Schetsen uit Zeeland De Aarde en haar volken, Jaargang 1875

Part 14

Chapter 143,792 wordsPublic domain

En ook in andere gevallen, waar van geene betoovering sprake is, is het goed, dat er behalve de hulpmiddelen der officiëele wetenschap, die zoo dikwerf te kort schieten, nog andere zijn, waarvan krachtiger werking mag worden verwacht. Een beentje uit een varkensoor is een afdoend geneesmiddel tegen de kiespijn; en zoo ge aan rhumatiek mocht lijden, kunt ge niet beter doen dan de schroef van een doodkist of een stukje van een grafzerk bij u te dragen. Ook kent men in Zeeland een poeder, poeder van sintepathie genoemd, dat van velerlei nut is, en wonderlijke dingen werken kan. Dat poeder, uitwendig aangebracht, geneest niet alleen hoofdpijn, wonden en andere kwalen, maar heeft ook, inwendig gebruikt, het vermogen iemand het geheugen te doen verliezen; ja zelfs kan men, met behulp van dit poeder, levenlooze voorwerpen, zooals tafels, stoelen en ander huisraad, in beweging brengen. Voor eenige jaren woonden er te Domburg twee oude vrouwen, die beroemd waren van wege de groote dingen, die zij met behulp van dit tooverpoeder verrichtten; zij waren zelven in de wandeling bekend onder den naam van de sintepathies. Waaruit dat poeder eigenlijk bestaat weet ik niet, evenmin als mij de afleiding van den naam recht duidelijk is. Sommigen denken aan het fransche sympathie: zou Sinte-Passie niet meer voor de hand liggen?

Dat ge, ter afwering van de nachtmerrie, uw schoenen of muilen met het achtereinde naar het bed moet zetten; dat het niet goed is uwe afgeknipte hoofdhairen in het vuur te gooien, en evenmin om aan tafel twee messen kruislings over elkander te leggen; dat het, in sommige gevallen, gevaarlijk is, onder den spiegel plaats te nemen, en hoogst bedenkelijk om met uw dertienen aan tafel te gaan zitten; dat een zwarte kat in den regel niet vrij is van eenige betrekking tot toovenarij, en dat een hond met gele plekken boven de oogen het vermogen bezit om geesten te zien:--dat zijn van die zaken, die eigenlijk aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn.

Wat zullen wij van al deze dingen zeggen? Er eenvoudig de schouders over ophalen, en van dom bijgeloof spreken, dat bij de meer algemeene verspreiding van het onderwijs van zelf wijken zal? Wel, ik wil u wel bekennen dat dit alles zich voor mij in een eenigszins ander licht vertoont. Ge spreekt van bijgeloof, en meent daarmede alles gezegd te hebben; maar waarschijnlijk zoudt ge tamelijk verlegen staan, indien ik u eens vroeg, mij eene duidelijke omschrijving van dat woord te geven, de juiste grens aan te wijzen, waar het geoorloofde en in uwe oogen redelijke geloof in ongeoorloofd en onredelijk bijgeloof overgaat. Wat is eigenlijk bijgeloof? Hebt ge wel eens beproefd die vraag te beantwoorden? Zoo ja, dan zult ge ook weten, hoe uiterst moeilijk dat antwoord te geven is, hoe bij uitnemendheid onzeker en vlottend hier de grenslijnen zijn. En dan zult ge, ook al vondt ge geen formule die u bevredigde, althans dit geleerd hebben, dat ge niet meer zoo haastig schermt met woorden, waarvan de beteekenis u zelven niet duidelijk is; en ook dit, dat ge niet aanstonds voor domheid en onverstand uitmaakt al wat uw begrip te boven gaat. O die jammerlijke bekrompenheid en oppervlakkigheid, die zich zoo vaak en zoo gaarne onder het masker van hooger ontwikkeling, van wetenschappelijken zin verbergt, en aanstonds als onmogelijk verwerpt wat in haar klein kadertje van kennis niet past! Al die meeningen, denkbeelden en overtuigingen, die wij hier niet verder kunnen bespreken, en nog minder in haar oorsprong en beteekenis nagaan en toelichten;--ze zijn toch nog geheel iets anders dan de gewrochten eener kranke verbeelding, eener overprikkelde fantazie, aan het hollen geraakt bij gemis van den teugel der kennis. Ze zijn de verstrooide brokstukken, de nu doorgaans onsamenhangende fragmenten, de verspreide en deels geschonden relikwiën van eene wereldbeschouwing, waarin geslachten bij geslachten zijn opgegroeid, hebben geleefd en zijn gestorven, die voor hen de onuitputtelijke bron van kracht, van moed, van hoop en vertrouwen is geweest, de oorzaak van wat zij het hoogst en best hebben gewrocht; eene wereldbeschouwing, die nog heden de geestelijke atmosfeer is waarin millioenen ademen. Voor die allen was en is de natuur niet enkel een gewrocht van onbewuste krachten, gebonden aan en werkende in de doode materie, niet enkel een groot chemisch en mechanisch proces, maar een levend organisme, in al zijn deelen bezield, eene openbaring des geestes, en daarom ook door duizenderlei geheimzinnige banden verbonden met het menschelijk leven, daarop inwerkende, daarin deelende, daarvan als eene duistere afspiegeling vertoonende. Al deze zoogenaamde bijgeloovigheden--onredelijk en onzinnig voor hem, die de diepe beteekenis, de dichterlijke symboliek, den verborgen samenhang daarvan niet meer begrijpt;--ze zijn duistere klanken uit het verre, verre verleden, toen de mensch, nog te midden der natuur levende, nog niet verleerd had hare taal te verstaan, haar hiëroglyphenschrift te ontcijferen; toen hij nog acht gaf op de teekenen en voorbeduidingen aan den hemel en op de aarde, en misschien in nog hooger mate dat raadselachtig voorgevoel, dat wondervol instinkt bezat, dat wij nu nog in zoovele dieren met verbazing opmerken.

