Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 36

Chapter 363,972 wordsPublic domain

Daar ligt geheel Genua, in schoone wanorde, met vele kerken, abdijen en kloosters, waarvan de spitse torens naar den zonnigen hemel reiken; en onder mij, juist waar de daken een aanvang nemen, de borstwering van een eenzaam klooster, gevormd als een galerij, met een ijzeren kruis aan het einde, in welke ik somtijds, vroeg in den morgen, een kleine groep dicht gesluierde droefgeestige nonnen heen en weder heb zien gaan, en nu en dan stilstaande om den blik te werpen op de ontwakende wereld, waaraan zij geen deel hebben. De oude Monte Faccio, de schitterendste der bergen in goed weder, maar de korzeligste van allen, wanneer stormen naken, ligt hier aan uwe linkerzijde. Het fort binnen de muren (de goede koning bouwde het om de stad in bedwang te houden, en de huizen der Genueezen over hunne hoofden te doen instorten, indien zij ontevreden mochten worden) bestrijkt de hoogte aan de rechterzijde.

De ruime zee ligt er recht tegenover, en die kustlinie daar, bij den vuurtoren beginnende en als eene enkele vlek in het rozenkleurige verschiet wegdommelende, is de schoone kunstweg die naar Nizza leidt. De tuin is hier onmiddellijk bij, tusschen de daken en huizen; hij is rood van de rozen en wordt verfrischt door kleine fonteinen. De Aqua Sola, eene openbare wandelplaats, waar de muziek der troepen op vroolijke wijze speelt, en de witte sluiers bij hoopen worden gezien, en de Genueesche adel rond- en weder rondrijdt, in staatsie-kleederen en rijtuigen, maar niet met volstrekte behoedzaamheid. Binnen eene steenworps lengte is, naar het blijkt, de plaats van het Dag-tooneel, zijnde het publiek met de aangezichten naar ons toe gezeten. Maar vermits men het tooneel niet kan zien, levert het, zonder te weten wat het is, een gek gezicht op, het gelaat der lieden zoo plotseling van ernst tot lachen te zien overgaan, en nog veel gekker is 't, aanhoudend in de avondschemering de uitbarstingen der toejuiching te hooren, onder welke de gordijn valt. En aangezien het Zondagavond is, spelen zij hun beste en aanlokkendste stuk. En nu gaat de zon onder, in zulk een prachtigen tooi van rood en groen en gouden licht als door groepen noch penseel kan worden afgemaald; en onder het luiden der vesperklokken, valt het duister plotselijk en zonder schemerlicht in. Dan beginnen er lichten in Genua en op den weg er buiten te flikkeren; en de terugkaatsende lantaren daar buiten aan de zee, voor een oogenblik den gevel en het portiek van dit paleis bestralende, verlicht het, als kwam plotseling de heldere maan van achter eene wolk te voorschijn; en dompelt het dan in diepe duisternis. En dit is, zoover mij bekend, de eenige reden waarom de Genueezen dit paleis na het invallen der duisternis ontwijken en denken dat het er spookt.

Mijn geest zal er in spoken, nog menigen aanstaanden nacht; maar niets erger, dat wil ik verzekeren. Dezelfde geest zal nu en dan wegdrijven, evenals ik op een bevalligen herfstavond in het schitterend verschiet deed, en de ochtendlucht te Marseille inademde.

De dikke kapper zat er nog in zijne muilen, buiten de deur van den winkel, maar de draaiende dames voor het venster hadden, met de eigenaardige onstandvastigheid van haar geslacht, opgehouden te draaien en kwijnden, stokstijf, met hare schoone aangezichten naar de donkere hoeken van den winkel gekeerd, waar het voor de blikken harer bewonderaars onmogelijk was, door te dringen.

De stoomboot was van Genua gekomen met eene kostelijke vaart van achttien uur, en wij zouden van Nizza teruggaan langs den Cornice-weg, niet tevreden zijnde met de fraaie steden alleen van buiten gezien te hebben, die in schilderachtig witte groepen oprijzen tusschen de olijfboschjes, en rotsen en heuvels, aan den oever der zee. De boot, die dezen avond ten acht uur, naar Nizza zou vertrekken, was zeer klein en zoodanig met goederen beladen, dat er bijna geene ruimte was om er zich te bewegen; ook was er niets te eten aan boord, behalve brood; noch te drinken, behalve koffie. Maar daar wij om acht uur in den ochtend, of daaromtrent, te Nizza moesten zijn, was dit van geen aanbelang. Toen wij nu begonnen flonkerende starren toe te knikken, als eene onwillekeurige vergelding, dat zij ons toeknikten, begaven wij ons naar onze kooien, in eene opgepropte, kleine, koele kajuit, en sliepen gerust door tot den morgen.

