepen; dan, ieder is meester van te doen wat hij wil,--het zijn mijne zaken niet, en daarmede is het uit!--Zeg, gij vergeet misschien, dat het dezen morgen Kamer is van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw. Gaat gij niet mede?»
«Broederschap van Onze Lieve Vrouw!» riep Spinael bijna spottend. «Ik ben geen lid meer, vriend. Iemand, die voor het groote /Theater/ werkt, gelijk ik, die mag met geene flambouw in de processie meer loopen. Waarlijk, het zou niet staan.»
«Goeden dag dan!» morde Van Roosemael op droeven toon, en hij liet den verfranschten schoenmaker voor zijne deur staan.
Eenigen tijd daarna kwam Spinael bij den winkelier, en, na veel gepocht en gestoft te hebben over den schoonen gang zijner zaken, sprak hij van eene groote partij leder, welke hij te koop wist bij eenen huidvetter, die oogenblikkelijk geld noodig had. Hij heette het eene /brillante affaire/[9] en deed zooveel met zijne nieuw aangeleerde treken, dat de eenvoudige man, in gedachtenis hunner vriendschap, hem vijfhonderd gulden wisselgeld leende, op drie maanden te betalen. Van Roosemael deed zich terzelfder tijd de maat nemen voor een paar nieuwe schoenen. De schoenen borsten den achtsten dag aan stukken, en in plaats van zijne vijfhonderd gulden kreeg de winkelier wat schoonen praat en oneindig veel beloften.
Dit laatste punt verwekte eene stille vijandschap tusschen de twee geburen, die voorts elkander niet meer aanspraken. Hunne beide kinderen deelden echter niet in deze verwijdering en bleven elkander dagelijks bezoeken.
[1] Peter Pot, een edelman, stichtte te Antwerpen in het jaar 1433 het klooster van St.-Salvator, dat men gemeenlijk /Peter-Pots-klooster/ noemde, en dat in 1575 door de beeldenstormers tot den grond werd afgebrand. De talrijke afstammelingen van dezen edelman, nu meest geringe burgers, heet men de /Potten/.
[2] De vreemde gelukzoekers, die, uit armoede hun vaderland verlatende in België komen en daar door uitwendige pracht en ijdel gesnork willen doen gelooven, dat zij /iets/ zijn, noemt men te Antwerpen met den zonderlingen naam van /Ratten/; maar dewijl de meesten dezer kwakzalvers ons uit het Zuiden toekomen, begint het volk dezen spotnaam nu uitsluijtelijk toe te eigenen aan de leden eener enkele groote natie.
[3] Eene wandeling buiten Antwerpen.
[4] In de laars zonder naad.--Magazijn van laarzen en schoenen van Parijs.
[5] Waarachtige Engelsche blink.
[6] Ezelsooren-schoenen, Zeeppoeder, Kurken zolen, enz.
[7] Pierrot, een vastenavondzot, die met zemelen werpt.
[8] /Om zeep gaan/ beteekent tot armoede vervallen.
[9] Eene veelbelovende zaak.
II
GOEDE RAAD, SLECHT BESLUIT
Sedert de dochter van Spinael uit het pensionaat gekomen was, had Siska Van Roosemael veel van hare zuivere eenvoudigheid verloren. Zij had reeds veel te dikwijls bij den toog van het schoenenmagazijn gezien, hoe de verfranschte jonkheid met lossen zwier hare vriendin liefkoosde, en hoe zij, met lonken en pinken, daarop wist te antwoorden /in de schoone en lieftallige Fransche taal/. Onnoozel nog, en niet wetende wat vuile wulpschheid onder zulke geveinsde liefdewoorden verborgen ligt, werd zij meer dan eens rood van schaamte, wanneer de eene of andere windmaker haar in gebroken Fransch aansprak en dat zij niet als hare vriendin kon antwoorden. Hierom vroeg zij dagelijks aan hare moeder om ook naar het pensionaat te mogen gaan. Vrouw Van Roosemael, die hare dochter met verblindheid beminde, had insgelijks met nijd gezien, dat Hortense, of liever Trees Spinael, alhoewel bijna leelijk zijnde, al de oogen tot zich trok, en dat hare arme Siska er verschrikkelijk gemeen uitzag nevens de opgepronkte dochter van den meester-schoenmaker. In haren moederlijken hoogmoed dacht zij, dat het niet betaamde haar kind langer te laten achteruitstaan voor eene, die minder was dan zij. Na eenige maanden hierover aan de ooren van haren man gezaagd te hebben, werd er besloten, dat Siska naar het pensionaat zou gaan, maar dat men eerst den ouden Pelkmans over dit gewichtig punt zou raadplegen.
