Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875
Part 15
's Avonds als ik slapen ga, Volgen zestien Engeltjes me na: Twee aan mijn hoofdeneind, Twee aan mijn voeteneind, Twee aan mijn rechterzij, Twee aan mijn linkerzij; Twee die mij dekken, Twee die mij wekken, Twee die mij leeren Den weg des Heeren, Twee die mij wijzen Naar 's Hemels Paradijze.
Dit gebed is eigenlijk een kindergebedje. De kinderen, die het trouw opzeggen, worden daarvoor, naar men in Vlaanderen verhaalt, beloond door een krentenkoek, dien de engel Gabriël, in den schoonen Kerstnacht, onder hun hoofdkussen legt. De jonge moeder had ditzelfde gebedje gezongen, staande aan den schoot harer moeder; en zij neuriede het nu haar lieveling voor, opdat de eenvoudig schoone woorden reeds vroeg in zijn onbedorven zieltje, in zijn ontvankelijk gemoed zouden dringen, en hij het straks zelf zou kunnen bidden, als hij, voor zijn kribje geknield, eer hij slapen gaat, door moeder wordt goenacht gekust. Ge doet wel trouwe moeder; moge uw kind, als het opgroeit, nog lang, zeer lang, in den geest die engelen blijven zien!
Het was een liefelijk, aantrekkelijk tooneel, ik mag wel zeggen, een recht oud-hollandsch binnenhuisjen, ondanks dat kruisbeeld en dat engelengebed. Immers, niet waar, deze dingen ergeren u niet, en waar gij ze vindt, acht gij wel niet de aanspraak op den naam van oud-hollandsch verbeurd? Zijn beiden niet teekenen van dien vromen zin, die den roem en de kracht onzer vaderen, niet enkel onzer protestantsche vaderen, placht te zijn? Ik wenschte wel, dat in al de woningen onzes volks van dien zin de teekenen, zij het dan ook in anderen vorm, werden gezien.
Wij stonden aan de grenzen. Nog eenmaal daagden ze op voor onzen geest, de dagen in Zeeland doorgebracht, de tooneelen daar aanschouwd, de genoegens daar gesmaakt, de indrukken daar ontvangen. Straks zou ieder zijns weegs gaan, waarheen zijne eigenaardige levensbestemming hem riep; maar de herinnering aan dezen te zamen doorgebrachten tijd zou niet verloren gaan, en--ik ben er zeker van--ook in het verre land zou mijn vriend menigmaal het beeld voor den geest staan van die lage landen aan de Noordzee, om zoo menige reden aller aandacht en belangstelling waard.
Dien avond zaten wij voor het laatst aan den maaltijd, ditmaal niet meer in Zeeland, maar op belgischen grond. En toen mijn vriend den beker hief, om een afscheidsgroet te brengen aan het land, dat hij verlaten ging, dat hij wellicht nooit weder zou zien; toen voor mijn geest wederom het beeld oprees van dat vaderland, dat mij als het ware nog dierbaarder was geworden, nu ik een zijner belangwekkendste, zijner meest karakteristieke gewesten den vreemdeling had mogen toonen en hem inleiden tot de kinderen mijns volks;--toen kwamen mij nog eens de uit het hart gewelde regels van onzen Potgieter op de lippen, een herinnering, een groet, een bede:
Grauw is uw hemel en stormig uw strand, Naakt zijn uw duinen en effen uw velden; U schiep natuur met een stiefmoeders hand:-- Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!
Al wat gij zijt is der Vaderen werk; Uit een moeras wrocht de deugd van die helden, Beiden de zee en den dwingland te sterk, Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.
Blijf wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem; Zorg, dat Europe den zetel der orde, Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem', Land mijner Vaadren, mijn lust en mijn roem!
Wat dan de donkere toekomst bewaart, Wat uit haar zwangere wolken ook worde: Lauwren behooren aan 't vleklooze zwaard, Land, eens het vrijste en gezegendst' der aard!
NOTES
[1] Op bladz. 3 van dezen jaargang staat abusievelijk 1550: lees 1530.
[2] Het gaat met dit lied, als met meer oude volksliederen: het geheele verloop der gebeurtenis wordt er niet in verhaald, maar alleen in enkele trekken de toestand geteekend. Die trekken moet de lezer of hoorder--want deze liederen zijn allen bestemd om voorgedragen, gezongen te worden, waarbij stembuiging en gebarenspel medewerken--tot een geheel samenvoegen en aldus de schilderij voltooien. De middeleeuwsche hoorders konden dit waarschijnlijk ook zeer wel; voor ons, kinderen van later tijd, is tot recht verstand van dit lied, eenige toelichting niet overbodig.--Wij hebben ons de toedracht der zaak aldus voor te stellen. Twee ridders dingen naar de hand derzelfde jonkvrouw; de voorkeur, dien zij, tegen den zin haars vaders, den een schenkt, ontsteekt zoo zeer den toorn en minnenijd van den ander, dat hij zijn medeminnaar 's nachts overvalt en vermoordt. Hij beseft dat hij, na dezen manslag, vluchten moet, maar eer hij voor goed het land verlaat, wil hij nog eenmaal haar zien, om wier wil hij deze bloedschuld op zich geladen heeft. Hij gaat naar haar woning, en spreekt haar, daar zij voor het venster verschijnt, aan met de verklaring, dat hij haar gaarne naar het buitenland zou voeren, indien zijn vijanden hem dit niet beletten. Spottend vraagt zij hem, waarheen hij haar dan voeren zou; en als hij met zoete en tevens dreigende taal, antwoordt: naar de linde, den boom der liefde en des gerichts, dan herneemt zij dartel: wel, dat is niet noodig; mijn liefste is hier bij mij.--Nu barst hij uit: uw liefste is niet bij u: hij ligt ginds verslagen. Uit den toon, uit de geheele houding van den ridder, die zich nu ijlings verwijdert, begrijpt de jonkvrouw, dat deze tijding waar moet zijn. Zij gaat aanstonds heen, om zich daarvan te overtuigen; het verdere behoeft geene verklaring.