De boot eene zoo ellendige en sombere boot zijnde als ooit gebouwd is geworden, was het omstreeks één uur in den namiddag, toen wij de haven van Nizza binnenstoomden, waar wij weinig anders verwachtten dan een ontbijt.

Maar we hadden wol geladen, en wol mag in het entrepot van Marseille niet langer dan twaalf maanden achter elkander blijven liggen, zonder rechten te betalen. Het is de gewoonte, looze uitvoeren van onverkochte wol te doen, ten einde die wet te ontduiken; als de twaalf maanden bijna zijn afgeloopen, voert men ze ergens heen, brengt ze rechtstreeks terug, en slaat ze voor bijna een jaar als nieuwe lading op. De wol welke wij medevoerden was oorspronkelijk van eene plaats in het Oosten. Op het oogenblik dat wij de haven binnenkwamen, werd ze herkend als een oostersch product. Uit dien hoofde werden de vroolijke bootjes, vol feestdagvierende menschen, die van wal waren gestoken om ons te begroeten, door de autoriteiten gewaarschuwd weder terug te keeren; wij werden onder quarantaine gelegd, en er werd plechtig een groote vlag geheschen aan den mastpaal op de werf, ten einde het aan de geheele stad bekend te maken.

Het was een zeer heete dag. Wij waren niet geschoren, niet gewasschen, ongekleed, hadden niets gegeten, en konden het schier niet dulden, dat wij zouden liggen te blakeren, in eene doodsche haven, met de stad op een eerbiedigen afstand in het gezicht, en allerlei mannen met knevels en driekanten hoeden over ons lot te zien redetwisten bij een verwijderd wachthuis, met gebaren (wij keken door telescopen nauwkeurig naar hen), die ons ten minste eene achtdaagsche opsluiting verkondigden; en dit, in weerwil van al hetgeen er in dien tusschentijd mocht gebeuren. Maar zelfs in die crisis behaalde de brave koerier eene zegepraal. Hij seinde iemand (ik zag niemand) die, hetzij op eene natuurlijke wijze in verband stond met het logement, of voor die gelegenheid alleen met het etablissement in betrekking was gesteld. Die telegrafische seinen werden beantwoord, en binnen minder dan een half uur werd er een luiden kreet van uit het wachthuis gegeven.

Men had den kapitein noodig. Iedereen hielp den kapitein in zijne boot. Iedereen kreeg zijne goederen en zeide dat wij vertrekken zouden. De kapitein roeide weg en verdween achter een kleinen vooruitstekenden hoek van de gevangenis der galeislaven, en kwam zeer knorrig met iets terug. De brave koerier hielp hem op dek en ontving het iets, als de rechtmatige eigenaar er van. Het was eene teenen mand, in een linnen laken gewikkeld; daarin waren twee groote flesschen wijn, een gebraden vogel, wat zoutevisch met fijngehakt knoflook, een groot lang brood, een dozijntje perziken, en eenige andere kleinigheden. Toen wij ons eigen ontbijt uitgekozen hadden, verzocht de brave koerier eenige uitverkorenen om deze ververschingen met hem te deelen, en verzekerde hun dat zij zich niet kieschheidshalve behoefden te onthouden, daar hij eene tweede mand zou bestellen voor hunne rekening. Hetgeen hij ook deed--niemand wist hoe--en toen naderhand de kapitein weder geroepen werd, keerde hij weer gemelijk terug met een ander iets, waarover mijn populaire bediende het bestuur nam, en voorsneed met een knipmes, zijn eigen lijfelijk eigendom, iets kleiner dan een Romeinsch zwaard.

Allen aan boord werden vroolijk door dezen onverwachten toevoer: maar niemand méér dan een klein spraakzaam Franschman, die binnen vijf minuten dronken werd, en eene forsche Kapucijnermonnik, die iedereen bijzonder beviel, en, zooals ik inderdaad geloof, één der beste monniken van de wereld was.

Hij had een vrij en open gelaat, en een kastanjebruinen, krullenden baard en was een bijzonder schoon man, omstreeks vijftig jaren oud.