Deze Pelkmans was de dokter of geneesheer van het huisgezin, gelijk zijn vader de dokter der vorige Van Roosemaels geweest was. Dikwijls had hij door zijnen wijzen raad den winkelier in moeilijke zaken bijgestaan; maar wat hem het meest door de beide ouders deed beminnen, was, dat hij Siska tweemaal in ontstekende ziekten, en laatst nog tijdens den cholera-morbus van eenen gewissen dood gered had. Zij hadden in hunne dankbaarheid begrepen, dat de dokter hierdoor eenig recht op het leven en op de toekomst hunner dochter gewonnen had, en beslisten nooit iets, dat haar aanging, zonder zijnen raad te vragen. Dan, daarin deden zij zeer wel; want de oude Pelkmans was een wijs en geleerd man, die den loop der wereld goed kende en alles met Vlaamsche bezadigdheid in stilte naspeurde en doorgrondde.
Op den gestelden dag zat de dokter, met vader en moeder Van Roosemael, in eene kamer achter den winkel, en het gesprek werd door meester Van Roosemael dus begonnen:
«Dokter Pelkmans, mijne vrouw wil volstrekt hebben, dat Siska naar een Fransch pensionaat gezonden worde. Wat mij betreft, ik ben er al lang tegen geweest, maar de tranen van Siska hebben mij eindelijk van gedachte doen veranderen.»
«Naar eene Fransche kostschool?» vroeg de dokter verwonderd. «Naar een Fransch pensionaat? Er zijn immers goede scholen genoeg in de stad, en zoo kan men ten minste dagelijks zien, of het schaap niet verloren loopt.»
«Och, och!» riep de moeder lachend en met eene soort van misprijzen. «Wat is er op de scholen in de stad te leeren? Breien, naaien, lijnwaad teekenen, hemden snijden, cijferen--en Vlaamsch, dat ieder toch kent! Zie de dochter van Spinael eens: dat gaat /blok/ weg en komt /juffrouw/ terug; dat spreekt Fransch, dat is beleefd, dat wordt van alle deftige lieden aangehaald..... Zij heeft maar te kiezen met wien zij wil fortuin doen.»
De dokter trok de schouders op en schudde het hoofd met nadenken. Hij antwoordde:
«Gij bedroeft mij, vrouw Van Roosemael; ik begrijp niet, wat kwade geest u aanblaast en uw gezond oordeel eensklaps heeft vernietigd; de deftige lieden, waarvan gij spreekt, zijn wat kleermakers, wat komedianten en wat magere klerken, die naar den schoenmakerswinkel komen, gelijk de vliegen naar eenen kop broodsuiker. Ik ken Hortense Spinael, en ik mag u zeggen, dat ik de helft van mijn goed zou willen verliezen, om te beletten dat Siska haar ooit gelijke. Zult gij dat eenvoudig, dat schoon en zuiver kind laten bederven; haar van godsdienst, van goede zeden en van Vlaamsche rechtzinnigheid aftrekken, om er eene lichte en wulpsche /coquette/[10] van te maken? Pas op! Misschien zal mijn raad hier onmachtig zijn; maar dan zult gij u de ooren krabben, indien wij het geluk hebben nog wat te leven.»
De twee ouders waren door de strenge woorden des dokters verschillend getroffen; beiden glimlachten: de vader van vreugd, omdat hij voorzag, dat de dokter overwinnen zou; de moeder van spijt. Zij gaf niet ten onderen en riep:
«Dokter, dokter, gij snijdt er te sterk door! Ik weet wel, dat gij eenen haat hebt tegen al wat Fransch is; maar wij zijn van de oude wereld, man. Het gaat er nu zoo niet meer.....»
