Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 43

Chapter 433,781 wordsPublic domain

Op het groene vloerkleed zelf, en om het altaar geschaard, was een geheel heir van kardinalen en priesters in het rood, goud, purper, paars, wit en fijn linnen. Eenige, die van dezen waren afgedwaald, gingen door het gedrang af en aan, praatten met elkander, stelden anderen voor, of lieten zich zelven voorstellen en wisselden groeten; andere ambtenaren in gala-kleeding waren op gelijke wijze bezig. In het midden van die allen en van gluipende Jezuïeten, welke in- en uitslopen, en de uiterste rusteloosheid van Engelands jeugd, die onophoudelijk rondwandelde, zag men eenige weinige deftige personen in zwarte tabberden, welke, met hun aangezicht tegen den muur neergeknield, over hunne misboeken gebogen waren en onwillekeurig eene soort van gevleeschte menschen knippen werden, en met hunne eigene vrome beenen die van anderen bij dozijnen deden struikelen.

Naast mij op den grond lag een groote hoop kaarsen, welke aan al de geestelijken met veel ijver werden uitgedeeld, door een zeer oud man in eene roestige, zwarte kleeding met opengewerkten kraag, evenals een geknipt papieren zomerversiersel voor een vuurhaard. Elk kreeg er een. Zij slenterden er eenigen tijd mede rond en hielden ze onder den arm als een wandelstok, of in hunne handen als een staf van commando. Op zeker tijdstip der plechtigheid echter bracht een ieder zijne kaars naar den paus, legde ze dwars op diens knieën om ze te laten zegenen, nam ze weer weg en trok daarna af. Dit werd, naar gij kunt vooronderstellen, in een zeer gedunden optocht gedaan en duurde langen tijd. Niet als werd er veel tijd vereischt om eene kaars door en door te zegenen, maar omdat er zooveel kaarsen gezegend moesten worden. Eindelijk waren ze alle gezegend, en werden alle opgestoken; en toen werd de paus met stoel en al opgenomen en de kerk rondgedragen.

Ik moet bekennen, nooit iets gezien te hebben, dat zoozeer geleek naar het Engelsche herinneringsfeest van den vijfden November [37]. Een bos zwavelstokken en eene lantaren zou der gelijkenis de kroon hebben opgezet. Ook bedierf de paus de gelijkenis volstrekt niet, ofschoon hij een aangenaam en eerwaardig gelaat had; want daar dit gedeelte der plechtigheid hem duizelig en misselijk maakt, zoo sluit hij zijne oogen als ze plaats heeft; en als hij daar nu zoo zijne oogen houdt gesloten, en een grooten mijter op het hoofd heeft, en zijn hoofd heen en weer waggelt, naarmate hij onder het dragen geschud wordt, ziet hij er uit alsof zijn masker op het punt was van af te vallen. De twee reusachtige waaiers, welke altijd aan weerszijden worden gedragen, vergezelden hem natuurlijk bij die gelegenheid. Onderwijl hij gedragen werd, zegende hij het volk met het geheimzinnig teeken; en terwijl hij voorbijging, knielde het volk neer. Toen hij de kerk rond was geweest, werd hij weder teruggebracht, en, bedrieg ik mij niet, dan werd dit in het geheel driemalen gedaan. Voorzeker was er niets plechtigs of indrukwekkends in, en gewis zeer veel dat snaaksch en bont was. En deze aanmerking geldt de geheele plechtigheid, behalve het opheffen der hostie, toen elk man van de garde dadelijk op ééne knie viel en het bloote zwaard tegen den grond sloeg, dat eene schoone vertooning maakte.

Den volgenden keer toen ik de hoofdkerk zag, was het twee of drie weken naderhand. Ik klom toen naar den koepel; en daar men de gordijnen af- en het vloerkleed opgenomen, maar al het latwerk er gelaten had, zagen de overblijfselen van die versiersels er uit als een afgestoken vuurpijl.

Daar Vrijdag en Zaterdag plechtige feestdagen waren geweest, en de Zondag altijd een dag is welke niet meetelt in de carnavalsvermakelijkheden, hadden wij met eenig ongeduld en nieuwsgierigheid naar het begin der volgende week verlangd: dewijl Maandag en Dinsdag de laatste en beste carnavalsdagen zijn.