Vroeg in den ochtend was hij bij ons gekomen, en vraagde, of wij er zeker van waren, tegen elf uur te Nizza te wezen; zeggende, dat het hem van bijzonder belang was, dit te weten; want, bereikten wij die plaats tegen dien tijd, dan moest hij de mis lezen en vasten, tot hij den gewijden ouwel had gebruikt: waarom hij, als er geene kans was tegen dien tijd daar te zijn, onmiddellijk wilde gaan ontbijten. Hij deelde dit mede, in de meening, dat de brave koerier de kapitein was; en inderdaad had deze meer het voorkomen er van dan iemand anders aan boord. Toen hij de zekerheid had gekregen, dat wij op een behoorlijken tijd zouden aankomen, vastte hij en sprak al vastende met iedereen, en in de bekoorlijkste goede luim; en de kwinkslagen ten koste van monniken beantwoordende met andere kwinkslagen, ten koste van leeken, en zeggende, dat hij, ofschoon een monnik, aannam, de twee sterkste personen aan boord, een na den ander, met zijne tanden op te nemen en ze het dek rond te dragen. Niemand stelde hem echter in de gelegenheid er toe, maar ik durf zeggen, dat hij het had kunnen doen; want het was een man van eene wakkere en edele gedaante, zelfs in de kleederdracht der Kapucijnen, die de slechtste en lompste is, welke men zou kunnen bedenken.

Dit alles deed een machtig genoegen aan den spraakzamen Franschman, die den monnik gaandeweg meer gunst toedroeg, en mededoogen met hem scheen te hebben, als met iemand die door geboorte Franschman had kunnen wezen, indien een ongelukkig lot dit niet anders had gewild. Ofschoon deze begunstiging van een aard was als die, welke eene muis aan een leeuw zou kunnen bewijzen, had hij nochtans een hoogen dunk er van, dat hij vrijwillig tot hem afdaalde, en in den ijver van dat gevoel ging hij nu en dan op de teenen staan om den monnik op den rug te kloppen.

Toen de manden aankwamen, en het voor de mis te laat was geworden, ging de monnik dapper aan den slag; hij at verbazend veel van het brood en koud vleesch, en dronk volle teugen wijn; rookte sigaren, snoof, hield aan alle zijden een onafgebroken gesprek gaande, en liep nu en dan naar het boord der boot, praaide iemand op den wal, en riep er het bericht heen, dat wij op eene of andere wijze van de quarantaine ontslagen moesten worden, aangezien hij in den namiddag deel moest nemen aan eene groote godsdienstige processie. Daarna kwam hij dan terug, hartelijk lachende en vol vroolijke luim; terwijl de Franschman zijn klein aangezicht in duizend plooien trok, en er van sprak, hoe kluchtig hij het vond, en wat een knappen vent die monnik was. Eindelijk werd de Franschman, door de hitte der zon buiten en die van den wijn in hem, vakerig, zoodat hij, in den bloeitijd van zijn beschermheerschap over den reusachtige monnik, tusschen de wol ging liggen en begon te snorken.

Het was vier uur vóór wij ontslagen werden; en de morsige, wollige en met snuif bemorste Franschman sliep nog toen de monnik aan land ging. Zoodra wij in vrijheid waren gesteld, liepen wij allen heen om ons te wasschen en te kleeden, opdat wij bij de processie fatsoenlijk voor den dag konden komen. Ik zag of hoorde niets meer van den Franschman, tot wij ons eene plaats hadden gekozen in de hoofdstraat, om die processie te zien voorbijtrekken,--toen hij zich op een voorplein drong, dat met zorg vernieuwd was, zijn rokje terugsloeg, om een fluweelen vest met breede strepen en vol bezet met sterren, te laten zien, en zich en zijn rotting in dier voege schikte, dat hij den monnik, als die voorbijkwam, volstrekt in de oogen moest vallen en van stuk brengen.

De processie duurde zeer lang, en bevatte eene ontelbare menigte volks, in kleine groepen verdeeld, waarvan elke door den neus en voor zich zelve, zonder eenig verband met eenige andere zong en een zeer akelig accoord vormde. Er waren engelen, kruisen, H. Maagden, welke gedragen werden op vlakke planken, omringd door Cupido's, kronen, heiligen, misboeken, infanterie, waskaarsen, monniken, nonnen, relieken, kerkelijke dignitarissen met groene hoeden, onder karmozijnkleurige zonneschermen, en hier en daar een soort van gewijde straatlamp, aan een paal opgeheschen. Wij zagen reikhalzend uit naar de Kapucijnen, en nu zag men hunne bruine kleeding en touwen gordels bij elkander aankomen.