Overigens wil ik u gaarne toegeven dat het wenschelijk is, dat de onwetendheid, die bij dit alles ongetwijfeld eene rol speelt, voor betere kennis wijke; maar de wijze, waarop dit geschiedt, is voor mij verre van onverschillig. Kunt gij den landman van dit bijgeloof genezen, zonder tevens in hem den zin te verstompen voor eene hoogere, niet met de zintuigen waarneembare wereld, zonder bij hem het orgaan te verlammen, waardoor ook hij de dingen des geestes moet leeren kennen en eerbiedigen, zonder zijn gemoedsleven te schaden: het is mij wel, en ik zal niet ontkennen, dat ge hem daarmede een dienst hebt bewezen, door hem te verlossen van zooveel ijdele vreeze. Maar zoo ge, om hem van zijn bijgeloof te genezen, tevens alle poëzij uitroeit, immers dien zin voor eene hoogere, geestelijke wereld, die nog voor ons allen verborgen is; zoo ge hem leert alles te verwerpen en te loochenen wat hij niet begrijpt, wat buiten zijne zinnelijke waarneming, boven zijne verstandelijke bevatting ligt;--dan bewijst ge hem stellig geen dienst; dan maakt ge hem geestelijk armer in plaats van rijker; dan zou ik u wel willen bidden, laat dien man zoo als hij is, met zijn verbeelding en vooroordeelen, maar ook met zijne vatbaarheid om nog andere dingen te verstaan, te erkennen althans, dan die hij met zijne oogen zien of met zijne handen tasten kan. En in uw verbeterd en meer uitgebreid onderwijs,--ge leert den kinderen reeds zoo veel, wat hun later van ondergeschikt nut is;--waarmede gij zoo vele maatschappelijke kwalen en zoo vele individueele verkeerdheden genezen wilt, in dat onderwijs wordt reeds zooveel van de poëzy des levens afgetakeld!

Onder de mannen vooral viel een zeer sprekend onderscheid op te merken; twee sterk geteekende typen trokken onze aandacht.

Sommigen zijn klein en mager van gestalte, donker van hair en uitzicht, geelachtig van tint, zeer prikkelbaar, zeer onafhankelijk van karakter, en bijwijlen uitgelaten vroolijk. Zij dragen, in enkele streken, den naam van Boschkerels, waarschijnlijk omdat hunne voorouders vroeger de uitgestrekte bosschen bewoonden, die in deze landstreek werden aangetroffen, maar sedert lang verdwenen zijn.