Des Maandagnamiddags ten een of twee uur begon er een groot geratel van rijtuigen op de plaats van het hotel, en liepen al de bedienden heen en weer. Nu en dan kwam er uit eene deur of op een balkon een of ander achtergebleven vreemdeling in eene maskerade-kleeding voor den dag, aan welk gewaad de persoon te weinig gewoon was om er zich met gemak in te bewegen en de volksmeening te trotseeren. Al de rijtuigen waren open, terwijl de voering zorgvuldig bedekt was met wit of gedrukt katoen, om te beletten, dat de zindelijke versiersels er van bedorven wierden door het aanhoudend werpen van suikergebak. Men zag de menschen in elk rijtuig, dat op het gezelschap wachtte, aan het daarin pakken en stoppen van verbazende zakken en manden vol suikergebak, en ook zulke hoopen bloemen in ruikertjes gebonden, dat sommige rijtuigen niet slechts vol waren van bloemen, maar er werkelijk van overliepen, en bij elken schok en dreun van de veeren iets van den overvloed op den grond wierpen. Om in die wezenlijke bijzonderheden niet achter te blijven, zorgden wij, twee tamelijk groote zakken suikergoed (waarvan elk omtrent drie voet hoog was) en eene groote baliemand, met bloemen gevuld, in alle haast in ons huurrijtuig, te doen plaatsen: welke schikkingen wij van onze plaats op een van de bovenste balkons met de levendigste voldoening gadesloegen. Daar de rijtuigen nu hun gezelschap begonnen in te nemen en weg te rijden, stapten ook wij in het onze en reden af, terwijl wij ons gelaat bedekten met kleine maskers van draadwerk; aangezien het suikergoed, evenals Falstaffs [38] vervalschte kanariewijn, met lijm was vermengd.

De Corso is eene straat van een mijl lang; eene straat van winkels, paleizen en burgerhuizen, die somtijds uitkomen op een ruim plein. Er zijn bijna aan elk huis veranda's en balkons, van alle gedaanten en vormen--alleen op ééne verdieping, maar dikwijls voor een of andere kamer op iedere verdieping--en, in het algemeen, daar met zoo weinig orde en regelmaat aangebracht, dat, indien het, jaar op jaar en jaargetij op jaargetij, balkons geregend, of gehageld, of gesneeuwd, of gewaaid had, zij ternauwernood op eene meer ongeregelde wijze konden neergevallen zijn.

Dit is de voornaamste bron en het hoofdbrandpunt van de carnavalsvreugd. Maar al de straten, waarin men vastenavond houdt, worden nauwkeurig door dragonders bewaakt en daarom is het voor rijtuigen noodzakelijk, dadelijk en naar volgorde door een anderen doortocht te rijden, en zoo op het Corso te komen, nabij het uiteinde dat het verst is verwijderd van de Piazza del Popolo, die het aan eene zijde begrenst. Alzoo kwamen wij tusschen de reeks van rijtuigen, en hotsten gedurende eenigen tijd vrij gerust mede, nu eens zeer langzaam voortsukkelende, dan weder eenige ellen dravende, en dan weer eens heel en al ophoudende, naarmate de voorsten meer of minder in het gedrang waren. Als eenig onstuimig rijtuig uit de reeks snelde en voorwaarts reed, met het wilde denkbeeld bezield, spoediger vooruit te komen, werd het plotseling ontmoet, of tegengehouden, door een dragonder, die, evenals zijn eigen getrokken zwaard, voor alle vertoogen doof, het onmiddellijk verzelde naar het uiterste eindje der rij, en het in het verschiet als een klein stipje deed voorkomen. Nu en dan hielden wij schutgevaarte van confetti met het rijtuig, dat het dichtst voor of achter ons reed, maar tot nog toe was het veroveren dezer zwervende en ronddolende rijtuigen door de militairen, het voornaamste vermaak.

Daarop kwamen wij in eene nauwe straat, waar eene reeks van rijtuigen op-, en eene andere afreed. Hier begonnen het suikergebak en de ruikers vrij aardig rond te vliegen; en ik was gelukkig genoeg een heer op te merken, uitgedost als een grieksch krijgsman, en welke een licht gesnorbaarden roover (die bezig was een ruiker te werpen naar een jonge dame, welke voor een venster op de eerste verdieping stond) op den neus raakte, met eene juistheid, die zeer sterk door de aanschouwers werd toegejuicht. Terwijl deze zegepralende Griek eene koddige aanmerking maakte tegen een dik heer, die in de deur stond--en half zwart en half wit was, alsof hij ter halver lijve afgeschilderd was--en die hem met het volvoeren van zijne heldendaad gelukgewenscht had, ontving hij, van den top van een huis, een oranje-appel juist op zijn linkeroor en was zeer verbluft. Voornamelijk daar hij toen overeind stond en het rijtuig op hetzelfde oogenblik plotseling voortging, zoodat hij schandelijk waggelde en zich onder zijne eigene bloemen begroef.