Ik sloeg het Franschmannetje gade, hoe hij schaterde van het lachen door het denkbeeld, dat de monnik, als die hem met zijn vest met breede strepen zag, bij zich zelven zou uitroepen: "Is dat mijn beschermer. Die aanzienlijke man!" en dan geheel van zijn stuk zou geraken. O! nooit was de Franschman zoo teleurgesteld geworden. Toen onze vriend de Kapucijn aankwam, met kruiselings over elkander gelegde armen, zag hij het Franschmannetje strak in het aangezicht, met eene goedaardige, heldere en ernstige afgetrokkenheid, die niet beschreven kan worden. Er was niet het minste spoor van herkenning of vroolijkheid op zijn gelaat zichtbaar; niet de minste herinnering van brood en vleesch, wijn, snuif of sigaren. "C'est lui-même" (dat is hij zelf) hoorde ik het Franschmannetje met eenigen twijfel zeggen. O ja, hij zelf was het. Het was niet zijn broeder of neef die op hem geleek, hij zelf was het. Hij trad voort met groote staatsie, daar hij een van de opperhoofden der orde was, en trok een deel der bewondering tot zich. Er was nooit iets volmaakters in zijne soort, dan de bespiegelende wijze, waarmede hij zijn zachtaardig starenden blik op ons, zijne vroegere reisgenooten, deed rusten; als had hij ons nooit in zijn leven gezien en als zag hij ons ook toen niet. De Franschman, die zich geheel vernederd gevoelde, nam eindelijk den hoed af, maar toch ging de monnik voorbij, met dezelfde onverstoorbare bedaardheid; en het vest met breede strepen, dat in de menigte wegzonk, werd niet meer gezien.

De processie trok op onder het afvuren van handgeweer, dat al de ramen der stad deed schudden. Den volgenden namiddag vertrokken wij naar Genua, langs den beroemden Cornice weg.

De half-Fransch en half-Italiaansche Vetturino, die aangenomen had, ons met zijn ratelend rijtuig met twee paarden in drie dagen daarheen te brengen, was een zorgelooze knaap van een goed voorkomen, wiens luchthartigheid en zanglust geene grenzen kenden, zoolang wij zachtkens voortgingen. Zoolang dit het geval was, had hij een woord en een glimlach, en een klap met zijne zweep, voor al de boerenmeiden, en stukken en brokken van de Somnambula [28] voor de echo over. Zoolang dit het geval was, trok hij rinkelend door elk dorpje, met bellen aan zijne paarden en ringen in zijne ooren: als een waar toonbeeld van galanterie en vroolijkheid. Maar het was iets zeer karakteristieks, hem te zien bij den minsten tegenspoed, toen wij op onzen tocht aan eene nauwe plaats kwamen, waar een wagen gebroken was en den weg versperde. Hij wroette dadelijk met de handen in zijne haren, als waren al de schrikkelijke rampspoeden des levens plotseling op zijn ongelukkig hoofd neergekomen. Hij vloekte in het Fransch, bad in het Italiaansch, liep op en neer en stampvoette in eene vlaag van wanhoop. Rondom den gebroken wagen stonden onderscheiden karrelieden en muilezeldrijvers; en eindelijk deed een man, van een zonderlingen aard, den voorslag, eene algemeene en gezamenlijke poging te doen om de zaken weer in orde te brengen en ruim baan te maken--een denkbeeld dat, naar mijn gevoelen nooit zou zijn opgekomen bij onzen vriend, al waren wij er tot op dit oogenblik gebleven. Het werd met weinig arbeid bewerkstelligd; maar bij elke rust in de karwei draaiden zijne handen zich in het haar, als ware er geen straal van hoop om zijne ellende te verlichten. Zoodra zat hij nochtans niet weer op den bok, en reed klappend en vroolijk den heuvel af, of hij keerde terug tot de Somnambula en de boerendeernen, als stond het niet in de macht des tegenspoeds hem neer te drukken.