De Boschkerels lijden over het algemeen een armoedig, half zwervend leven. Zij oefenen allerlei kleine beroepen uit; zij maken bezems, vogelkooien, hondenhokken, muizenvallen, strikken en knippen en dergelijke zaken en bieden die te koop aan. Onverschrokken stroopers, eten zij zelven niet van het wild, dat zij vangen; uitgeleerde dieven, stoven zij met de boter van den naaste de groenten, die zij hem ontstelen. Toch munten de Boschkerels boven de andere boeren uit, zoodra het aankomt op vlugheid van begrip, op handigheid en vaardigheid van bewerking. Zij zijn blijkbaar van een ander ras dan de andere landbewoners: naar hun voorkomen te oordeelen, schijnen zij van gallischen of keltischen stam.

De bewoner der vlakke landen en polders vertoont een geheel anderen type. Hij is groot van gestalte, breedgeschouderd, zwaar, plomp in zijne bewegingen en van herkulische kracht. Als ge hem zoo ziet loopen, met zijne slingerende armen, zijne groote handen, zijn een weinig vooruit stekende knieën en reusachtige voeten, schijnt hij welhaast een kolossale beer, die, in plaats van op vier pooten, rechtop wandelt. Uitermate wantrouwend, zeer bijgeloovig, zwaarmoedig, traag van begrip, is hij min of meer bevreesd voor alles wat hij niet kent of niet begrijpt. Hij vergeet niet licht eene beleediging, maar zal zijn wrok weten te verbergen tot hij het gunstige oogenblik gekomen acht, om zijn vijand te treffen. Bij het spel, als hij gedronken heeft, kan hij onhandelbaar en zeer gevaarlijk worden. Vechtpartijen in de herbergen zijn hier dan ook geene zeldzaamheid.

Even als op Walcheren, is ook hier het mes het algemeene wapen der boeren. In de Vier-Ambachten, in het land van Axel en in de omstreken, draagt de boer het, in een lederen scheede, aan zijn gordel, en legt het nooit af.

Het is nog zoo lang niet geleden, dat geheele dorpen elkander uitdaagden tot een geregeld gevecht met messen. Er bestonden overoude, erfelijke veeten tusschen de bewoners van naburige dorpen, en van tijd tot tijd werd de wederkeerige haat bot gevierd in zulk een bloedigen strijd, waarbij het dikwijls heet toeging.

Maar ook behalve deze algemeene veldslagen, zijn vechtpartijen met messen hier nog maar al te zeer aan de orde van den dag. De wijze om zijne tegenpartij uit te dagen, is niet overal dezelfde. Somwijlen wordt het mes in de lage zoldering gestoken; maar meestal plant de strijdlustige zijn mes in de tafel der herberg, en daagt dan zijne tegenpartij uit. Zoolang het mes trilt, heeft deze het recht zijne verdediging voortedragen. Laat hij die oogenblikken ongebruikt voorbijgaan, dan trekt de ander zijn mes uit de tafel en gaat zijn vijand te lijf. Het gebeurt ook wel, dat een of andere ruwe gast zijn mes in de tafel steekt, zonder bepaaldelijk iemand uit te dagen. Hij blijft dan in de kamer en verliest zijn wapen niet uit het oog; en wee den onvoorzichtige, die, in zijne onwetendheid vaak, het mes aanraakt of ook maar er al te zeer naar kijkt: dat wordt als eene beleediging, als een aanvaarden der uitdaging beschouwd, en hij moet vechten. Wie daar niet op gesteld is, en liever niet voor zijn volgend leven een merkteeken in het gezicht draagt, neme zich dus in acht.

In het zeer aanzienlijke dorp Zaamslag zagen wij, in de gelagkamer van de herberg, een mes, aan de lage zoldering vastgebonden. Wie met een ander vechten wil, raakt dat mes aan, en roept zijne tegenpartij op; wie onwetend de hand naar dat mes uitsteekt, wordt onmiddellijk door een of anderen woestaard uitgedaagd.

Kort voor onze komst was het gebeurd, dat een jong mensch, een vreemdeling uit de waalsche provinciën van België, vermoeid van eene lange voetreis, in de herberg kwam, waar verscheidene gasten zaten te drinken. Hij zette zich neder op de bank bij de tafel, vroeg den waard, in zeer gebroken vlaamsch, een glas bier en een boterham, en sloeg verder geen acht op hetgeen er rondom hem gebeurde. Maar onder de drinkebroers waren er enkelen, die hem hadden opgemerkt, en die het vaste voornemen hadden opgevat om, zoo eenigszins mogelijk, met hem slaags te raken; zij verloren hem daarom geen oogenblik uit het oog, al hielden zij zich of zij hem niet bespeurden.