Nadat wij omstreeks een kwartier op die wijze waren voortgegaan, kwamen we op het Corso; en het zou moeielijk zijn, zich iets zóó vroolijks, zóó schitterends en levendigs voor te stellen, als het geheele tafereel daar was. Van de tallooze balkons (van de verste en hoogste even als van de laagste en meest nabij zijnde) fladderden in het schitterende zonlicht helder roode, groene, blauwe, witte en gouden gordijnen. Uit vensters, en van borstweringen, en van de toppen der huizen wapperden vlaggen van de rijkste kleuren, en draperieën van de vroolijkste en schitterendste tinten in de straten neer. De huizen schenen letterlijk het binnenste buiten gekeerd en al hunne vroolijkheid naar de straat gewend te hebben.

Uitstallingen van winkels werden ingenomen en de vensters, evenals loges in een schitterenden schouwburg, met gezelschap gevuld; deuren werden uit hare scharnieren gelicht en deden lange gangen zichtbaar worden, met tapijten versierd en met festoenen van bloemen en palmtakken behangen. Metselaars-stellages waren in prachtige tempels veranderd, schitterende van het zilver, goud en scharlaken; en in iederen hoek, en in elk holletje, van de voetpaden tot aan de toppen der schoorsteenen waar vrouwenoogen glinsteren konden, daar dansten en lachten en flonkerden zij, evenals het licht op het water. Iedere soort van betooverende, malle kleeding was daar aanwezig. Kleine, gekke, scharlaken buisjes; rare oude rijglijven, ondeugender dan de netste korsetten; Poolsche jassen, gespannen en nauw om het lijf sluitend, evenals rijpe kruisbessen; kleine Grieksche mutsjes, die schuins op het hoofd stonden en, de hemel weet op welke wijze, stevig op het donkere haar vastzaten. Iedere wilde, rare, stoute, bloode, korzelige dollemanssmaak werd opgeluisterd door eene kleederdracht; en iedere smaak was in de vroolijke drukte even spoedig door zijn vinder vergeten alsof de drie oude waterleidingen, die nog in haar geheel staan, dienzelfden morgen, over hare sterke bogen, de Lethe naar Rome hadden gevoerd.