«Vrouw Van Roosemael,» viel de dokter in, «gij wilt mij niet verstaan. Het is mijne gedachte niet, iemand te beletten vreemde talen te leeren, en dit kunt gij genoeg bemerken aan mijnen zoon Lodewijk, die op de Hoogeschool is. Kan hij geen Fransch? Ja, en wat beter, hoop ik, dan de jonge weetnieten, die het hoofd van Hortense Spinael op den hol helpen en u de oogen uitsteken, vrouw Van Roosemael. Gij moet mij zoo niet bezien: weetnieten, ja! Wat kennen zij? Wat straatfransch, dat zij dikwijls nog onbarmhartig martelen; hunne moedertaal kennen zij ook niet, en wat de nuttigste wetenschappen aangaat, daarvan zijn de namen zelfs hun onbekend. Al hunne geleerdheid bestaat in Franschen wind, in woorden en gezegden, die zij hier en daar uit gazetten of uit romans opvisschen. Daarvan spinnen zij een hol en ijdel gerammel aaneen en verkoopen dit aan onkundige menschen voor Fransche geleerdheid! Maar gij maakt mij gram: wij geraken van ons onderwerp. Laat ons elkander beter verstaan. Ik zeg u dan, en luistert wel op mijne woorden: er zijn goede kostscholen, maar oneindig meer slechte zijn er. De goede zijn die, waar de meesteressen, hunne heilige zending verstaande, een nuttiger doel hebben dan dat van eene dochter met een wereldsch vernis te beglanzen ten koste harer godsvrucht en harer eerbaarheid; waar de meesteressen samenspannen en altijd en overal waken om het vreemde vergif af te weren, de ijdelheid te bestrijden en de dartelheid te bevechten;--waar men weet, wat goede hoedanigheden in de Vlaamsche inborst hunne wortelen hebben, en hoe gevaarlijk het is dien zuiveren grond te verfranschen; in één woord, waar men zich niet voorstelt, modische juffers, maar wel nuttige en waardige huismoeders te maken..... Is het nu naar zulk eene kostschool, dat gij Siska zenden wilt, zoo heb ik er niets tegen: verre van daar, ik zal er blijde om zijn. Alles hangt af van de keus, die gij gaat doen. Ik weet het: meest al de Fransche pensionaten zijn nesten van bederf en van zedenverlies; nogtans de goede zijn licht te vinden, als men ze maar zoeken wil. Indien gij het verlangt, ik zal er u een aanwijzen. De kostschool van X..... bij voorbeeld?»
«Ja, het pensionaat van X.....!» riep de moeder, «ik dacht het wel. Neen, dan kan Siska ook wel te huis blijven. Zie Anna Van Straten eens. Zij is op die kostschool geweest: na drie jaren is zij teruggekomen, gelijk zij er naar toe gegaan was. Zij is wel braaf en zedig, ik hoor wel zeggen, dat zij geleerd is en alles kent, wat een goed huishouden aangaat; maar dat kan men immers overal leeren? Daarom moet men naar geene kostschool gaan!»
«En waarom moet men er dan naar toe gaan, moeder Van Roosemael? Ik versta u genoegzaam: om verfranscht te worden, niet waar? Om gelijk Hortense Spinael, te leeren dartelen en zedeloos te worden; om zich boven zijnen staat te leeren kleeden en, tot verergernis van iedereen, de modepop en de lichtvink te kunnen uithangen?»
«Maar, dokter,» bemerkte vader Van Roosemael, «indien de meeste pensionaten de kinderen bederven, hoe komt het dan, dat alle rijke menschen, die toch ook niet dom zijn, hunne dochters er naar toe zenden?»