De jonkman, volkomen onbekend met het eigenaardige gebruik der streek, had aanvankelijk op het mes in de zoldering geen acht geslagen; doch toen men hem zijn brood bracht en--met of zonder opzet--geen mes daarbij werd gevoegd, meende hij, dat het mes boven de tafel opgehangen tot algemeen gebruik bestemd was. Onergdenkend rees hij half van de bank op, en wilde het mes losmaken..... Nauwelijks had hij het wapen aangeraakt, of de kerels, die aan een naburig tafeltje zaten te drinken, stoven onder luid geroep op, en een van de brutaalsten kwam, vloekend en dreigend, naar hem toe, en vorderde dat hij met hem vechten zou: hij had hem uitgedaagd.

De vreemdeling begreep er aanvankelijk niets van, en kon maar niet vermoeden, waardoor hij zoo zeer de algemeene drift had gaande gemaakt. Echter al spoedig beseffende dat het ernst was, en dat men niet enkel een grap met hem wilde hebben, was hij opgerezen, en staarde zijn aanvaller, met vlammende blikken en gekruiste armen, zwijgend aan. Deze raasde en tierde voort, en eischte, op steeds dreigender toon, dat hij met hem vechten zou. De jonkman antwoordde, dat hij met het gebruik onbekend was; dat hij geene beleediging van wien ook had bedoeld of had kunnen bedoelen, daar hij niemand der aanwezigen zelfs van aangezicht kende; dat er dus voor hom geen enkele reden bestond om te vechten.... Het baatte niet; de woeste kerel had zijn mes uit de scheede getrokken, en drong met opgeheven arm op hem in.....

Eensklaps maakt de jonkman eene snelle beweging. Met de vlugheid en kracht van een tijger, springt hij plotseling op zijn belager los, grijpt met de eene hand den opgeheven arm met het mes, en brengt hem met de andere een zoo geweldigen vuistslag op het hoofd toe, dat de kerel achterover waggelt. In een oogwenk heeft de vreemde, van zijn voordeel gebruik makende, hem ter aarde geworpen en het mes ontwrongen, dat hij nu dreigend opheft, terwijl hij met de andere hand zijn vijand de keel omknelt en met de knieën zijne borst plet. Ondanks zijne meerdere kracht overwonnen, en machteloos aan de genade van zijne roekeloos uitgedaagde tegenpartij overgeleverd, riep de kerel, half stikkende, met rochelende stem, om hulp en erbarming. De kloeke jongeling slingerde het mes verre weg en richtte zich op, terwijl een glimlach van zelfvoldoening en minachting om zijne lippen speelde. Zonder verder een woord te spreken zette hij zich aan tafel, at zijn brood, dronk zijn bier, en verwijderde zich.

De aanwezigen, door zijne moedige daad verrast en tevens ook door zeker gevoel voor recht gedreven, hadden eene herhaling van den strijd, waartoe de verslagen kerel, zoodra hij weer tot zich zelven gekomen was, wel gezind scheen, belet. Bij zijn vertrek beantwoordden de meesten zelfs den groet van den vreemdeling met zekeren eerbied: hij had metterdaad getoond een man te zijn, die zijn weerpartij durfde staan.

Dergelijke tooneelen, die niet altijd zoo goed afloopen, komen hier telkens voor. Vooral bij gelegenheid van de kermis wordt hier dikwijls gruwelijk gevochten; niet alleen worden, bij zulke gelegenheid, ernstige verwondingen toegebracht, maar het is meer dan eens gebeurd, dat een der strijdenden er het leven bij inschoot.

In Zeeuwsch-Vlaanderen werd en wordt nog heden, naar gelang van het ernstige van den twist, gevochten met messen, waarvan het lemmet ter helfte of voor een derde der lengte omwonden wordt. Dit geschiedt op verzoek van den gedaagde; het scherp wordt dan met garen omwoeld, tot van de punt niet meer dan de bepaalde lengte vrijblijft.

Somwijlen werden de twee strijders met een riem aan elkander gebonden, zoodat ontwijken of vluchten onmogelijk was. Het duel begon, en hield niet op, voordat een der beide vechtenden dood of doodelijk gewond ter aarde stortte, en den ander in zijn val medesleepte. Ik weet niet, of deze echt amerikaansche, barbaarsche gewoonte nog heden gevolgd wordt.