De rijtuigen stonden nu bij drieën naast elkander; op breedere plaatsen vier; dikwijls moesten zij allen langen tijd stilstaan. Zij vertoonden zich altijd als een saamgepakten hoop van afwisselende schittering; en langs de geheele straat, te midden van een regen van bloemen, deden zij zich voor als bloemen van een grootere soort. Van sommige waren de paarden met prachtige dekken en tuigen versierd, bij andere waren zij van den kop tot de pooten met fladderende linten getooid. Enkele werden gereden door koetsiers met verschrikkelijke groote, dubbele mommen, waarvan het eene gezicht naar de paarden keek en het andere zijne buitengewone oogen naar het rijtuig wendde, en beide kletterend onder den hagel van suikergebak. Andere koetsiers waren als vrouwen gekleed, met krullen gekapt en zonder mutsen, en die, wanneer er eenige wezenlijke moeielijkheden met de paarden plaats hadden (dat bij zulk een samenloop van omstandigheden niets zeldzaams was,) er nog belachelijker uitzagen dan men verhalen of beschrijven kan. In stede van op de banken, in de rijtuigen te zitten, plaatsen zich de schoone Romeinsche vrouwen om beter te kunnen zien en gezien te worden, in dezen tijd van algemeene teugelloosheid, voorop, met hare voeten op de kussens--en o! de fladderende rokken en aardige middeltjes, de gezegende vormen en lachende gezichten, het vrije, goed geluimde, bevallige figuur dat ze vertoonden! Er waren ook groote rijtuigen, vol bekoorlijke meisjes--dertig of misschien meer te zamen,--en de volle lagen, die uit en naar deze branders vol toovernimfen gevuurd werden, vervulden de lucht gedurenden tien minuten, met bloemen en bonbons. Rijtuigen vol menschen, die lang op eene plaats moesten wachten, begonnen een geregelden aanval tegen andere rijtuigen, insgelijks met volk opgepropt, of tegen de lieden aan de benedenvensters; en somtijds mengden zich de toeschouwers, van een hooger gelegen balkon of venster in de grap, en ledigden, terwijl ze beide partijen aanvielen, groote zakken confetti, die als eene wolk neerkwamen, en ze, in een oogenblik, zoo wit maakten als molenaars. Weder volgen rijtuigen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen zonder ophouden. Mannen en jongens die zich aan de wielen en achter aan de rijtuigen vasthouden, en hun spoor volgen, en onder de pooten der paarden bukken, om de verspreide bloemen op te rapen en ze weer te verkoopen. Gemaskerden te voet (meestal de grappigsten) in phantastisch overdreven hofkleedingen, die het gedrang door monsterachtig groote lorgnetten beschouwen en altijd een aanval van liefde krijgen, op het gezicht van eene of andere oude dame aan een venster. Geheele rijen Policinelli, die in de rondte slaan met blazen, aan stokken vastgehecht; een wagen vol uitgelaten, razende en tierende dollemannen; een rijtuig vol ernstige mammelukken, benevens hun standaard met paardestaarten, in het midden; eene partij heidinnetjes, die het erg te kwaad hadden met een schip vol matrozen. Een man verkleed als een aap op een kruk, omgeven door vreemdsoortige dieren, met varkenskoppen en leeuwenstaarten, door hen onder den arm meegesleept of bevallig op den schouder gedragen. Rijtuigen volgen op rijtuigen, kleedingen op kleedingen, kleuren op kleuren, groepen op groepen, en dat zonder ophouden.

Wanneer men het aantal gemaskerden in aanmerking neemt, dan werden er misschien niet veel wezenlijke karakters volgehouden of voorgesteld, maar het hoofdvermaak van het tafereel is in de volkomen goede luim er van gelegen; in de schitterende, oneindige en flikkerende verscheidenheid, en dáárin, dat men zich geheel aan de gekke gril van het oogenblik overgeeft--en zóó geheel en al besmettelijk, onweerstaanbaar is het, dat de bedaardste vreemdeling, tot aan zijn middel in bloemen en suikergoed staande, evenals de wildste van al de Romeinen van zich afslaat, en tot halfvijf uur aan niets denkt, wanneer hij door het steken der trompet en door de dragonders, die hij (tot zijne bittere smart) de straten ziet schoonvegen, plotseling herinnerd wordt, dat hij daarvoor alléén niet op de wereld is.

Hoe de straat ooit schoongeveegd wordt voor den wedren, die ten vijf uur zal plaats hebben, en hoe de paarden voortrennen, zonder eenige lieden te vertrappen, is meer dan ik zeggen kan. Maar de rijtuigen vertrekken door de dwarsstraten, of langs de Piazza del Popolo, en een aantal menschen zitten in tijdelijk opgeslagen galerijen op het laatstgenoemde plein, en duizenden staan aan beide zijden er van, als de paarden op de Piazza gebracht worden, aan den voet van dezelfde kolom, welke, eeuwen geleden, neerzag op de spelen en wedrennen van den Circus Maximus.

Op een gegeven teeken vertrekken zij. Zij snellen, als de wind, voorbij de levende laan op het Corso: zonder berijders, zooals iedereen weet: met glinsterende versiersels op hunne ruggen en door hunne gevlochten manen gedraaid: en met kleine zware kogeltjes, vol punten, aan hunne zijden slingerende, om ze aan te prikkelen. Het gerinkel der versiersels, en het gekletter hunner hoeven op de harde steenen; de woede en snelheid van hunne vaart langs de weergalmende straten; ja, zelfs het kanon dat afgevuurd wordt--al dit geraas is niets bij het gejoel der menigte, hare kreten, het klappen in de handen. Maar het is spoedig gedaan--bijna dadelijk. Nog meer kanonschoten doen de stad dreunen. De paarden zijn door de tapijten gegaan, die over de straat zijn gespannen om ze tegen te houden; de eindpaal is bereikt; de prijzen zijn gewonnen (zij worden gedeeltelijk door de arme joden gegeven, als eene vergoeding, dat zij zelven niet in het renperk behoeven te loopen), en nu is er een einde aan de pret van den dag.

