Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 30
Zoodra iemand, van eenige kennis of karakter, tot de een of andere openbare onderscheiding, 't komt er niet op aan welke, in Amerika op kan klimmen zonder eerst de voetveeg te zijn geweest van dit monster van verdorvenheid; zoodra iemand van uitnemende hoedanigheden veilig is voor zijn aanvallen; zoodra dat monster het maatschappelijk vertrouwen onaangerand laat of de banden van maatschappelijke betamelijkheid en eer maar eenigermate ontziet; zoodra iemand in dat Vrije Land vrijheid van meening heeft en vrijelijk voor zijn meening uit mag komen, zonder verplicht te zijn in allen ootmoed een censorschap naar de oogen te kijken, dat hij, om zijn verwaten onwetendheid en lage karakterloosheid, in zijn hart tot in de hel verafschuwt; zoodra zij, die, 't diepst onder zijn schandvlekkend juk gebukt gaande, 't levendigst gevoelen wat voor oneer het over de natie uitstort en elkander daar het meest over durven onderhouden, nu dan ook hun hielen op dat monster durven zetten en 't openlijk ten aanschouwen van Jan en alleman verpletteren; zoodra dàt alles gebeurt, welnu, dàn zal ik gaan gelooven dat zijn invloed aan 't tanen is en de menschen in Amerika hun vijf zinnen weer terugkrijgen. Maar... zoolang die Pers haar boosaardig oog in ieder huis durft slaan en haar zwarten neus in elke benoeming tot een landsbetrekking, van een president af tot een brievenbesteller toe, durft steken; zoolang ze, met niets anders tot voorraad dan liederlijke lastertaal, de letterkundige standaard is van een verbazend groote klasse van menschen, die kranten moeten lezen of ze lezen niemendal... zoolang moet haar vuile adem het aangezicht des lands bezoedelen en het kwade, dat zij wrocht, zoo klaar als het licht zichtbaar wezen in de Republiek.
Heeren die gewoon zijn om de Engelsche, of andere fatsoenlijke bladen van 't Vasteland te lezen; heeren die gewoon zijn aan al wat maar gedrukt wordt,--zelfs hen zou men met geen mogelijkheid eenig denkbeeld kunnen geven van dat vreeselijk werktuig der menschelijke gedachte in Amerika, tenzij ik uit de verschillende nieuwsbladen een berg van uittreksels overnam, waartoe ik nog plaatsruimte noch lust heb. Maar mocht iemand verlangend zijn, om datgene bevestigd te zien wat ik dienaangaande zoo onverbloemd dorst schrijven, welnu, hij bezoeke doodeenvoudig de een of andere publieke plaats in onze goede stad Londen, waar men dergelijke kranten bij de vleet aan zal treffen; dan moge hij zijn eigen meening vormen. (Of laat hem daarover een degelijk en alleszins met de waarheid overeenkomend artikel in The Foreign Quarterley Review lezen, dat in October 1842 is uitgekomen, een artikel dat mijn aandacht getrokken heeft, sinds de vorige vellen afgedrukt waren; dan toch zal hij een menigte bijzonderheden ontmoeten, die wel is waar hoegenaamd niet belangrijk zijn voor iemand die in Amerika geweest is, maar iemand die dat land niet bezocht heeft daarentegen ruimschoots belang zullen inboezemen.)
Het is aan geen twijfel onderhevig, of 't zou voor de Amerikaansche natie, in haar geheel genomen, vrij wat beter zijn, als ze wat minder van 't Reëele en wat meer van 't Ideale hield. Ja vrij wat beter zou het voor haar zijn, als men in haar midden de luchthartigheid en opgeruimdheid wat meer aanmoedigde en al wat schoon is wat meer beoefende, ook al levert het schoone in de allereerste plaats en rechtstreeks geen stoffelijk voordeel op. Maar ik vermeen dat men hier, en niet ten onrechte, met de algemeene tegenwerping voor den dag zal komen: "Wij zijn een nieuw land", een tegenwerping die zoo vaak vooropgezet wordt als een verontschuldiging voor gebreken die ten eenenmale onverschoonlijk zijn, omdat het inderdaad geen nieuw land, maar de langzame uitlooper is van een oud; en daarom hoop ik eens te zullen hooren dat er behalve de krantenpolitiek nog eenig ander nationaal amusement in de Vereenigde Staten gevonden wordt.
Een geestig, humoristisch volk zijn ze zeker niet, en hun temperament maakte op mij altijd dezen indruk, dat het van een saaien en somberen aard is. In gevatheid en een zekere onbuigzame ingenomenheid met zich zelf spelen de Yankee's of het volk van Nieuw Engeland, ontegenzeglijk de eerste viool, wat ze trouwens op verstandelijk gebied in den regel doen. Maar, gelijk ik al in vorige gedeelten van dit werk heb doen opmerken, op mijn uitstapjes buiten de groote steden, hinderde het mij geweldig, zooals die ernstige en droefgeestige koopmansachtige tronies in 't oog vielen, een verschijnsel dat zoo algemeen en zoo eentonig was, dat ik in iedere stad, waar ik aankwam, precies dezelfde menschen meende tegen te komen, die ik den laatsten keer verlaten had. Zulke gebreken als welke op te merken zijn in de volkszeden, schijnen mij voor een groot deel hieraan toe te schrijven te zijn, dat men van de oude, gemeene sleur niet verkiest af te wijken en tegen beschaafde manieren als overtolligen ballast op de levensreis opziet. Washington, die in zake de uiterlijke wellevendheid bij uitstek nauwgezet was, moet de neiging zijner landgenooten, om zich op dit punt te bezondigen, stellig bespeurd hebben, en we kunnen er op aan, dat hij ook zijn uiterste best gedaan heeft, om ze daarvan te genezen.
Ik ben 't niet eens met andere schrijvers over deze onderwerpen, dat de aanwezigheid van zooveel geheel uiteenloopende sekten in Amerika zelfs eenigermate te danken is aan 't feit, dat daar te lande geen gevestigde of zoogenaamde Staatskerk bestaat. Och neen, bij mij staat het vast, dat de volksaard, ook al duldde hij dat zoo'n instelling in hun midden opgericht werd, er hen vanzelf toe zou brengen, om er zich niet aan te houden, louter omdat ze gevestigd wàs. Maar gesteld eens, zoo'n Kerk bestond in Amerika, toch zou ik in twijfel durven trekken of ze wel aan haar doel zou beantwoorden, om namelijk de dolende schapen in één grooten stal onder dak te brengen, om de doodeenvoudige reden dat het bij ons in Engeland om zoo te zeggen sekten regent; en ook omdat ik in Amerika geen enkelen godsdienstvorm aantrof waar wij in Europa, ja zelfs in Engeland, onbekend mee zijn. Evenals andere menschen vloeien er dissenters bij de vleet naar toe, om de eenige reden dat het een toevluchtsland is voor Jan en alleman; en groote nederzettingen van hen worden er gesticht, omdat daar, waar vroeger geen moederziel gevonden werd, grond aangekocht, steden en dorpen gebouwd kunnen worden. Ja zelfs de Kwakers emigreerden uit Engeland; ons land is den heer Joseph Smith, den apostel van 't Mormonisme, of diens in den donker rondwroetende jongeren niet onbekend; met mijn eigen oogen heb ik in sommige onzer volkrijke steden godsdienstige tooneelen gezien die bezwaarlijk overtroffen kunnen worden door een zoogenaamde Amerikaansche kampmeeting, en ik ben er me niet bewust van, dat eenig voorbeeld van bijgeloovig bedrog aan den eenen kant en bijgeloovige lichtgeloovigheid aan de andere zij haar oorsprong gehad heeft in de Vereenigde Staten, 't welk wij niet ruimschoots vergelijken kunnen met de precedenten van mevrouw Southcote, Mary Tofts de konijnenfokster, ja zelfs van den heer Thom van Canterbury, welk laatste geval ontstond, kort nadat de donkere eeuwen voorbij waren.
Ongetwijfeld leiden de republikeinsche instellingen van Amerika er het volk toe, om de achting voor zich zelf en hun gelijkheid te bevestigen; maar een vreemdeling dient zich van deze instellingen wel terdege rekenschap te geven, anders loopt hij niet weinig gevaar, zich al heel spoedig te ergeren, wanneer hij namelijk de familiariteit ondervindt van menschen die hem thuis niet anders dan op behoorlijken afstand en met den hoed in de hand zouden durven naderen. Wat mij betreft, als deze karaktertrek maar niet getint werd door mallen hoogmoed en een fatsoenlijke bediening niet in den weg stond, dan heb ik mij daardoor nooit beleedigd gevoeld, en uiterst zelden (als 't ooit gebeurd is!) ben ik een Amerikaan tegengekomen die dezen eigenaardigen trek in hun karakter op eene ruwe of stuitende wijze openbaarde. Een paar malen had ik op dit punt een koddige ontmoeting. Ik zal dit voor de aardigheid eens meedeelen, maar voeg er nadrukkelijk bij, dat dit ten eerste alles behalve van dien aard was om er boos over te worden, integendeel, en buitendien zelfs in de verste verte als geen doorgaanden regel mag beschouwd worden.
In een zekere stad had ik een paar laarzen noodig, want ik had geen andere om mee te reizen dan die met de gedenkwaardige kurken zolen, die veel te heet waren voor 't dek eener stoomboot. Vandaar dat ik een kruier naar een "artist in laarzen" stuurde met een boodschap in dezen trant: wel de complimenten van den heer Dickens, en ik zou me gelukkig achten, als ZEd. zoo vriendelijk zou willen wezen, om eens even bij me aan te komen. Waarop de "artist in laarzen" heel vriendelijk ten antwoord gaf, dat hij dien avond om zes uur eens "kijken" zou.
Ik lag op de canapé met een boek en een glas wijn naast me. 't Was bij zessen. Daar ging de deur open, en een heer, zoo wat in de dertig, met een stijve das om, trad binnen. Met handschoenen aan en zijn hoed op, liep hij dadelijk naar den spiegel, streek zijn haar in orde, trok zijn handschoenen uit, en haalde langzaam een maat uit de diepste diepte van zijn jaszak en verzocht me op een lijmerigen toon om mijn souspieds los te maken en mijn laarzen uit te trekken. Ik deed dat, maar keek meteen een beetje nieuwsgierig naar zijn hoed, dien hij nog altijd ophad. Of 't nu daarvan kwam, of van de warmte--genoeg, hij nam hem af. Toen ging hij op een stoel tegenover me zitten, leunde met een arm op elke knie, boog zooveel mogelijk voorover en met veel inspanning gelukte het hem, om op die manier het proefstuk van hoofdstedelijke nijverheid, dat ik zoo even uitgetrokken had, van den grond op te beuren. Ondertusschen floot hij dat het een lust was om te hooren. Hij draaide de laars om, en nog eens om; bekeek ze met een minachting die geen taal kan uitdrukken, en vroeg me of ik er op gesteld was dat hij me een laars maakte zooals die? Hoffelijk antwoordde ik hem daarop, dat, als de laarzen maar groot genoeg waren, ik de rest aan hem overliet. "Als ze mij"--in dezer voege liet ik me uit--"als ze mij maar makkelijk zitten en 't u niet al te moeielijk is, dan heb ik voor mij er niets tegen, als ze wat lijken op 't model dat u daar voor u heeft; maar overigens laat ik 't geheel en al aan uw oordeel en discretie over."--""Dan staat u er zeker niet op, dat de hiel zóó gemaakt wordt? Weet u, dat doen we hier op 'n andere manier."" Ik herhaalde mijn laatste opmerking. Alweer keek hij in den spiegel. Ditmaal ging hij er zelfs dichter voor staan om wat stof, dat in den hoek van zijn eene oog geraakt scheen te zijn, uit te peuteren. Ook zijn das kreeg een beurt. In al dien tijd zat ik daar, met een Jobsgeduld, met mijn been en voet in de hoogte. "Is u bijna klaar, mijnheer?" vroeg ik. "O zoo aanstonds," zei hij, "hou uw voet maar strak." Ik hield èn voet èn gezicht zoo strak mogelijk. Ondertusschen was hij klaar gekomen met het stof in zijn oog, waarop hij zijn potlood kreeg, mij de maat nam en het noodige opteekende. Zoodra hij gedaan had, verviel hij in zijn oude houding, nam de laars weer in zijn hand, en bekeek ze eenigen tijd. "En dit is nu," zei hij eindelijk, "een Engelsche laars! Dit is 'n Londensche laars, niet waar?"--"Dat is," antwoordde ik, "een Londensche laars, m'nheer." Alweer monsterde hij ze, op de manier waarop Hamlet met Yorick's schedel te werk ging; schudde het hoofd, als wou hij zeggen: "ik beklaag de Instellingen die tot de productie van zoo'n laars leidden!" stond op, stak zijn potlood, aanteekeningen en papier in zijn zak--al dien tijd in den spiegel kijkende--zette zijn hoed op; trok op zijn doode gemak zijn handschoenen aan, en stapte ten langen leste op. Hij was nog geen minuut weg geweest, of de deur ging weer open, en weer zag ik zijn hoed en hoofd verschijnen.... Hij kijkt de kamer rond, en weer naar de laars, die nog op den vloer ligt, schijnt eenige oogenblikken in gepeins verzonken en zegt toen: "Nou, goeien avond."--"Goeden avond, m'nheer," zeg ik daarop, en hiermee was de conferentie met den artist-laarzenmaker afgeloopen.
Er is nog maar een punt, waar ik een aanmerking op wensch te maken, en dat is op de openbare gezondheid. In zoo'n uitgebreid land, waar duizenden millioenen morgen lands onbewoond en onbebouwd zijn, en op elke roede dier onmetelijke vlakten de plantengroei jaarlijks tot ontbinding overgaat; waar zooveel groote rivieren zijn, en het klimaat hier zóó en daar zus is,--dáár, 't kan niet missen, moeten in zekere gedeelten des jaars allerlei ziekten heerschen. Maar, na mijn onderhoud met verscheidene beoefenaars van de geneeskunde in Amerika, durf ik gerust verzekeren, niet alleen te staan in de meening, dat, als men maar enkele gewone voorzorgsmaatregelen in acht wou nemen, veel van die heerschende ziekten kon voorkomen worden. Grooter middelen van persoonlijke zindelijkheid zijn te dien einde onmisbaar; de gewoonte om, driemaal daags, groote hoeveelheden dierlijk voedsel door 't keelgat te jagen en na iederen maaltijd dadelijk zich aan stilzittende bezigheden over te geven, deze gewoonte dient veranderd te worden; de teere sekse moet wijzer gekleed gaan en wat meer gezonde beweging nemen; en wat dit laatste betreft, dienen ook de mannen mee te doen. Maar 't is vooral in openbare inrichtingen, en in iedere groote of kleine stad, dat het stelsel van ventilatie, drainage en afvoering van onzuivere stoffen een geheele herziening vereischt. Ja, er is geen plaatselijk bestuur in Amerika, dat het voortreffelijk verslag des heeren Chadwick, over den Gezondsheidstoestand van onze arbeidende klassen, niet met onmetelijk voordeel zou kunnen bestudeeren.
En nu ben ik aan 't einde van dit werk gekomen. Afgaande op zekere wenken, die mij sinds mijn terugkeer in Engeland gegeven zijn, heb ik maar bitter weinig reden om te gelooven, dat het door 't Amerikaansche volk hartelijk of gunstig zal ontvangen worden. Het zij zoo! Ik vermeen onder de zoodanigen te behooren, die in staat zijn, een oordeel te vellen en hun meening uit te spreken; en mij hoofdzakelijk richtende tot de zoodanigen, was 't mij slechts hierom te doen, de Waarheid te schrijven, niets meer en niet minder. Dat ik volstrekt niet verlangd heb, populaire toejuiching te verwerven, door me van onbehoorlijke middelen te bedienen: ziedaar iets waar men zich onder de lezing van heeft moeten overtuigen.
Het is me genoeg, te weten, dat wat ik in de vorigen bladzijden heb neergeschreven, mij aan den overkant van den Atlantischen Oceaan geen enkelen vriend kan kosten, die in eenigerlei opzicht dien naam verdient. Overigens stel ik mijn volle vertrouwen op den geest waarin mijn mededeelingen zijn ontworpen en opgesteld, en kan ik mijn tijd afwachten.
Ik heb geen melding gemaakt van de wijze waarop men mij ontvangen heeft; evenmin heb ik toegelaten, dat die ontvangst van invloed kon zijn op 't geen ik heb geschreven, want in een van beide gevallen had ik maar met een povere erkenning voor den dag kunnen komen, pover in vergelijking met de gevoelens die ik in mijn ziel jegens die partijdige lezers van mijn vorige boeken aan de overzij der zee koester, welke mij met een open hand te gemoet kwamen, en niet met een hand die een ijzeren muilband vastmaakte.
EINDE DER SCHETSEN UIT AMERIKA.
TAFEREELEN UIT ITALIË.
LEZERS PASPOORT.
Willen de lezers van dit werk de vriendelijkheid hebben, van den schrijver zelven hunne geloofsbrieven te nemen voor de verschillende plaatsen, die het onderwerp zijner herinneringen uitmaken, dan zullen zij ze, in hunne verbeelding, wellicht op des te aangenamer wijze bezoeken, en beter begrijpen wat zij mogen verwachten.
Er zijn veel boeken over Italië geschreven, welke talrijke middelen opleveren ter beoefening der geschiedenis van dat belangwekkende land en de tallooze associatiën die er zich om heen winden. Ik verwijs schaars tot dat magazijn van kennis; want al heb ik, in mijn eigen voordeel, toevlucht genomen tot de voorraadschuur, dan beschouw ik het daarom toch niet als een noodzakelijk gevolg er van, dat ik haar licht toegankelijken inhoud voor de oogen mijner lezers moet ontvouwen.
In deze bladen zullen zij evenmin een ernstig onderzoek van het bestuur of wanbestuur van dat land vinden. Het kan niet missen, of een bezoeker van dat schoone land moet, ten aanzien van dat onderwerp, eene innige overtuiging verkrijgen; maar vermits ik het, als vreemdeling, gedurende mijn verblijf aldaar, verkoos, mij te onthouden van het redetwisten over dergelijke vraagpunten met Italianen, van welke rang ook, zou ik thans maar liever niet in dat onderzoek treden. Gedurende de twaalf maanden, dat ik een huis te Genua bewoonde, heb ik nooit ondervonden, dat de bestuursmachten, uit den aard achterdochtig, mij wantrouwden; en het zou me spijten, als ik ze reden gaf om hare onbekrompen hoffelijkheid, ten aanzien van mij zelven of eenigen mijner landgenooten, te beklagen.
Waarschijnlijk is er in geheel Italië geen beroemd schilderstuk of standbeeld, dat niet begraven kon worden onder een berg gedrukt papier, gebruikt tot verhandelingen er over. Daarom zal ik niet in het breede uitweiden over beroemde schilderijen en beeldhouwwerken, hoezeer ik een warm bewonderaar der schilder- en beeldhouwkunst ben.
Dit boek is eene reeks van zwakke weerkaatsingen--enkel schaduwen op het water--van plaatsen, welke de verbeeldingskracht der meeste menschen in hooger of minder graad aantrekken; aan welke zich de mijne jaren lang heeft gehecht, en welke voor allen eenigermate belangwekkend zijn. Het grootste gedeelte dezer beschrijvingen werden op de plaats zelve ten papiere gebracht en van tijd tot tijd in vriendschappelijke brieven naar huis gezonden. Die omstandigheid vermeld ik niet als eene verschooning voor eenige leemten, daarin te vinden, want dat zou geene verontschuldiging zijn; maar als een waarborg voor den lezer, dat zij ten minste zijn geschreven toen ik van het onderwerp vol was en onder de levendigste indrukken der nieuwheid en frischheid.
Hebben zij misschien het voorkomen van iets hersenschimmigs en beuzelachtigs, wellicht dat de lezer zal veronderstellen, dat ze geschreven zijn in de schaduw, op een zonnigen dag, te midden van de voorwerpen waarover ze handelen, en zij zullen hem er niet te minder om bevallen, dat ze blijk geven van zoodanig een invloed van het land.
Ik hoop niet, dat ik, ten aanzien van eenig ding, in deze bladen vervat, met eenige waarschijnlijkheid verkeerd zal worden verstaan door de belijders van het katholiek geloof. In een mijner vroegere voortbrengsels heb ik mijn best gedaan, hun recht te laten wedervaren; en ik hoop, dat zij het in dit werk ten mijnen opzichte zullen doen. Maak ik melding van eenigerhande vertooning, die mij ongerijmd of onaangenaam voorkwam, dan zoek ik die niet in verband te brengen, noch erken, dat ze noodwendig in verband staan met het wezenlijke van hun geloof. Als ik handel over de plechtigheden in de Heilige Week, dan spreek ik alleen over het uitwerksel er van; dan doe ik daarom geen aanval op des goeden en geleerden Dr. Wiseman's verklaring van deze. Als ik er een wenk van geef, dat ik een tegenzin heb van nonnenkloosters voor jonge meisjes, die de wereld afzweren alvorens zij ooit een proef van deze genomen of haar gekend hebben; of als ik twijfel aan de heiligheid, krachtens het ambt (ex officio), van alle priesters en monniken; doe ik niets meer dan menig nauwgezet katholiek, in mijn land zoowel als in den vreemde.
Ik heb deze tafereelen vergeleken bij schaduwen op het water geworpen, en zou gaarne de hoop koesteren, dat ik het water nergens zoo ruw heb geroerd, dat er die schaduwen door zijn bedorven. Ik kon nooit sterker verlangen, met al mijne vrienden op goeden voet te staan, dan thans, nu zich al wederom ver gelegen bergen op mijn weg verheffen: want ik heb niet noodig te aarzelen in het afleggen der bekentenis, dat ik er op gezet ben, een kort geduurd hebbenden misslag te erkennen, welken ik, niet lang geleden, beging, door het storen der oude betrekkingen tusschen mij en mijne lezers, en dat ik, voor een oogenblik afwijkende van mijne oude bezigheden, op het punt sta, die met opgeruimdheid in Zwitserland weder op te vatten; waar ik, gedurende nog een jaar afzijns, tegelijkertijd onafgebroken de plannen kan uitwerken, welke ik nu in mijn hoofd heb; en, terwijl ik mijne Engelsche toehoorders binnen het bereik mijner woorden houd, tevens mijne kennis kan uitbreiden van een edel land, dat onuitsprekelijk aantrekkelijk voor mij is.
Dit boek is zoo toegankelijk mogelijk gemaakt, omdat het mij groot genoegen ware, zoo ik mocht hopen, door middel daarvan, mijne indrukken te vergelijken met die van eenigen onder de menigte, welke de geschetste tooneelen later met belangstelling en genoegen zullen bezoeken.
En nu heb ik alleen nog maar, naar de wijze der reispassen, het signalement mijner lezers te schetsen, hetwelk ik hoop dat, voor beiderlei sekse vooronderstellenderwijze, in dier voege geschetst kunne worden:
Kleur Schoon. Oogen Zeer vroolijk. Neus Niet trotsch. Mond Lachend. Aangezicht Stralend. Algemeene uitdrukking Uiterst aangenaam.
DOOR FRANKRIJK.
Op een schoonen Zondagochtend, in het midden van den zomer des jaars achttienhonderd vier en veertig, was het, goede vriend, dat--schrik geenszins; niet dat men twee reizigers had kunnen opmerken, hoe zij traag hun weg vervorderden, op den schilderachtigen en oneffen grond, langs welke men gewoonlijk het eerste hoofdstuk van een middeleeuwschen roman bereikt--maar, dat een Engelsche reiswagen van aanmerkelijken omvang, zoo pas gehaald uit de belommerde zalen van Pantechnicon [19] bij Belgrave-Square te Londen, werd gezien door een zeer klein Fransch soldaat (want ik zag dat hij er naar keek), hoe deze de poort uitreed van het hotel Meurice, in de straat Rivoli te Parijs.
Ik ben niet sterker verplicht opheldering te geven, waarom de Engelsche familie, die met dit rijtuig--binnenin en buitenop--reisde, van al de dagen der week, juist op Zondag naar Italië zou trekken, dan tot het aantoonen der reden, waarom in Frankrijk al de kleine manspersonen soldaat en al de dikke mannen postiljon zijn: dat een onveranderlijke regel is. Maar zij hadden, ik twijfel er niet aan, eenigermate reden voor hetgeen zij deden; en hunne reden, in het geheel genomen, daar te zijn, was, zooals gij weet, dat zij een jaar lang het schoone Genua gingen bewonen; en, dat het hoofd des gezins voornemens was, gedurende dat tijdsbestek overal rond te zwerven waar zijn rustelooze geest hem zou voeren.
En het had mij luttel genoegen gebaard, aan de bevolking van Parijs in het algemeen, de verklaring te geven, dat ik hoofd en aanvoerder was, en niet de stralende verlichamelijking van opgeruimdheid, die naast mij zat in den persoon van een Fransch koerier--de beste der bedienden en de glansrijkste man! Om de waarheid te zeggen, zag hij er aanmerkelijk meer aartsvaderlijk uit dan ik, die in de schaduw zijner heftige diklijvigheid tot volstrekt niets wegkromp.