Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 42
Er zijn eenige bezienswaardige, oude paleizen in de stad, die zeer oud is, en die, zonder mij de belangstelling van Verona en Genua in te boezemen, zeer droomerig en phantastisch en allerbelangwekkendst is.
Zoodra wij deze zaken gezien hadden, reden wij verder, door eene vrij schrale landstreek (daar waren tot nu toe niets dan wijngaarden, die om dezen tijd van het jaar veel naar wandelstokken geleken) en hielden, als gewoonlijk, tusschen een en twee uren op het midden van den dag stil, om de paarden te laten rusten--daar iedere Vetturino zulks te voren bedingt. Daarna reden wij verder, door eene streek, die trapsgewijs schraler en woester en eindelijk zoo bar en akelig werd als de Schotsche moerassen. Toen het duister was geworden, hielden wij op aan de osteria (herberg) van La Scala, een geheel eenzaam huis, waar het huisgezin om een vuur zat, dat in de keuken op een steenen verhevenheid, drie of vier voet boven den grond, aangelegd was, en dat groot genoeg was om er een os voor te braden.
Op de bovenste en ook de eenige verdieping van dit logement was eene groote zaal, die er woest uitzag, met een klein venstertje in een hoek, en vier zwarte deuren, die in verschillende richtingen toegang verleenden naar vier donkere slaapkamers. Om nog niet eens te spreken van eene andere groote, zwarte deur die toegang verleende naar eene andere groote, donkere zaal, waar men, door een soort van luik in den vloer, dadelijk op eene trap kwam en waar de daksparren boven uw hoofd zichtbaar waren; noch van een kleinen hoop argwaanwekkende lieden, die zich in een donkeren hoek van de kamer verborgen, in welke al de messen van het huis in verschillende richtingen verspreid lagen. De haard was van de zuiverste Italiaansche bouworde, zoodat het, door den rook, volslagen onmogelijk was dien te kunnen onderscheiden. De herbergierster geleek naar de vrouw van een roover uit een drama, en droeg hetzelfde hoofddeksel. De honden blaften alsof ze dol waren; de echo's weerkaatsten die wellevendheden. Daar was geen ander huis, twaalf mijlen in het rond, en de zaken hadden een treurig voorkomen, of liever dat van een moordhol.
Dit verbeterde niet, toen ons geruchten van roovers ter oore kwamen, die, weinige nachten geleden, sterk in aantal en stoutmoedig ronddoolden, en den postwagen in de nabijheid dezer plaats hadden aangehouden. Het was bekend dat zij, nog niet lang geleden, eenige reizigers op den berg Vesuvius zelven overvallen hadden, en men sprak van hen in al de herbergen, aan den weg gelegen. Daar wij er evenwel niets mede te maken hadden (omdat wij weinig verliezen konden), zoo lachten wij er mede, en waren spoedig zoozeer op ons gemak als noodig was. Wij namen het gewone middagmaal in dit eenzame huis; en wanneer men er zich aan heeft gewend, is het een zeer goed middagmaal. Er wordt iets opgebracht met groenten of rijst er in, dat eene soort van vergoeding is van een willekeurigen aard voor soep, en dat vrij wel smaakt als ge het gekruid hebt met veel geraspte kaas, rijkelijk zout en overvloedig peper. Er is een halve vogel, waarvan de soep is gekookt geworden. Er is eene gestoofde duif, waaromheen de maag en de lever van haar zelve en die van andere vogels liggen. Er is een stukje gebraden vleesch, zoo groot als een klein Fransch broodje. Er is een stukje Parmezaansche kaas, en vijf kleine, verkleurde appelen, alles door elkander op een kleinen schotel gehoopt, en tegen elkander aangedrukt, alsof ze beproefden de kans te ontkomen van opgegeten te worden. Dan is er koffie, en een bed. Gij maalt niet om een steenen vloer; gij maalt niet om onsluitbare deuren of open- en dichtslaande vensters; gij maalt er niet om of uwe eigen paarden onder het bed gestald en zoo dicht bij u zijn, dat ge iederen keer wakker wordt, als er een paard hoest of niest. Als gij goed geluimd zijt tegen de menschen in uwe nabijheid, en aardig spreekt, en er vroolijk uitziet, geloof mij vrij, dan kunt ge, zelfs in de ergste Italiaansche herberg, wel onthaald worden, en altijd op de verplichtendste wijze;--en van het eene eind van de landstreek naar het andere gaan (in weerwil van alle vertelseltjes, die het tegendeel verhalen) zonder dat uw geduld ergens geducht op de proef zal gesteld worden. Voornamelijk niet indien gij zulken wijn in mat-flesschen krijgt, als de Orvieto of de Monte Pulciano.
Het was een gure ochtend toen wij deze plaats verlieten; en wij trokken, gedurende twaalf mijlen, door eene streek, even bar, even steenachtig en even woest als Cornwallis is in Engeland, totdat wij Radicofani bereikten, waar eene spookachtige geestenherberg is, vroeger een jachtslot, toebehoord hebbende aan de hertogen van Toskane. Het is zóó vol van slingergangen en groote kamers, dat al de spook- en moord verhalen, die ooit geschreven zijn, in dit huis hun oorsprong kunnen gehad hebben. Daar zijn eenige verbazend oude paleizen in Genua; één voornamelijk, dat er van buiten veel naar gelijkt; maar dit huis te Radicofani is zulk een winderig, krakend wormstekig, rammelend verblijf, waarvan de deur gedurig open- en dichtslaat, en waar men geen voet op de trappen kan zetten zonder uit te glijden, als ik nooit ergens anders gezien heb. De stad, zooals ze dan is, ligt langs de helling van een heuvel boven het huis, en er vlak tegenover. De inwoners zijn allen bedelaars; en zoodra zij een rijtuig zien aankomen, gieren ze naar omlaag en er op aan, als zoovele roofvogels.
Toen wij de bergengte bereikt hadden, die aan gene zijde der stad ligt, begon de wind (gelijk zij ons in de herberg gewaarschuwd hadden) zoo hevig op steken, dat wij verplicht waren mijne wederhelft uit het rijtuig te halen, om haar niet met rijtuig en al te laten omverwaaien, en ons aan den kant, van waar de wind kwam, er aan vast te klemmen (zoo goed als wij van 't lachen konden), om het rijtuig te verhinderen weggevoerd te worden, de Hemel weet waarheen. Wat de kracht van den wind betreft, zoo zou die landorkaan kunnen wedijveren met eene windvlaag in den Atlantischen Oceaan en eene redelijke kans hebben om de zege te behalen. De rukwind kwam aanzetten, gierende door de breede kloven, tusschen de rij bergen ter rechterzijde; zoodat wij met wezenlijken angst naar een groot moeras, ter linkerzijde, staarden, en zagen dat er geen heester of takje was om er ons aan vast te houden. Het scheen alsof wij, eenmaal door een wind opgenomen, naar zee of in de ruimten moesten gedreven worden.
Het sneeuwde en hagelde en regende en bliksemde en donderde, en er heerschte eene neveljacht, die met ongeloofelijke snelheid voortdreef. Het was uiterst donker en akelig; er waren bergen boven bergen, in sombere wolken gehuld; en er was overal zulk eene vinnige, jagende, hevige, woelige haast, dat het tooneel er onuitsprekelijk opwekkend en grootsch door werd.
Desniettemin was het eene groote verlichting, toen wij het achter den rug hadden, zelfs nu wij het nare, morsige Kerkelijk Gebied moesten overtrekken. Wij kwamen door twee stadjes; in een van welke, Acquapendente, juist een carnavalsfeest gevierd werd, bestaande in een man, gekleed en gemaskerd als eene vrouw, en eene vrouw, gekleed en gemaskerd als een man, die op droefgeestige wijze tot over de enkels in het straatslijk liepen. Daarna kwamen wij tegen donker in het gezicht van het meer van Bolsena, op welks oever eene stad van denzelfden naam ligt, die beroemd is om hare moeraskoorts. Buiten die armoedige stad is er op de oevers van het meer of in de nabijheid er van geen enkel stulpje (want niemand waagt het er te slapen), noch eene boot op het water, noch een stronk of struik om de akelige eentonigheid van zeven en twintig waterige mijlen te breken. Wij kwamen laat aan, daar de wegen door de sterke regens slecht waren geworden; en toen het donker werd, was het tooneel zóó akelig, dat het volstrekt niet te dulden was.
Den volgenden avond kwamen wij met zonsondergang op een geheel ander en nog schooner tooneel van verwoesting. Wij waren Montefiascone (beroemd om zijn wijn) en Viterbo (om zijne fonteinen) doorgetrokken, en nadat wij een heuvel, van acht of tien mijlen uitgestrektheid hadden beklommen, kwamen wij plotseling aan den zoom van een eenzaam meer. In een gedeelte was het zeer schoon met een welig bosch, en in een ander zeer onvruchtbaar, en ingesloten door zwarte vulkanische heuvels. Waar zich nu het meer bevindt was voorheen eene stad, welke op zekeren dag werd verzwolgen; en in plaats er van kwam er dit water. Er bestaan oude overleveringen (welke men in onderscheiden streken der wereld vindt), dat men de verdronken stad kon zien, als het water helder was; doch hoezeer de mogelijkheid er van bestaat, van deze plek gronds is zij verdwenen. De grond kwam daar opborrelen tegelijk met het water, en daar staan ze nu als geesten, achter wie de andere wereld zich heeft gesloten, en die geen middel hebben om er terug te keeren. Zij schenen op de naastvolgende aardbevingen, in den loop der eeuwen, te wachten, wanneer zij weder in den grond zouden duiken, zoodra die zijne kaken opsparde, en niet weer gezien zullen worden. De ongelukkige stad daaronder is niet meer verloren en treurig dan deze verschroeide heuvels en het stilstaande water er boven. De roode zon zag er vreemd op neer, als ware het deze bewust, dat zij voor holen en duisternis waren gemaakt, en het landziekige water kabbelde en kletste over het slijk, en kroop traag tusschen het moerassige gras en riet, alsof het verzwelgen van al de oude torens en nokken van huizen, en de dood van al het vroegere volk daar geboren, thans zwaar zijn geweten drukte.
Een kleine rit bracht ons van dit meer naar Ronciglione; eene kleine stad, die naar een groot varkenskot geleek, waar wij den nacht doorbrachten. Den volgenden dag ten zeven uur reisden wij naar Rome af.
Dadelijk nadat we 't varkenskot hadden verlaten, kwamen wij in de Campagna Komana (eene golvende vlakte, naar gij weet), waar weinige menschen kunnen leven; en waar, mijlen en mijlen ver, niets is dat de schrikbarende eentonigheid en naargeestigheid afwisselt. Van alle soort van omstreken, welke bij eenige mogelijkheid buiten de poorten van Rome kunnen liggen, is deze de meest gepaste en geschiktste begraafplaats voor de Doode Stad, zoo somber, zoo doodsch; zoo geheim in het overdekken en verbergen van groote massa's puinhoopen; zoo geheel gelijk aan de woeste plaatsen in welke de menschen, door duivels bezeten, in de oude dagen van Jeruzalem gewoonlijk hun akelig gehuil gingen maken en zich verscheuren. Wij moesten dertig mijlen van die Campagna doortrekken; en gedurende twee en twintig van deze, gingen wij voort en voort, zonder iets te zien dan nu en dan een afgezonderd huis, of een herder met een schurkachtig voorkomen, met gevlochten haren, die hem over het geheele gezicht hingen, en hij zelf tot aan de kin in een smerigen bruinen mantel gewikkeld, zijne schapen weidende. Toen wij dien afstand hadden afgelegd, hielden wij stil om de paarden te voeren en een twaalf-uurtje te gebruiken in eene gemeene, afschrikkende, kleine herberg, die er uitzag als ware zij door de moeraskoorts aangetast; waarvan elke plek van muur en balk er binnen (als naar gewoonte) op zulk eene ellendige wijze beschilderd en versierd was, dat elk vertrek er uitzag als ware het de buitenzijde eener andere kamer, en, met zijne ellendige nabootsing van draperieën en de kleine, hoekige, gekladde liertjes, het voorkomen had alsof men daartoe het tooneel van een reizenden paardrijderstroep had uitgeplunderd.
Toen wij weder weggereden waren, begonnen wij met volslagen koortsachtige inspanning naar Rome uit te zien; en toen, nog een paar mijlen verder, de Eeuwige Stad eindelijk in het verschiet voor ons gezicht oprees, geleek zij--ik ben half en half bevreesd het woord terneder te schrijven--op Londen!!! Daar lag zij onder eene dikke wolk, met tallooze torens en torenspitsen en daken van huizen ten hemel stijgende; en boven dat alles stak een koepeldak uit. Ik geef de verzekering, dat, hoe sterk ik ook de blijkbare ongerijmdheid der vergelijking gevoelde, zij op een afstand zoozeer op Londen geleek, dat, had ge haar mij door een kijkglas getoond, ik haar voor niets anders zou hebben gehouden.
ROME.
Wij reden op den dertienden Januari, omstreeks vier uur in den achtermiddag, door de Porta del Popolo, de Eeuwige Stad binnen, en kwamen onmiddellijk--het was een donkere, modderige dag, en het had hevig geregend--aan de uiterste grenzen van de vastenavondvreugd. Wij wisten toen nog niet, dat wij alleen het uitschot der gemaskerden zagen, die langzaam de Piazza rondreden, totdat zij eene goede gelegenheid konden vinden om tusschen de massa rijtuigen en ter goeder tijd in het midden van de vreugd te geraken. Maar wij voor ons, zoo plotseling er tusschen te komen, bestoven en vermoeid door de reis, waren niet goed voorbereid om het tooneel te genieten.
Wij waren twee of drie mijlen te voren over den Tiber getrokken, bij de Ponte Molle. Hij zag er zoo geel uit als hij behoorde te zien, en beloofde, terwijl hij tusschen zijne oude en modderige oevers stroomde, een gezicht van verval en verwoesting. De vermommingen aan het einde der vastenavondvreugd weerspraken deze belofte. Daar waren geene groote bouwvallen, geene statige teekens der oudheid, te zien;--zij liggen allen aan de andere zijde der stad. Daar schenen lange straten met gewone huizen en winkels te zijn, zooals in iedere andere Europeesche stad kunnen gevonden worden; er was bezig volk, rijtuigen, gewone wandelaars en eene menigte kakelende vreemdelingen. Het was evenmin mijn Rome (het Rome van iemands verbeelding, hetzij man of jongen: ontaard en vervallen en sluimerende in de zon te midden van eenige puinhoopen), als de Place de la Concorde te Parijs er op gelijkt. Een bewolkte hemel, een akelige, koude regen en morsige straten, alles had ik verwacht, maar niet dit; en ik beken, dat ik mij dien avond naar bed begaf in een vrij ontstemd humeur en met eene vrij aanmerkelijk verminderde geestdrift.
Zoodra wij den volgenden dag uitgingen, snelden wij naar de St.-Pieterskerk. Zij deed zich in de verte verschrikkelijk groot voor; maar toen wij er naderbij kwamen, zag zij er vergelijkenderwijze, vrij klein uit. Niets kan de schoonheid van het plein, waarop zij staat, met zijne rijen keurige kolommen en zijne spuitende fonteinen--zoo frisch, zoo ruim, en vrij, en schoon--te boven gaan. Het eerste gezicht op het inwendige, met al die uitvoerige majesteit en glorie, en het allermeest het opzien naar den koepel, verwekt een gevoel dat nimmer te vergeten is. Maar, er waren toebereidselen voor een Festa gemaakt. De pilaren van trotsch marmer werden met eenige uitstekend roode en gele lappen omwikkeld; het altaar en de ingang tot de onderaardsche kapel (die er voor is, in het midden der kerk) waren gelijk aan een goudsmidswinkel of een der eerste tooneelen van een zeer schitterende pantomime. En hoewel ik (naar ik hoop) de schoonheid van het gebouw zoo diep mogelijk gevoelde, werd ik niet sterk getroffen. Ik ben oneindig sterker aangedaan geworden in vele Engelsche hoofdkerken, wanneer het orgel speelde, of in menige Engelsche dorpskerk, als de gemeente aan het zingen was. In de hoofdkerk van St. Marcus te Venetië had ik eene veel sterker gewaarwording van geheimzinnigheid en verwondering.
Toen wij weder buiten de kerk kwamen (wij stonden omtrent een uur te staren naar den koepel, en zouden de hoofdkerk toen voor geen prijs ter wereld hebben voorbijgegaan), zeiden wij tot den voerman: "naar het Coliseum." Binnen een kwartier hield hij stil voor de poort en wij gingen er binnen.
Het is geene verbeelding, maar klare, droge, eerlijke waarheid, als ik zeg, dat het op dit uur zoo duidelijk is en u zoo bezielt, dat, wie het ook begeert,--door er binnen te treden--gedurende een oogenblik, het geheele groote beeld zich voor den geest kan halen, zooals dit er vroeger uitzag, met duizenden van vinnige aangezichten, die in het strijdperk neerzagen, benevens een maalstroom van gevechten, en bloed en stof, welken geen taal vermag te beschrijven.
De eenzaamheid, sombere schoonheid en volslagen verwoesting er van vallen den vreemdeling in het volgende oogenblik op het hart als eene gelenigde smart; en wellicht zal hij nooit in zijn leven zich derwijze bewogen en getroffen gevoelen door een gezicht, hetwelk niet onmiddellijk in verband staat met zijne eigen genegenheid of verdriet.
Het daar te zien, hoe het elk jaar een ziertje afkruimelt; zijn muren en bogen met groenende kruiden begroeid; zijne portalen voor den dag geopend; het lange gras in zijne portieken groeiende; jonge boompjes, die opschieten uit zijne gehavende borstweringen en vruchten dragen, en een toevallig voortbrengsel zijn van de zaden, die er de vogels hebben laten vallen, welke hunne nesten hebben gebouwd in zijne scheuren en spleten; zijne kampruimte met aarde gevuld en het vreedzame kruis in het midden geplaatst te zien; naar de bovenverblijven te klimmen en van daar neder te zien op puinhoopen, niets dan puinhoopen en puinhoopen overal; de zegebogen van Constantijn, Septimus Severus en Titus; het Romeinsche Forum, het paleis der Cesars; de tempels van den ouden godsdienst, ingestort en verdwenen: dit alles is het zien van den geest van oud Rome, de snoode, wonderbaarlijke, oude stad, op denzelfden grond spokende waarop zijne bevolking trad. Het is het indrukwekkendste, statigste, luisterrijkste en treurigste gezicht, waarvan men zich een denkbeeld kan vormen. Nooit kan het gezicht van het reusachtig Coliseum in den bloedigsten bloei er van, en toen het vol en overvol was van het wakkerste leven, het hart zóó bewogen hebben als het allen moet treffen, die er thans op neerzien, nu het een puinhoop is. God zij geloofd, een puinhoop!
Evenals het uitsteekt boven de andere bouwvallen, en er staat als een berg tusschen graven, zoo heeft zijn vroegere invloed al de andere overblijfselen van de oude godenleer en oude slachtwoede van Rome, in Rome's trotsche en wreede bevolking overleefd. De Italiaansche gelaatstrekken veranderen naarmate de vreemdeling de stad nadert; de schoonheid er van wordt duivelsch en onder het gemeene volk op straat is er onder de honderd aangezichten nauwelijks één, dat zich morgen in een hernieuwd Coliseum niet thuis zou gevoelen.
Hier was eindelijk Rome inderdaad; en zulk een Rome als niemand zich in de volle en ontzaglijkste grootschheid er van zou kunnen voor den geest brengen! Wij gingen langs den Appiaanschen Weg er uit, en trokken mijlen ver voort, tusschen graven die in puinhoopen lagen en vernielde muren, met hier en daar een vervallen en onbewoond huis. Wij kwamen voorbij den Circus van Romulus, waar de renplaats der wagens, de plaatsen der rechters, der mededingers en toeschouwers nog even duidelijk zijn te zien als in ouden tijd. Wij kwamen voorbij het graf van Cecilia Metella--en elke omheining, heg, of stuk muur, of schutting--naar de open Campagna, waar, aan deze zijde van Rome, niets is te zien dan puinhoopen. Uitgezonderd dáár, waar de afgelegen Apennijnen het uitzicht ter linkerzijde bepalen, is het geheele, ruime verschiet één onafgebroken veld van ruïnen. Gebroken waterleidingen, waarvan de schilderachtigste partijen van bogen zijn overgebleven; gebroken tempels; gebroken graven. Eene woestenij van ruïnen, wier somberheid en verwoesting geene uitdrukking vermag af te schilderen, en waarvan elke steen, die er op den grond verspreid ligt, eene geschiedenis verhaalt.
Op Zondag nam de paus deel aan het bedienen der hoogmis in de St.-Pieterskerk. De indruk, door de hoofdkerk bij dat tweede bezoek op mijn geest gemaakt, was volkomen gelijk aan den eersten, en aan wat die is gebleven nadat ik ze veel malen had bezocht. Zij maakt geen godsdienstig effect. Het is een verbazend groot gebouw, waarin geen enkel punt is waarop het oog kan rusten, dat vermoeid wordt van het aanhoudend omdwalen. De ware bestemming der plaats is niet uitgedrukt in iets van hetgeen gij er ziet, tenzij ge het in de bijzonderheden onderzoekt--en alle onderzoek van détails is niet overeenkomstig met de plaats zelve.
Zij kan een Pantheon, of een Senaathuis, of een groot architectonisch zegeteeken wezen, dat geen ander doel heeft, dan een triomf der bouwkunst. Wel is waar, er is onder een rood verhemelte, een zwart standbeeld van St. Pieter, dat meer dan levensgroot is, en welks groote teen aanhoudend wordt gekust door goede Katholieken. Dit nu moet u wel in de oogen vallen, daar het zoozeer vooruitspringt en populair is. Maar het verhoogt den indruk der kerk, als kunstgewrocht, niet, en drukt--voor mij althans--hare verheven bestemming niet uit.
Eene breede ruimte achter het altaar was voorzien van loges, in vorm gelijk aan die van de Italiaansche opera te Londen, maar wat de versiering aangaat, veel zwieriger. In het midden van die soort tooneelzaal, aldus afgeperkt, was eene zitplaats met verhemelte, waar 's pausen zetel stond. Het plaveisel was bedekt met een helder groen vloerkleed, hetwelk met dat groen, en met het onverdraaglijke rood en karmozijn en de gouden randen der behangsels, een geheel vormde, dat er uitzag als een verbazend groot bonbon. Op elke zijde van het altaar was eene groote loge voor vreemde dames in zwarte kleederen en zwarte sluiers. De heeren van de pauselijke lijfwacht, met roode rokken, leeren broeken, en rij-stevels, bewaarden die afgesloten ruimte met getrokken zwaarden, die in elk opzicht tot sieraad dienden; en van het altaar langs het geheele schip was er een breede doorgang afgezet, door de Zwitsersche garde van den paus, die een wonderlijk gestreepten rok droegen en gestreepte spanbroeken, en hellebaarden, gelijk aan dezulke, welke gewoonlijk rusten op de schouders van zoodanige tooneelmatige bijvoegsels, die nooit snel genoeg van het tooneel kunnen gaan, en die men gewoonlijk kan zien slenteren in het vijandelijke legerkamp, zoo eenige stuip der natuur het open veld, door de andere partij bezet, in het midden doorspleet.
Ik ging tot aan den rand van het groene vloerkleed, in gezelschap van eene groote menigte andere heeren, die in het zwart waren (er wordt geen ander paspoort vereischt), en stond er, gedurende de mis, op mijn gemak. De zangers bevonden zich in een vertrekje van draadwerk (gelijkende naar eene groote vliegenkast of vogelkooi) in een der hoeken, en zongen op afgrijselijke wijze. Overal rondom het vloerkleed was eene menigte volk, dat zich langzaam bewoog, en met elkander praatte en door kijkglaasjes naar den paus gluurde, en, in oogenblikken van steelswijze nieuwsgierigheid, de een den ander afstootte van gevaarlijke plaatsjes op de voetstukken van pilaren, en de dames op afschuwelijke wijze aangrijnsde. Hier en daar waren troepjes monniken (Franciskanen of Kapucijnen, in hunne grove, bruine kleederen en spitse hoeden), welke vreemd afstaken bij de zwierige geestelijken van hooger rang, en wier nederigheid op het hoogst voldaan moest zijn over de stooten, die ze rechts en links en alle aan zijden van schouders en ellebogen ontvingen. Eenigen van hen droegen bemodderde sandalen en zonneschermen en gevlekte kleederen, daar zij van het land waren aangekomen.
De gelaatstrekken van het grootste aantal waren zoo grof en plomp als hunne kleeding; hun grommig, dom en eentonig staren op al den glans en pracht had iets aan zich, dat half ellendig en half belachelijk was.