Maar indien het tafereel op den voorlaatsten dag schitterend en vroolijk en volgepropt is, bereikt het, den volgenden dag, zulk een rijkdom van glinsterende kleuren; er is zulk eene krioelende menigte en dartel rumoer, dat alléén de herinnering er van mij op het oogenblik nog duizelig maakt. Dezelfde vermaken, grootendeels verhoogd en versterkt door den ijver, waarmede ze nagejaagd worden, duren een langen tijd. De wedren vangt weder aan, de kanonnen worden afgevuurd, de kreten en het handgeklap worden herhaald; weder hoort men kanonschoten; de wedren is voorbij en de prijzen zijn gewonnen. Maar de rijtuigen, van binnen gevuld met suikergoed, zijn van buiten zoo bepoeierd en stoffig, dat men ze ternauwernood voor dezelfde voertuigen herkennen kan van drie uren vroeger. In plaats van zich in alle richtingen te verspreiden, verzamelen zij zich op het Corso, waar zij spoedig in elkander geklemd worden, als eene zich ternauwernood bewegende massa. Want het vermaak met de Moccoletti, de laatste vroolijke dolheid van den vastenavond, zal nu plaats grijpen; en verkoopers van kleine waskaarsen, evenals die, welke in Engeland kerstmiskaarsjes genoemd worden, schreeuwen lustig aan beide zijden van den weg: "Moccoli, Moccoli! Ecco Moccoli (ziehier waskaarsjes)!" een nieuwe kreet in het rumoer, die den anderen kreet, welke men reeds bij tusschenpoozen den ganschen dag boven alle andere heeft gehoord, den kreet namelijk van: "Ecco Fiori! Ecco Fior-r-r-i (ziehier bloemen)!" geheel en al overschreeuwt.

Wanneer de schitterende behangsels en kleedingen tegen het vallen van den avond eene nare, zwaarmoedige, algemeene tint aannemen, beginnen hier en ginds lichten te flikkeren: voor de ramen, op de toppen der huizen, op de balkons, in de rijtuigen, in de handen van voetgangers: langzamerhand; trapsgewijs; al meer en meer; totdat de gansche, lange straat ééne glansrijke en schitterende vlam is. Dan zoekt iedereen, daarbij tegenwoordig, maar één doel te bereiken, namelijk, de kaarsjes van andere lieden uit te dooven, en zijn eigen brandend te houden; en iedereen, man, vrouw of kind, heer of dame, vorst of landman, ingeboren of vreemdeling, gilt en schreeuwt en joelt zonder ophouden, om den overwonnene te bespotten: "Senza Moccolo, Senza Moccolo (zonder kaarsje)!" totdat men niets meer verneemt dan een reusachtig koor, dat deze beide woorden herhaalt, met een schaterend gelach vermengd.

Op dien tijd is het tafereel een der buitengewoonste dat men zich verbeelden kan. Rijtuigen, die langzaam voortrijden, terwijl iedereen op de zitplaatsen of voor op den bok staat, en zijn kaarsje, tot meerdere zekerheid, op armslengte van zich af houdt; sommigen in een papier als een peperhuisje: anderen met een hoop onbeveiligde kaarsjes, allen brandende; eenigen met brandende fakkels; anderen met kleine dunne kaarsjes; voetgangers, die tusschen de wielen doorkruipen om hunne kans af te wachten en naar een bijzonder licht te springen en het uit te slaan; anderen tegen de rijtuigen opklimmende, om zich met geweld van de lichtjes meester te maken. Eenigen jagen een ongelukkigen voetganger om zijn eigen rijtuig heen, ten einde het licht, dat hij ergens gekregen of gestolen heeft, uit te blazen, vóórdat deze bij zijn gezelschap, in het rijtuig stapt, en het in staat kan stellen hunne uitgeblazen kaarsjes te ontsteken. Weder anderen, die, met den hoed in de hand, aan het portier van een rijtuig staan en nederig eene of andere goedhartige dame een vlammetje verzoeken, om eene sigaar op te steken; en wanneer zij nog in twijfel staat of ze het doen zal of niet, deze de kaars uitblaast, welke zij met zooveel teederheid in haar handje gevat hield; andere lieden aan het venster, die met lijnen en hoeken naar kaarsjes visschen, of lange wilgen-teenen, aan welker einde zakdoeken gebonden zijn, naar beneden houden, en de kaarsjes behendig uitslaan, wanneer de eigenaar er trotsch op is dat ze nog branden; anderen, die hun slag waarnemen, op hoeken van straten, met verschrikkelijk groote dompers evenals hellebaarden, en die plotseling op vlammende fakkels nedervallen; weder anderen, die om eene koets staan en daar blijven staan; anderen, die eene kleine koppige lantaren onder een regen van oranjeappelen en ruikers pogen te bedelven, of in geregelden aanval eene piramide van menschen bestormen, die een man in de hoogte beuren, welke een klein, dun kaarsje boven zijn hoofd houdt, waarmede hij ze allen tart! Senza Moccolo! Senza Moccolo! Schoone vrouwen, die in de rijtuigen staan, en spottend naar uitgedoofde lichten wijzen en onder het voorbijrijden in hare handen klappen, en uitroepen: "Senza Moccolo! Senza Moccolo!" Lage balkons vol lieve gezichtjes en bevallige kleedingen, strijdende tegen aanvallers op straat. Eenige houden ze terug als zij er tegen opklimmen, eenige die zich naar omlaag buigen, eenige die overleunen en eenige die achteruitspringen--keurig gevormde armen en borstbeelden--figuren vol bevalligheid--brandende lichten, fladderende kleederen. Senza Moccolo, Senza Moccolo, Senza Mo-cco-loo-o-o-o!--totdat, in de allergrootste geestdrift van het geschreeuw en de dolste verrukking van de pret, de klokken het Ave-Maria luiden en de vastenavond terstond is geëindigd--als eene waskaars uitgeblazen, met één ademtocht.

Des avonds was er een gemaskerd bal in den schouwburg, even naar en vervelend als een te Londen, en alléén opmerkelijk wegens de bondige wijze, waarmede de zaal ten elf uur ontruimd werd; hetwelk geschiedde door eene rij soldaten, die zich op den achtergrond van het tooneel tegen den muur schaarde, en, evenals een groote bezem, het geheele gezelschap voor zich uitdreef. De pret met de Moccoletti (in het enkelvoud is het Moccoletto, dat eene verkleining van Moccolo is, en eene kleine lamp of kaars beteekent) wordt door sommigen voorondersteld eene belachelijke rouw plechtigheid te zijn voor de overlijdende vastenavondvreugd--daar kaarsen bij een katholieken rouw onmisbaar zijn.

Maar of het zoo is, dan of het een overblijfsel der oude Saturnalia zij, of eene samenstelling van beide, of zijn oorsprong aan iets anders te danken hebbe--altijd zal ik mij de pret herinneren als een allerschitterendst en bekoorlijkst gezicht; niet minder opmerkelijk wegens de goede luim van allen, die er bij tegenwoordig waren, zelfs tot de heffe des volks (en onder degenen, welke op de rijtuigen klommen, waren onderscheidene mannen en jongens van de gemeenste klasse), als om zijne onschuldige levendigheid. Want, hoe vreemd het ook moge klinken, voor een spel, zóó vol gedachteloosheid en waardoor de persoonlijke bevalligheden zoozeer aan den dag worden gelegd, is het zoo vrij van eenige smet van onzedelijkheid als eenige algemeene vergadering der beide geslachten met mogelijkheid zijn kan; en terwijl het aan den gang is, schijnt er in het algemeen een gevoel van bijna kinderlijke eenvoudigheid en vertrouwen te bestaan, dat men zich met smart herinnert, als het Ave-Maria het voor een geheel jaar heeft uitgeluid.

Gebruik makende van een gedeelte van de stille verpoozing tusschen het einde van de vastenavondvreugde en het begin der Heilige Week, gingen wij gemoedelijk aan het werk, om Rome te zien; en daar wij iederen ochtend vroegtijdig uitgingen, en elken avond laat terugkwamen, en den geheelen dag hard werkten, zoo geloof ik, dat wij bekend raakten met iederen paal en pilaar der stad en van de naastbijgelegene streken, en voornamelijk zoovele kerken bezochten, dat ik dit gedeelte van de onderneming geheel opgaf vóór het half voleindigd was; daar ik anders, wat mij betreft, zoo lang ik leef nooit weder een voet in eene kerk gezet zou hebben. Maar ik droeg er zorg voor, dat ik bijna iederen dag, hetzij vroeg of laat, naar het Coliseum ging, of naar buiten in het open veld, aan gene zijde der graftombe van Cecilia Metella.