Zijn de aloude overleveringen van strijd en veete tusschen de verschillende streken, stammen, dorpen en geslachten nog niet geheel vergeten, evenmin is ze vergeten, de aloude traditie van trouwe vriendschap, onwankelbaar in voor- en tegenspoed, in blijde en in droeve dagen, trouw tot in den dood. Bij onze germaansche voorouders was het zede, dat door beide partijen eenige droppelen bloed in den met bier gevulden beker werden gemengd, dien twee vrienden met elkander ledigden: ten teeken dat die beiden nu voortaan onafscheidelijk verbonden waren, dat hun beider bloed als het ware één was geworden, en tusschen hen een band gelegd, dien hier op aarde alleen de dood vermocht te breken. Is deze aloude zede, deze ruwe, maar in haar symbolische beteekenis, haar kalmen ernst, zoo treffende handeling ook in onbruik geraakt--hoewel misschien niet geheel,--de naam van bloedvriend is nog niet uitgestorven, en daar zijn er nog, die ten volle waardig zijn dezen schoonen naam te dragen.

Naar men zegt is de zeeuwsche boer tegenover vreemden min of meer achterdochtig en wantrouwend; hij geeft zich niet licht bloot, en draagt niet, zoo als men zegt, het hart op de tong. Veeleer zal het een onbekende eenige moeite kosten, zijn vertrouwen te winnen en hem aan het praten te krijgen, en ook dan nog bepaalt hij zich, in den regel, tot het hoog noodige. Deze achterhoudendheid, aan de meeste landlieden eigen, is deels een gevolg van hunne meer afgezonderde levenswijze, deels ook van het natuurlijk wantrouwen, waarmede zij den stedeling, die in gansch andere verhoudingen leeft, die in denkwijze, overtuigingen, zeden, gewoonten zoo zeer van hen verschilt, dien zij niet begrijpen en die zeer dikwijls ook wederkeerig hen niet begrijpt, beschouwen. Veelvuldige onderlinge aanraking doet die wederzijdsche terughouding wel tot op zekere hoogte wijken; maar om velerlei redenen, kan niemand wenschen dat het kenmerkend onderscheid tusschen de steden en het platteland hierdoor werd opgeheven, dat de landlieden zich zooveel mogelijk in stedelingen herschiepen.

Wij kwamen van Axel, waar wij nog eenmaal, en nu voor het laatst, eene zeeuwsche kermis hadden aanschouwd: een tooneel, gelijk aan wat wij reeds zoo vaak elders hadden gezien, en dat dus niet op nieuw behoeft beschreven te worden. Het was een heerlijke najaarsdag, een dier liefelijke dagen, waarin de scheidende zomer nog even schijnt te keeren, en met zijn zoetsten glimlach ons tegenlacht; en terwijl wij met de oogen en met het hart het liefelijk landschap als indronken, dat ons met zijne stille eenvoudige pracht, met zijn vollen rijkdom, aan alle zijden omgaf, terwijl het gefluit en getjilp der haast vertrekkende vogelen ons in de ooren klonk, welden mij als onwillekeurig die schoone verzen van onzen Vondel uit de ziel:

Wat zongh het vrolyck vogelkyn, Dat in den boomgaert zat Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn Van ryckdom en van schat Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout, En versch gesproten lof! Hoe straelt de boterbloem als gout! Wat heeft de wiltzangh stof! Wat is een dier zyn vryheit waert! Wat mist het aan zyn wensch, Terwyl de vreck zyn potgelt spaert: O slaef! o arme mensch! Waer groeien eicken t' Amsterdam? O kommerzieke Beurs, Daer noit genoegen binnen quam! Wat mist die plaets al geurs! Wy vogels vliegen, warm gedost, Gerust van tack tot tack. De hemel schaft ons dranck en kost, De hemel is ons dack. Wy zaaien noch wy maaien niet: Wy teeren op den boer. Als 't koren in zyn airen schiet Bestelt al 't lant ons voêr. Wy minnen zonder haet en nyt, En dansen om de bruit: Ons bruiloft bint zich aen geen tyt, Zy duurt ons leven uit. Wie nu een vogel worden wil, Die trecke pluimen aen, Vermy de stad en straetgeschil, En kieze een ruimer baen.