«Verstaat mij wel, mijne vrienden,» hernam de oude Pelkmans met verkalmd gemoed, «elke stand der samenleving heeft zijne wijze van denken en zijne zeden. Hetgeen goed, eerbaar en nuttig is voor een edelmanskind, is dikwijls slecht, oneerlijk en schadelijk voor het kind van eenen winkelier. Het kwaad der opvoeding, welke men in zulke pensionaten aan de meisjes geeft, ligt bovenal hierin, dat men er de dochter van eenen schoenmaker of van eenen beenhouwer, van eenen edelman of van eenen rentenier dezelfde gedachten inboezemt,--en aan die, welke bestemd zijn om te werken, eene zelfde opvoeding geeft met degenen, welke nimmer iets anders zullen moeten doen dan hun verstand gebruiken om zich in de weelde niet te verdrieten. Zoo bederft men de maatschappij in haar gronden: ieder meisje wil juffrouw zijn, en met de pracht komen luiheid, geldverkwisting, zedeloosheid en nog erger. Men maakt Fransche /coquetten/ met den hoop, maar Vlaamsche arbeidzame huisvrouwen? Geen enkele!»
Nu stond vader Van Roosemael eensklaps van zijnen zetel op en sprak met besluit:
«Toe, toe! Gij zijt veel te goed, dokter, om zoolang daarover te willen redeneeren. Gij hebt gelijk, en Siska zal naar het pensionaat van X..... gaan, of zij zal te huis blijven, indien het waar is, dat ik hier meester ben. Die vrouw met haar Fransch! Zoudt ge niet zeggen, dat wij gebrek hebben geleden en achteruit zijn geboerd, omdat wij onze moedertaal spreken? Ik zeg: goed is goed, en wie goed beter wil maken, zie ik voor een botten ezel aan.--En, om het kort te maken, Siska blijft te huis!»
Maar de brave man had zonder zijnen waard, of liever zonder zijne vrouw gerekend. Deze riep met gramschap:
«Hola, zoo gauw niet, Van Roosemael! Het schijnt dat gij vandaag wat vele noten op uwen zang hebt. Zit maar neder en maak u geen kwaad bloed, man. Dokter, zeg mij eens, wat groote zonde zou het nu zijn, dat onze Siska zoo beleefd was en zoo goed Fransch kende als een edelmanskind? Of zou zij daar een haar slechter om zijn?»
Op deze vraag verstond de dokter, dat hij tegen een genomen besluit en tegen de vrouwelijke koppigheid te worstelen had; daarom veranderde hij van toon, gaf aan zijne stem meer ernstigheid en antwoordde:
«Neen, indien zij in het pensionaat, dat gij bedoelt, beleefdheid en nuttige kennis alleen kon verkrijgen; maar gij weet niet, moeder, wat de meisjes in zulk pensionaat van hunne meesteressen, doch bovenal van elkander leeren. Wil ik het u zeggen? Luister dan, het zijn droeve waarheden:--men leert er Fransch ja; maar met de Fransche taal leert men er ook Fransche treken. Bij voorbeeld: hoe men oogkens en gezichtjes zal trekken en zijn mondje zal toenijpen om bevallig en beminnelijk te schijnen; hoe men ten voordeele eener romantische, dat wil zeggen geheime liefde, zijne ouders bedriegen zal; hoe men zich het hoofd vol geest- en lichaamuitputtende minnebeelden zal steken: hoe men zich met pommades van allerlei reuken zal bestrijken; hoe men het haar /à la neige/, /en tire-bouchons/ of /à la chinoise/ zal krullen[11]; hoe men zich kleeden zal /en négligé/, /en robe de ville/ of /en costume de bal/[12]; hoe men buigen en neigen zal volgens den staat der menschen: diep voor eenen rijke, bijna niet voor eenen burger en in het geheel niet voor een gering mensch.--Men leert er zotte Fransche liedekens, die, onder den naam van romancen, de driften te vroeg doen ontgloeien en aan een onwetend kind woorden en dingen leeren, die het niet weten mag;--in één woord, liederen, die onder een gulden bekleedsel voor jonge meisjes niets zijn dan zedenbederf, vergif en vuiligheid..... Is dit kennis, die een Christenmeisje, die eene burgerdochter betaamt?»