Veel van het romantische der schoone steden en dorpen op dezen heerlijken weg gaat verloren wanneer men ze binnentrekt; want velen zijn zeer ellendig. De straten zijn nauw, donker en morsig, de bewoners mager en smerig, en de tanige oude vrouwen met hare grijze haren, op de kruin in een wrong gedraaid, als een kussen om er lasten op te dragen, zijn zoo innig leelijk, zoowel langs de rivier in Genua, dat ze, als ze daar zoo in de donkere deuren rondzwerven met hunne spinnewielen, of aan de hoeken kakelen, gelijken naar eene bevolking van tooverheksen--behalve dat men er zich geenszins bezems of eenig ander werktuig voor zindelijkheid bij moet verbeelden. Ook dienen de jonge varkenshuiden, welke algemeen gebruikt worden om er wijn in te bewaren, en in alle richtingen in de zon hangen te drogen, geenszins tot sieraad; aangezien zij altoos den vorm van opgeblazen varkens behouden van welke men den kop en de pooten heeft afgesneden, en die aan den staart hangen en heen en weer slingeren.

Die steden echter, zooals zij zich bij het naderen vertoonen, met hare talrijke daken en torens, tusschen boomen genesteld, tegen steile berghellingen, of gebouwd aan den zoom van trotsche baaien, zijn bekoorlijk. De plantengroei is overal weelderig en schoon, en palmboomen schenken het nieuwe tafereel een nieuw aanzien. In eene stad, San Remo--eene zeer ongewone plaats, gebouwd op sombere, wijde bogen, zoodat men de geheele stad onderdoor zou kunnen zwerven--zijn lieve tuinen, op terrassen; in andere steden hoort men het dreunen van scheepstimmermanshamers, bij het bouwen van kleine schepen aan het strand. In sommige der ruime baaien zouden de vloten van geheel Europa voor anker kunnen gaan. In elk geval vertoont iedere groep van huizen, op een afstand gezien, eene betooverende mengeling van schilderachtige en grillige vormen.

De weg zelf, thans verre gelegen boven de glinsterende zee, die tegen den voet van den afgrond klotst, buigt nu eens inwaarts, om den zoom eener baai te volgen, en steekt dan eens de steenachtige bedding van een bergstroom over. Hij daalt nu eens af naar de baai, of klimt dan weer op tusschen gespleten rotsen van velerlei vorm en kleur: nu eens geschakeerd door een eenzamen, vervallen toren, een van de linie van torens, in ouden tijd gebouwd om de kust te beschermen tegen de invallen van Barbarijsche zeeroovers, en levert elk oogenblik nieuwe schoonheden op. Als men de treffende natuurtooneelen er van voorbij is en hij zich uitstrekt over eene lange lijn der voorstad, op het vlakke strand gelegen, tot aan Genua, dan vormen de flikkeringen dier edele stad en hare haven een nieuwe bron van belangstelling, die vernieuwd wordt door elk hoog opstijgend, zwaar gebouwd, half bewoond, oud huis, buiten de stadsmuren, en de grootste hoogte bereikt als men aan de stadspoort is gekomen, en geheel Genua, met zijne schoone haven en naburige heuvels, zich plotseling en trotsch voor oogen stelt.

NAAR PARMA, MODENA EN BOLOGNA.