Een juweeltje, niet waar? Voorwaar onze oude dichter, al was hij Amsterdammer met hart en ziel en al was de Warmoesstraat arm aan natuurschoon, had toch het leven der natuur bespied, mede in zijn hart gevoeld, en hare sprake verstaan. Dit tafreeltje weegt menige uitvoerige schilderij op. En de wijze raad, in schalkschen vorm, ten slotte gegeven,--niemand versmade dien: hij heeft ook nog in onzen tijd zijne volle waarde behouden. In waarheid, het is ons allen goed, nu en dan den vogelen gelijk te worden, de vleugelen des geestes te ontplooien, of, zoo als Vader Vondel het geestig zegt, pluimen aan te trekken, en ruimer baan te kiezen dan de warrelende en verbijsterende geschillen in staat en stad en huis, dan het verdoovend krijgsrumoer dat ons van alle zijden in de ooren klinkt. Voor geest en hart kan zulk eene gedaantewisseling niet dan gunstig zijn, al ware het slechts om met frisscher krachten en reiner zin terug te keeren tot den ernstigen strijd des levens, waartoe allen geroepen zijn, en die zoo zware plichten kan opleggen.

Aan de vlaamsche grenzen genaderd, traden wij eene eenvoudige woning binnen, half boerderij, half herberg. Het zag er daar van binnen niet rijk uit. Geen blinkend huisraad langs de wanden, geen porceleinen schotels en borden op den schoorsteenmantel; geen sierlijk gebeeldhouwde spinde in de kamer, wier naakte witte wanden geen ander pronkstuk droegen dan een oude karabijn, tegenover de breede schouwe, waaronder een turfvuur brandde, opgehangen. Geen enkel sieraad, dan alleen het eenvoudig kruisbeeld, dicht bij de slaapstede: het aandoenlijk kruisbeeld, hier, te midden van deze armoede, zoo roerend welsprekend, zoo dubbel eerbiedwaardig. Een man van middelbaren leeftijd zat aan de tafel; hij had zoo juist zijn maaltijd voleindigd, en was bezig een pijp aan te steken. Eene jonge vrouw, met een zacht en toch ernstig voorkomen, schommelde eene wieg, waarin een kind lag, dat met zijne groote donkerblauwe oogen zoo zonderling ernstig, zoo weemoedig bijna voor zich uit staarde, als voelde het nu reeds wat moeite en zorg en kommer het pas ingetreden leven brengen zou. Het is soms of op het onbewolkte kindergelaat reeds de schaduw valt der rampen, in de toekomst verborgen, of het heldere kinderoog, in schemerende omtrekken, de bittere beproevingen aanschouwt, die aanstaande zijn.

De man en de vrouw, blijkbaar naar de wereld schraal bedeeld, ontvingen ons met die eenvoudige waardigheid, die echte wellevendheid, even ver verwijderd van kruipende onderdanigheid als van krenkende aanmatiging, dien juisten aangeboren takt, die in onze burgerlijke eeuw schier het uitsluitend eigendom is van de echte aristokratie en van den onbedorven landbewoner. Zonder vragen en evenzeer zonder opdringen, werd het beste van hetgeen de armelijke woning bevatte te onzer beschikking gesteld. Veel was dit niet: de maaltijd van het gezin bestond uit salade met aardappelen, zonder olie, maar met veel azijn.....

De jonge moeder zong of liever neuriede, op half gedempten toon, een liedje om haar zuigeling in slaap te wiegen. Het was eene eigenaardige wijze, zwaarmoedig en vol van die zachte, roerende melancholie, die u uit de meeste volkszangen tegenklinkt. Stil ruischte het ongekunstelde naïeve liedeken door de kamer; en het was of het zonlicht, dat door het kleine venster naar binnen drong en een breede lichtstreep over den vloer en tegen den wand teekende, of het kalme, rustige herfstlandschap daar buiten, met zijne rossige tinten en warme tonen, of geheel die eenvoudige stille natuur en omgeving, aan het lied eene nieuwe bekoorlijkheid, eene hoogere beteekenis schonk. Ik luisterde; en zonderling werd het mij te moede, toen ik in het wiegeliedje, dat deze jonge moeder zong, het overoude Engelengebed herkende, dat, wie weet sinds hoevele eeuwen, in verschillende vormen, door millioenen gebeden is, overal waar volken wonen van germaanschen stam, van de Alpen tot de Noordzee, van den Oder tot den Rijn, in de Nederlanden, in Denemarken, in Engeland, in Zweden en Noorwegen. Zoo zong en bad de moeder, wel zeker niet wetende hoe vele moeders hetzelfde vóór haar gebeden en gezongen hadden: