Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 37

Chapter 373,805 wordsPublic domain

Dit gebeurt te middernacht. Den volgenden ochtend te vier uur is hij reeds weder op, frisscher dan eene pas ontloken roos. Hij stookt vlammende vuren, zonder de minste vergunning van den waard, en levert ons kroezen kokende koffie, als niemand zich iets anders dan koud water kan verschaffen; en loopt de donkere straten rond, en schreeuwt om versche melk, of wellicht iemand, die eene koe bezit, uit zijn bed stapt, om hem er van te voorzien. Terwijl we op de paarden wachten, doe ik een uitstapje in de stad. Zij schijnt één enkel plein te vormen, en daarbij een koude vochtige wind die afwisselend in en uit de bogen waait; en, om zoo te zeggen, een soort van patroon vormt. Maar het is stikdonker en het stortregent, en ik zou haar morgen niet herkennen indien ik daar teruggevoerd werd om het te beproeven. Dat de hemel verhoede!

De paarden zijn er binnen omtrent een uur. In den tusschentijd vloekt de voerman, en slaat nu eens christelijke en dan weer heidensche vloeken uit. Is het somtijds een lange, samengestelde vloek, dan begint hij met het christendom en daalt tot in het heidendom neer. Er worden verschillende boden afgezonden; niet zoozeer om de paarden, als wel om elkander op te zoeken; want de eerst gezondene komt maar niet terug, en de rest doet als hij. Eindelijk komen de paarden aan, door al de boden omringd, die ze deels schoppen, deels voorttrekken, terwijl allen ze een vloed van scheldwoorden toevoegen. Daarop nemen de oude priester, de jonge priester, de advocaat, de Toskanees en wij allen onze plaatsen; en er wordt uit de deuren van schuurtjes op verschillende plaatsen van het binnenplein door slaperige stemmen uitgeroepen: "Addio corrière mio! Buon' viaggio, corrière!" (Vaarwel, lieve koerier! Goede reis, koerier!) Er worden groeten gewisseld met den koerier, die ze, met een gelaat tot één monsterachtig, lachend gegrijns vertrokken, op dezelfde wijze beantwoordt, terwijl wij door het slijk weghotsen.

Te Piacenza, op vier of vijf uren afstand van de herberg te Stradella, ging ons klein gezelschap voor de deur van het logement uiteen, terwijl van alle zijden verschillende betuigingen van vriendschappelijke gevoelens werden gedaan. De oude priester kreeg alweer de kramp, voor hij ter helft van de straat was gekomen; en de jonge priester legde het pakje boeken op een deurdrempel, terwijl hij plichtmatig de beenen van den ouden heer wreef. De cliënt van den advocaat wachtte hem af aan de poort van den hof, en kuste hem op elken wang met zulk een klappenden smak, dat ik vrees, òf dat zijne zaak zeer slecht staat, òf dat hij eene slecht gespekte beurs heeft. De Toskanees ging slenterend heen, met eene sigaar in den mond en hield zijn hoed in de hand, om de einden zijner uit elkander geraakte knevels des te beter te kunnen opdraaien. En terwijl de brave koerier en ik heendwaalden om de plaats te bezien, begon hij dadelijk mij te onderhouden met de bijzondere geschiedenis en de huiselijke zaken van het geheele gezelschap.

Piacenza is eene vervallen oude stad en ziet er somber uit. De plaats is verlaten, eenzaam en met gras begroeid, en hare wallen liggen in puinhoopen, met half gevulde loopgraven, die eene smerige weide opleveren voor de magere koeien welke daar rondloopen, en straten met sombere, onvriendelijke huizen die pruilen tegen de andere huizen aan de overzijde. De slaperigste en meest havelooze soldaten wandelen er rond, onder de dubbele bezoeking van luiheid en armoede, op onhebbelijke wijze hunne slecht gemaakte uniformen kreukelende: de morsigste kinderen spelen met hun impromptu speelgoed (speenvarkens en slijk) in de smalste goten; de magerste van alle honden loopen de naaste deuren in en uit, en zoeken er eeuwig eenig voedsel, dat zij er volstrekt niet schijnen te vinden. Een geheimzinnig en statig paleis dat bewaakt wordt door twee kolossale standbeelden (tweelings-geniën der stad), staat met deftigheid in het midden der doodsche stad; en de koning met de marmeren beenen, die ten tijde der Duizend-en-één-nacht bloeide, had daarbinnen vergenoegd kunnen leven, en in zijne bovenhelft van vleesch en bloed nooit de zielskracht hebben, om behoefte te gevoelen er buiten te komen.

Welk eene vreemde, treurig verrukkelijke druilpartij is het niet, rond te dwalen in die plaatsen, welke gaan slapen en zich in de zon koesteren! Elke van deze schijnt op hare beurt de voornaamste te zijn onder al de beschimmelde, nare steden in de wijde wereld. Op dit heuveltje gezeten, waar vroeger een bastion bestond, en ten tijde toen de oude Romeinen zich hier hadden nedergezet eene luidruchtige vesting was, begon ik te vermoeden, dat ik tot nu toe nooit had geweten, wat het wilde zeggen, vadsig te zijn. In juist zulk een staat moet voorzeker het mormeldier verkeeren, vóór het zich terugtrekt in zijne woning; of de schildpad voor ze zich begraaft. Ik gevoel dat ik roestig word; dat elke poging tot denken verzeld zou zijn van een knarsend geluid; dat er nergens iets is te doen, of iets gedaan behoeft te worden; dat daar, in geen opzicht, menschelijke vooruitgang, beweging, streven of bevordering meer is, dat het geheele ontwerp hier, eeuwen geleden, is blijven steken, en ter ruste gelegd tot den dag des oordeels.

Neen! dat niet, zoolang de brave koerier zal leven. Zie hem eens, hoe hij al rinkelend Piacenza verlaat, en langs den weg waggelt in de hoogste postsjees welke men ooit heeft gezien, zoodat hij uit het voorste raam ziet, als keek hij over een tuinmuur, terwijl de postiljon, waarin al de haveloosheid van geheel Italië schijnt samengeperst, een oogenblik met zijn levendig gesprek ophoudt, om zijn hoed aan te raken voor een stompneuzig beeldje der H. Maagd, schier niet min haveloos er uitziende dan hij, hetwelk, in eene poppenkastachtige nis van pleister, buiten de stad staat.

In Genua en de omstreken wordt het wijngaardloof geleid langs latwerk, dat door lompe, vierkante palen wordt gedragen, hetwelk op zich zelf alles behalve schilderachtig is. Maar hier slingeren zij het om boomen en laten het langs de heggen voortspruiten. De wijngaarden zijn vol boomen, welke met dat doel regelmatig zijn geplant en ieder een eigen wijngaardstok hebben, die er omheen slingert en er zich om ophoopt. Hunne bladeren vertoonen nu het schitterendste goud, en het gloeiendste rood, en nooit was er iets zoo betooverend, bevallig en zoo vol schoonheid. Mijlen ver slingert de weg door die verrukkelijke vormen en kleuren. De wilde festoenen; de smaakvolle kransen en kronen en guirlandes van allen vorm; de tooverachtige netten over groote boomen geslagen, en die ze (als uit kortswijl) tot gevangenen maken; de hoopjes en verhevenheden van afgevallen bladen, die in alle vormen op den grond liggen; hoe rijk en schoon is dit alles niet! En elk oogenblik ontmoet men eene lange, lange rij boomen, welke alle door slingers met elkander verbonden zijn, als hielden zij elkander vast en kwamen dansend het veld op!

Parma heeft, voor eene Italiaansche stad, vroolijke, woelige straten, en is bijgevolg niet zoo karakteristiek als vele andere, min aanmerkelijke plaatsen. Hiervan moeten in alle gevallen worden uitgezonderd de Piazza (het plein) waar de hoofdkerk, het doophuis en de Campanile (de klokketoren)--oude gebouwen, van eene somber bruine kleur, versierd met ontelbare groteske gedrochten en droomerig ziende schepsels, in marmer en rooden steen gehouwen--in edele en luisterrijke rust opeengehoopt zijn. Hunne zwijgende aanwezigheid werd mij eerst aangeduid, toen ik ze bemerkte door het klapwieken eener groote menigte vogels, die de scheuren in de steenen en kleine holen in de bouwversiersels, waar zij hun nest hadden, in- en uitvlogen. Zij waren bezig met uit de koude schaduw van tempels, door menschenhanden gemaakt, op te stijgen naar den zonnigen hemel. Zoo deden niet zij, die daar binnen baden en naar denzelfden vakerigen zang luisterden, of voor dezelfde soort van beelden en waskaarsen knielden, of met neergebogen hoofd, in de eigen donkere biechtstoelen fluisterden, welke ik in Genua en overal elders had ontmoet.

De vervallen en verminkte schilderstukken, waarmede deze kerk bedekt is, oefenen, naar mij dunkt, een merkbaar treurigen en onderdrukkenden invloed uit. Het is een ellendig schouwspel, wanneer men verheven kunstwerken--eenigermate de ziel der schilders--ziet verwelken en vergaan als menschelijke gedaanten. Deze hoofdkerk riekt naar de rottende fresco's, in den koepel door Correggio geschilderd. De hemel weet hoe schoon zij eens mogen geweest zijn. Kenners worden er nog door verrukt; maar zulk een doolhof van armen en beenen, zulke hoopen van geknotte ledematen, in elkander verward, gedraaid en gestrengeld, zou geen krankzinnig geworden chirurgijn zich in zijne wildste ijlhoofdigheid kunnen verbeelden.

Er bestaat hier eene zeer belangwekkende onderaardsche kerk, welker dak gedragen wordt door marmeren zuilen, achter ieder van welke ten minste één bedelaar in hinderlaag schijnt te liggen; ik zwijg er van, wat de graftombes en afgezonderde altaren verbergen. Uit elke van deze schuilhoeken kwam zulk eene groote menigte spookachtige mannen en vrouwen--die tot geleiders verstrekten van andere mannen en vrouwen met verdraaide ledematen, klapperende kaken, of gebaren van een verlamde, of koppen van simpelen, of eenig ander treurig gebrek--naar voren strompelen om te bedelen, dat, indien de vernielde fresco's daar boven in de hoofdkerk plotseling bezield geworden en naar beneden in de kerk getrokken waren, er geen grootere verwarring veroorzaakt, of geen akeliger vertooning van armen en beenen gemaakt had kunnen worden.

Daar is ook het gedenkteeken van Petrarcha en het doophuis met zijne schoone bogen en reusachtige doopvont, en eene galerij die eenige zeer opmerkenswaardige schilderijen bevat, van welke er eenige weinige werden gekopieerd door kunstenaars met behaarde aangezichten, en fluweelen mutsen, die meer van, dan op het hoofd zaten. Men heeft er ook het paleis van Farnese en daarin een van de akeligste tafereelen van verval, dat ooit gezien is,--een groote, oude, sombere schouwburg, die in puinhoopen valt.

Het is een groot houten gebouw van hoefijzer-vorm. De onderste zitplaatsen zijn gerangschikt naar de Romeinsche wijze, maar boven deze heeft men groote, lompe vertrekken--daarvan hebben zij meer dan van loges--waar de edellieden in hun trotsche staatsie, afgezonderd zaten. Met zulk eene verwoesting als dit tooneel heeft ondergaan, en welke in den geest des bezoekers verhoogd wordt door de vroolijke strekking en het doel er van, kunnen zich slechts wormen gemeenzaam maken. Er zijn nu honderd tien jaren verloopen sedert daar eenig stuk is vertoond. De hemel schijnt door de scheuren der zoldering; de loges, die neervallen en waaraan het verderf knaagt, worden slechts door ratten bewoond; vochtigheid en schimmel besmetten de verwelkte kleuren, en vormen spookachtige landkaarten op de paneelen; smerige lappen hangen slingerend af van plaatsen, waar vroeger vroolijke festoenen aan het Proscenium (voorste gedeelte van het tooneel) waren. Het tooneel is zóó verrot, dat er eene smalle houten galerij dwars overheen is gelegd, daar anders de vloer onder den voet zou wegzinken en den bezoeker in de donkere diepte er onder zou begraven. Verwoesting en verval maken hier op al de zinnen indruk.

De lucht heeft een rottenden reuk en een aardachtigen smaak, en eenigerhande los geluid, dat er met een of ander verloren zonnestraal binnensluipt, is onduidelijk en dof; en de wormen, de maden en de ratten hebben de oppervlakte van het hout geheel en al veranderd, evenals een zachte hand door den tijd gerimpeld en ruw wordt. Als er ooit geesten comedie spelen, dan zullen zij het op dit spookachtig tooneel doen.

Onder het overheerlijkste weder kwamen wij te Modena, waar de duisternis der sombere zuilengangen boven de voetpaden, die de hoofdstraat aan beide zijden bezoomen, verfrisschend en aangenaam werd gemaakt door den schitterenden hemel, die heerlijk blauw was. Ik ging, uit al het schitterende van den dag, in eene duistere hoofdkerk, waar de hoogmis werd gelezen, dunne waskaarsen brandden, en menschen geknield lagen voor alle soorten van heiligen-kastjes, en dienstdoende priesters den gewonen zang op den gewonen, diepen, zwaarmoedigen, gerekten toon afdreunden.

Terwijl ik zoo bij mij zelven er over nadacht, hoe vreemd het was, in elke onbeweeglijk stilstaande stad mijn eigen hart te voelen kloppen met denzelfden eentonigen polsslag, als het middelpunt van hetzelfde verdoofde en lustelooze stelsel, trad ik eene andere deur uit, waar mij plotseling een doodschrik op het lijf werd gejaagd, door het steken van de schetterendste trompet, welke er ooit heeft geklonken. Dadelijk daarop kwam er met groot gedruisch een troep Parijsche paardrijders aandraven, die zich in orde stelden langs de muren van de kerk, en met de hoeven hunner paarden de griffioenen, leeuwen, tijgers en andere steenen en marmeren monsters beschimpten, welke het uitwendige van het gebouw versieren. Het eerst kwam er een statig edelman, met een goede portie haar en zonder hoed, eene reusachtige banier dragende, waarop te lezen was: "Hedenavond! Mazeppa!" Toen kwam er een Mexikaansch hoofdman, die, als een Hercules, eene groote peervormige knots op den schouder droeg. Toen volgden er zes of acht Romeinsche karren, elke met een schoone dame, in een uiterst kort rokje en met onnatuurlijk stijve, roode beenen. Deze dames wierpen stralende blikken op de menigte, in welke echter eene heimelijke uitdrukking was van ongerustheid en angst, waarvan ik me geene reden kon geven, tot ik in de opene achterzijde van de karren kon zien, en bemerkte, met welk eene verbazende moeite de roode beenen den loodrechten stand bewaarden op het oneffen plaveisel der stad: waardoor ik een geheel nieuw denkbeeld kreeg van de oude Romeinen en Britten. De optocht werd besloten door zoo wat een dozijn ontembare krijgslieden van verschillende natiën, die twee aan twee reden, en vol trotschheid neerzagen op de tamme bevolking van Modena; terwijl zij zich van tijd tot tijd verwaardigden het volk te begiftigen met eenige programma's. Nadat zij tusschen de leeuwen en tijgers rondgesprongen en de vertooning van dien avond onder het schetteren der trompetten verkondigd hadden, trok de stoet af langs het andere einde van het plein en liet eene nieuwe en zeer toegenomen doodschheid achter.

Toen de optocht zoo volkomen voorbij was, dat de schelle trompet door den afstand zacht klonk en de staart van het allerlaatste paard voorgoed om den hoek was, keerde het volk, dat de kerk had verlaten om den stoet aan te staren, er weder binnen. Maar eene oude dame, die op de vloersteenen der kerk, dicht bij de deur geknield lag, had alles gezien, en gevoelde, zonder op te staan, hare belangstelling verbazend opgewekt, en het mocht mij gelukken den blik dier dame bij die ontmoeting op te vangen, en dit wel tot onze wederzijdsche verwarring. Zij maakte echter spoedig een einde aan onze verlegenheid, door zich op vrome wijze te kruisen en zich, met haar aangezicht op den grond, geheel ter aarde te werpen, voor een beeld in een zonderling kleed en met eene vergulde kroon, hetwelk zoozeer geleek op een der personages van den optocht, dat zij misschien tot op dit oogenblik mag denken, dat de geheele verschijning een hemelsch visioen was. Hoe het ook zij, ik zou haar, al ware ik haar biechtvader geweest, hare belangstelling in het paardrijdersspel hebben vergeven.

Er was in de hoofdkerk een mannetje met vurige oogen en een hoogen schouder, die het zeer euvel nam, dat ik geene poging deed om den putemmer te zien (in een ouden toren bewaard wordende), welken het volk van Modena, in de veertiende eeuw, aan dat van Bologna ontnam en om welken een oorlog werd gevoerd, terwijl er door Tasso een comisch heldendicht op werd gemaakt. Naardien ik zeer wel tevreden was, de buitenzijde van den toren te beschouwen en mij op den emmer er binnen in verbeelding te vergasten, en bij voorkeur ronddrentelde in de schaduw van den hoogen Campanile, en in den omtrek der hoofdkerk, heb ik, tot op den dag van heden, geene persoonlijke kennis met den emmer gemaakt.

Inderdaad waren wij ook te Bologna, alvorens de oude man (of het Reisboek) had kunnen denken, dat wij de wonderen van Modena maar voor de helft gerechtigheid hadden laten wedervaren. Maar het heeft voor mij iets zoo bekoorlijks, nieuwe tooneelen achter mij te laten, en toch voort te trekken, en nog nieuwere tooneelen te ontmoeten--en bovendien heb ik zulk eene ongelukkige natuur met betrekking tot gezichten die gegraveerd, gedroogd en voorgepreekt worden--dat ik vrees, op elke door mij bezochte plaats, tegen gelijksoortig gezag te zondigen.

Maar hoe 't hiermede zij, men kon mij den volgenden ochtend zien wandelen op het bevallige kerkhof te Bologna, tusschen de statige marmeren grafteekens en zuilengangen, in gezelschap van een grooten troep boeren en verzeld door een kleinen gids uit die stad, welke buitengemeen ijverde voor hare eer, en er zich aan gelegen liet liggen mijne aandacht af te trekken van de slechte monumenten, terwijl hij niet ophield de goede te verheffen. Daar ik zag, dat dit mannetje (van opgeruimden aard, en die niets dan blinkende tanden en oogen in zijn gezicht scheen te hebben) strak naar zeker plekje gras keek, vraagde ik hem wie daar begraven was. "De armen, Signore!" zeide hij met een zucht en een glimlach, en stond stil, ten einde naar mij om te zien--want hij ging steeds een weinig vooruit,--en nam zijn hoed af om elk nieuw grafteeken te groeten, "slechts de armen, Signore! het is zeer vroolijk, 't is recht lief. Hoe groen is het er en koel, 't lijkt wel een weiland! Er zijn vijf--en tevens stak hij al de vingers zijner rechterhand op om het getal uit te drukken, wat de Italiaansche landlieden steeds doen als het onder 't bereik van hunne tien vingers valt,--er zijn vijf van mijne kindertjes begraven, Signore; juist daar een weinigje naar de rechterzijde! Welnu! God zij gedankt! 't Is er zeer vroolijk. Hoe groen en koel is het er! Het is een volmaakt weiland!"

Hij zag mij strak in het aangezicht, en bemerkende dat ik hartzeer om hem gevoelde, nam hij een snuifje (ieder Cicerone snuift) en maakte eene kleine buiging; deels om zich te verontschuldigen dat hij zulk een onderwerp het aangeroerd en gedeeltelijk ter nagedachtenis der kinderen en ter eere van zijn schutsheilige.

Het was eene zoo ongemaakte en geheel natuurlijke buiging als er ooit iemand heeft gemaakt. Onmiddellijk daarop nam hij zijn hoed geheel en al af, en verzocht mij hem naar het naaste gedenkteeken te volgen; en zijne oogen en tanden schenen glinsterender dan te voren.

TUSSCHEN BOLOGNA EN FERRARA.

Op het kerkhof, waar de kleine Cicerone zijne kinderen begraven had, was een zóó net gekleed wachter, dat, toen de kleine Cicerone mij fluisterend te kennen gaf, dat er geene beleediging in zou steken, deze bediende een paar paoli [29] aan te bieden, ik ongeloovig naar zijn driekanten hoed, zeemleeren handschoenen, net gemaakte uniform en schitterende knoopen zag, en den kleinen Cicerone met een ernstig hoofdschudden bestrafte. In luisterrijk voorkomen stond hij ten minste gelijk met den deurwaarder van het Hoogerhuis; en het denkbeeld, dat, zooals Jeremias Diddler zou zeggen, zulk een heer, "zoo iets als tien stuivers," zou aannemen, scheen monsterachtig. Hij nam het evenwel niet euvel op, toen ik zoo vermetel was hem die te geven, en trok zijn steek af met een zwier, die een koopje zou zijn geweest voor het dubbele geld.

Het scheen zijn plicht te wezen, de gedenkteekenen aan het volk uit te leggen--ten minste deed hij het; en toen ik hem, evenals Gulliver in Brobdignag deed, vergeleek "met de inrichtingen van mijn eigen geliefd land, kon ik mij niet weerhouden, tranen van trotschheid en blijdschap te storten." Hij had geen vasten stap; evenmin als eene schildpad. Hij slenterde als het volk slenterde, opdat het zijne nieuwsgierigheid zou voldoen; en stond hen zelfs toe, nu en dan, de opschriften der graven te lezen. Hij was haveloos noch brutaal, onbeschoft noch onwetend. Hij sprak zijne eigene taal volkomen naar behooren, en scheen zich, op zijne wijze, als een soort van onderwijzer voor het volk te aanschouwen, en een gepasten eerbied zoowel voor zich zelven als voor het volk te koesteren. Men zou evenmin een dergelijk man als bode in de Westminster-Abdy willen hebben, als het volk binnenlaten (gelijk zij in Bologna doen) om de gedenkteekenen kosteloos te beschouwen.

Weder eene oude, sombere stad, onder den schitterenden hemel, met zware gewelfde gangen over de voetpaden in oude straten, en lichtere en vroolijke bogen in de nieuwere gedeelten der stad. Weder zijn er sombere, gewijde gebouwen, met nogal vogels, die in en uit de reten der steenen vliegen; en nogal grijnzende monsters aan de voetstukken der pilaren. Weder rijke kerken, eene dommelige menigte, ten hemel stijgende wierook, klinkende schellen, priesters in schitterende kleeding, schilderijen, waskaarsen, geborduurde altaarkleeden, kruisen, beelden en kunstbloemen.

Er waait u eene ernstige en geleerde lucht in de stad tegen, en er ligt eene aangename duisternis over gespreid, zoodat zij zelfs boven vele steden een duidelijken en onderscheiden indruk op den geest zou achterlaten, indien zij zich niet nog meer in het geheugen van den reiziger vestigde, door de beide steenen hellende torens (op zich zelven, 't moet erkend worden afzichtelijk genoeg), kruiswijs overhellende alsof zij stijf tegen elkander bogen--waardoor het perspectief, van eenige der nauwe straten, op zonderlinge wijze wordt gesloten. Ook de colleges, kerken en paleizen, en vooral de academie der schoone kunsten, waar een menigte belangwekkende schilderijen zijn, voornamelijk van Guido, Domenichino en Ludovico Caracci, doen haar bijzonder heugen. Zelfs indien men er niet deze, en ook niets anders vond, dat haar in het geheugen kon terugroepen, dan zou de groote Meridiaan (middaglijn) op het plaveisel der kerk van San Petronio, waar de zonnestralen den tijd, te midden van het knielende volk, aantoonen, haar een fantastisch en behaaglijk belang doen inboezemen.

Daar Bologna vol toeristen [30] was, die hier opgehouden werden door eene overstrooming, welke den weg naar Florence ontoegankelijk maakt, had ik mijn kwartier boven in den top van een hotel, in eene afgelegene kamer, die ik nooit kon vinden, waarin eene bedstede was, groot genoeg voor eene kostschool, waarin ik niet in slaap kon komen. De voornaamste der bedienden, die dit eenzaam vertrekje bezocht, waar geen ander gezelschap was dan de zwaluwen op de breede bogen boven het venster, was een man, met betrekking tot de Engelschen, met ééne gedachte bezield; en het onderwerp dezer onschuldige monomania was Lord Byron. Ik ontdekte het bij toeval, toen ik, bij het ontbijt, hem de opmerking maakte, dat de matten, waarmede de vloer bedekt was, in dezen tijd van het jaar zeer aangenaam waren; waarop hij onmiddellijk antwoordde, dat Mylor Bryon zeer gehecht was geweest aan dat soort matten. Ter zelfder tijd bemerkende, dat ik geene melk gebruikte, riep hij met geestdrift uit, dat Mylor Bryon die nooit had aangeraakt. In het eerst hield ik mij in mijne eenvoudigheid verzekerd, dat hij een van Byron's bedienden was geweest; maar neen, hij zeide neen, hij had de gewoonte met Engelsche heeren over Mylor te spreken, dat was alles. Hij wist alles van hem, zeide hij; ten bewijze hiervan bracht hij hem in verband met ieder mogelijk onderwerp, van den wijn bij het middagmaal (die op een landgoed was gegroeid, dat hem toebehoord had) tot zelfs met het groote bed, dat juist als het zijne was.