Ik trok op den 6den November van Genua weg, met het voornemen een goed aantal plaatsen (en daaronder ook Engeland) te bezoeken; het allereerst zou ik echter naar Piacenza gaan; naar welke stad ik in de Coupé van eene machine, eenigermate gelijk aan eene reizende karavaan, heentrok, in gezelschap van den braven koerier en eene dame met een grooten hond, die alle nachten, bij tusschenpoozen, op eene nare wijze huilde. Het was zeer vochtig en zeer koud; zeer donker en zeer akelig; wij reisden met een snelheid van slechts vier mijlen per uur en hielden nergens stil om ververschingen te gebruiken. Den volgenden ochtend ten tien uur wisselden wij te Alessandrië van rijtuig, waar wij in eene andere koets werden gepakt (welker lichaam, door den magerste, smal had kunnen genoemd worden), in gezelschap van een oud priester en een jong Jezuïet, die hem verzelde,--zijne getijde- en andere boeken droeg--en die, door zijne pogingen om binnen de koets te komen, eene gaping van een pink breedte had daargesteld tusschen zijne zwarte kous en zijne zwarte kniebroek, hetwelk herinnerde aan een van Hamlet in Ophelia's vertrek--behalve dat die aan beiden beenen zichtbaar was,--een advocaat uit eene provinciestad en een heer met een rooden neus, die een buitengewonen glans bezat, welken ik nimmer te voren bij een menschelijk wezen had opgemerkt. Op deze wijze reisden wij voort, tot des namiddags vier uur--daar de wegen nog altijd slecht waren te berijden en de koets zeer langzaam voortging. Om er de kroon op te zetten, werd de oude priester geplaagd met kramp in zijne beenen, zoodat hij genoodzaakt was, bijna elke tien minuten een verschrikkelijken gil te geven en door de vereenigde pogingen van het gezelschap er uit geheschen moest worden, terwijl de koets gedurig met groote deftigheid ten zijnen behoeve ophield. Deze ongesteldheid en de wegen waren voor het grootste gedeelte de onderwerpen van het gesprek. Daar ik in den namiddag bemerkte, dat de Coupé twee menschen had uitgezet en slechts één passagier binnenin had--een gedrochtelijk leelijke Toskanees, met een grooten purperen knevel, waarvan niemand de einden kon zien, als hij den hoed ophad--maakte ik gebruik van die betere gelegenheid en reisde voort met dezen heer (welke zeer onderhoudend en opgeruimd was), tot omtrent elf uur 's avonds, toen de voerman berichtte, dat er aan geen verder trekken kon worden gedacht, en wij dienvolgens stilhielden bij eene plaats, Stradella genaamd.

Het logement bestond uit eene reeks van vreemdsoortige galerijen, die eene binnenplaats omgaven, waar onze koets, en een paar wagens, en eene partij gevogelte en brandhout, holder de bolder opgehoopt waren, zoodat ge niet hadt kunnen weten of er op zweren, wat een vogel en wat eene kar was. Wij volgden er een slaperigen man met eene brandende fakkel in een groote koude kamer, waar zich twee schrikkelijk breede bedden bevonden, die gespreid waren op iets, dat het voorkomen had van twee verbazend breede planken eettafels te zijn; eene andere planken tafel van gelijke afmetingen in het midden van den naakten vloer; vier ramen en twee stoelen. Men zeide mij, dat het mijne kamer was; en ik wandelde er omtrent een half uur op en neer, terwijl ik staarde naar den Toskanees, den ouden priester, den jongen priester en den advocaat (de roodneus woonde in de stad en was naar huis gegaan), die op de bedden zaten en wederkeerig naar mij staarden.

Het uitgemaakt droevig-gekke van dien stand van zaken wordt afgebroken door het bericht van den braven koerier (die middelerwijl kok is geweest), dat het avondmaal gereed is; en wij gaan allen naar de kamer van den priester (die naast aan gelegen en een tegenhanger is van de mijne). Het eerste gerecht is eene kool met een groote hoeveelheid rijst in eene terrine vol water gekookt, en met kaas gekruid. Dit is zóó heet en wij zijn zóó koud, dat het zeer aangenaam smaakt. Het tweede gerecht bestaat uit eenige stukjes varkensvleesch met nieren van speenvarkens gebraden. Het derde bestaat uit twee roode vogels. Het vierde uit twee kleine, roode kalkoenen. Het vijfde is een sterk gerecht van knoflook en truffels, en ik weet niet wat al nog; en dit besloot den maaltijd.

Alvorens ik in mijne eigen kamer kan gaan zitten, en nagaan, dat zij onder de vochtigste behoort, gaat de deur open en de brave koerier komt binnenzeilen te midden van zulk eene hoeveelheid brandhout, dat hij er uitziet als een geheel bosch dat eene winterwandeling gaat doen. Hij ontsteekt dien hoop in een oogwenk en brengt eene groote kruik met heeten brandewijn en water; want zijne eigen flesch wisselt af met de jaargetijden en bevat thans niets dan den zuiversten brandewijn. Na deze verrichting begeeft hij zich ter ruste; en ik hoor hem nog een uur naderhand, en zelfs nog tot ik inslaap, hoe hij kwinkslagen maakt in een ander buitengebouw, waar hij (waarschijnlijk goed ingezeept) aan het sigaren rooken is met een aantal vertrouwde vrienden. Hij is nooit te voren hier in huis geweest; maar hij kent overal iedereen, zoodra hij ergens vijf minuten is geweest, en is er zeker van, in hetzelfde tijdsverloop, al de personen van het huis op het innigste aan zich verknocht te hebben.