Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 29
"Sinds het bovenstaande was geschreven, kregen we een nota van den boekhouder van de Thames, waar de volgende bijzonderheden in voorkomen. Gouv. Baggs werd Vrijdagavond den 6 l.l., terwijl hij in zijn kamer in zijn eigen huis te Independence zat, door den een of anderen schurk doodgeschoten. Zijn zoon, een jongen, die een knal hoorde, vloog de kamer in, en vond den gouverneur in zittende houding in zijn stoel. Zijn kaak was geheel uitgezakt en zijn hoofd hing achterover. Zoodra de knaap merkte wat men zijn vader gedaan had, maakte hij alarm. In den tuin werden eronder 't raam voetstappen gevonden en een pistool opgeraapt waarvan men veronderstelde dat het overladen en door de hand van den onverlaat, die het afschoot, daar neergesmeten was geworden. Drie schoten, die zwaar waren geladen, hadden doel getroffen. Het eene was namelijk door zijn mond gegaan, het tweede in de hersenpan en het derde waarschijnlijk in of bij de hersenpan, terwijl alle drie tot heel achter in den nek en in 't hoofd doorgedrongen waren. Op den morgen van den 7 leefde de gouverneur nog; maar zijn vrienden koesteren in 't geheel geen hoop op zijn herstel, zijn geneesheeren maar bitter weinig hoop.
"Men had vermoeden op een man, en de Sheriff heeft hem op dit oogenblik allerwaarschijnlijkst reeds in zijn macht.
"De pistool behoorde tot een koppel, dat een dag of wat geleden van een bakker te Independence ontvreemd was geworden, en de overheid heeft de beschrijving van het andere."
"ONTMOETING.
"Een ongelukkige zaak vond Vrijdagavond in Chastres Street plaats, waar een onzer achtingswaardigste burgers met een dolk een gevaarlijke wond in den onderbuik werd toegebracht. Uit de Bij (New Orleans) van gisteren vernemen we dienaangaande de volgende bijzonderheden: Het schijnt dat er Maandag laatstleden een artikel in 't Fransche gedeelte dier krant stond, waarin eenige critische aanmerkingen voorkwamen op het artillerie-bataljon, wegens het afvuren namelijk van zijn kanonnen op Zondagmorgen, in antwoord op die van de Ontario en Woodbury, waardoor veel alarm veroorzaakt was geworden onder de families van die personen, welke den geheelen nacht op de been waren geweest om de rust der stad te bewaren [17]. Daarover geraakt, ging majoor C. Gally, de bataljons-commandant, bij 't bureau der redactie aan, en vroeg den naam van den schrijver. Men zei dat de schrijver P. Arpin heette, die toen afwezig was. Met een der eigenaars van 't blad werden toen eenige bittere woorden gewisseld, waar een uitdaging op volgde. Wel deden de vrienden van beide partijen hun best om de zaak bij te leggen, maar tevergeefs. Vrijdagavond, tegen zevenen kwam majoor Gally den heer P. Arpin in Chastres Street tegen en sprak hem aan: "Is u m'nheer Arpin?"
""Ja m'nheer."
""Dan heb ik u eenvoudig te zeggen, dat je een" (hier volgde een toepasselijk scheldwoord) "bent."
""Ik zal u aan uw woorden herinneren, m'nheer."
""Maar ik heb gezegd dat ik m'n stok op je schouder stuk zou slaan."
""Dat weet ik, maar ik heb den eersten slag tot nog toe niet gevoeld."
"Op deze woorden sloeg Majoor Gally, die een rotting in zijn hand had, den heer Arpin dwars over 't gezicht, waarop deze een dolk uit zijn zak haalde en den Majoor in den onderbuik trof.
"Men koestert vrees dat de wond doodelijk zal zijn. Wij vernemen dat de heer Arpin zekerheid heeft gegeven dat hij voor het Crimineel gerechtshof zal verschijnen om zich te verantwoorden."
"VECHTPARTIJEN IN MISSISSIPPI.
"Op den 27 l.l. werd er bij een vechtpartij in de nabijheid van Carthago, graafschap Leake, Mississippi, tusschen James Cottingham en John Wilburn door den laatsten op den eersten geschoten, en werd hij zoo schrikkelijk gewond dat er geen hoop was op zijn herstel. Den 2 l.l. ontstond er een vechtpartij te Carthago tusschen A. C. Sharkey en George Goff, waarin de laatste een schot kreeg, dat men voor doodelijk hield, Sharkey gaf zich bij de autoriteit aan, maar bedacht zich later en ontvluchtte!"
"ONEENIGHEID.
"Eenige dagen geleden werd in Sparta de kastelein van een logement handgemeen met een zekeren Bury. Het schijnt dat Bury een beetje luidruchtig was geworden en dat de kastelein, vast besloten om de orde te bewaren, gedreigd had om Bury dood te zullen schieten, waarop Bury een pistool voor den dag haalde en den kastelein neerschoot. Volgens de laatste berichten was hij niet dood, maar bestond er weinig hoop op zijn herstel."
"DUEL.
"De boekhouder van de stoomboot Tribune bericht ons dat er laatstleden Dinsdag nog een tweegevecht heeft plaats gevonden en wel tusschen den heer Robbins, een ambtenaar aan de Bank te Vicksburg, en den heer Fall, den uitgever van de Vicksburger Schildwacht. Volgens afspraak hadden de partijen elk zes pistolen, die zij, op 't woord "vuur!" zoo dikwijls als ze verkozen, zouden afschieten. Fall schoot tweemaal zonder gevolg. Het schot van den heer Robbins was raak en wel in de dij van Fall, die neerviel en het gevecht niet langer voort kon zetten."
"VECHTPARTIJ IN 'T GRAAFSCHAP CLARKE.
"Een ongelukkige vechtpartij vond er Dinsdag den 19 l.l. plaats in 't graafschap Clarke (Mo) bij Waterloo. Deze vechtpartij ontstond uit een regeling van zaken betrekkelijk de vennootschap der heeren Kane en Allister, die een likeurstokerij gedreven hadden, en eindigde met den dood van den laatstgenoemden, die door den heer Kane neergeschoten werd, omdat hij getracht had zich in bezit te stellen van zeven vaatjes whiskey, het eigendom van Kane, die Allister bij gerechtelijke verkooping tegen één dollar per vaatje waren toegewezen geworden. Kane vluchtte onmiddellijk, en volgens de laatste berichten was het der politie niet gelukt, hem in handen te krijgen.
"Deze ongelukkige vechtpartij veroorzaakte daarom zoo geweldige opschudding in de buurt, omdat beide partijen mannen waren met talrijke huisgezinnen, die van hen afhingen, en goed ter naam en faam in de gemeente bekend stonden."
Nu zal ik nog maar een enkel voorbeeld aanhalen, een voorbeeld dat om zijn monsterachtige ongerijmdheid de kroon op deze afgrijselijke daden zal zetten.
"EEREZAAK.
"Wij hebben zoo even de bijzonderheden gehoord van een ontmoeting die Dinsdag plaats had op Six Mile Island, tusschen twee jonge bloeden van onze stad: Samuel Thurston, oud vijftien, en William Hine, oud dertien jaar. Ze werden door jongeheeren van denzelfden leeftijd gesecondeerd. De bij deze gelegenheid gebruikte wapens waren een paar van Dicksons beste buksen; de afstand, dertig el. Zij schoten eenmaal op elkaar, zonder dat de eene partij de andere eenig letsel toebracht, behalve dat de kogel uit Thurston's geweer door den bol van Hine's hoed ging. Door de tusschenkomst van den Raad van Eer werd de uitdaging ingetrokken en het geschil vriendschappelijk bijgelegd."
Als nu de lezer zich eens voor wil stellen met wat voor soort van Raad van Eer we hier te doen hebben, die zoo vriendschappelijk het geschil bijlegde tusschen deze twee kleine jongens, die in elk ander deel der wereld heel vriendschappelijk op een bank waren gelegd, waar men ze heel vriendschappelijk met berkenroeden afgestraft zou hebben,--ik maak me sterk, dat hij al het bespottelijke van deze "Eerezaak" niet minder in zal zien dan ik, die, telkens als ik er om denk, er hartelijk om lachen moet.
En nu, met deze stuitende bewijzen van den wezenlijken toestand der maatschappij in en bij de slavendistricten in Amerika voor oogen, nu doe ik een beroep op ieder mensch die een greintje gezond verstand en een beetje gevoel bezit, op ieder mensch die onbevooroordeeld is en redelijk denkt, onverschillig van welke staatkundige of kerkelijke kleur, en ik vraag: kunnen zij in 't minst twijfelen aan den werkelijken toestand waarin de slaaf verkeert, of kunnen ze voor een oogenblik vrede sluiten tusschen deze instelling of eenige van haar in 't oog springende vreeselijke kenmerken, en hun billijk oordeelende gewetens? Zullen zij, al is 't eenigszins vergroot, van een of ander verhaal van afgrijselijke wreedheid zeggen, dat het onwaarschijnlijk is, als ze de openbare prenten kunnen raadplegen, en onder 't loopen getuige kunnen zijn van daden als deze, gepleegd jegens elkander, door menschen die heerschappij uitoefenen over de slaven?
Weten we dan niet, dat al wat de slavernij maar leelijks en wanstaltigs in den hoogsten graad heeft aan te wijzen, èn de oorzaak èn het gevolg is van de verregaandste buitensporigheid, die deze vrijgeboren bandieten zich veroorloven? Weten we niet, dat de man die onder de verkeerdheden der slavernij is geboren en grootgebracht geworden; die in zijn kindsheid gezien heeft hoe mannen genoodzaakt werden om op het woord van commando hun eigen vrouwen af te ranselen, hoe vrouwen op onbetamelijke wijze gedwongen werden, haar eigen kleeren op te houden, opdat de mannen des te zwaarder slagen op haar beenen konden toebrengen, hoe vrouwen tijdens haar barensnood werden afgejakkerd en getreiterd door brutale opzichters en onder de zweepslagen moeder werden; die beschrijvingen van weggeloopen mannen en vrouwen en hun verminkte personen gelezen heeft of zijn jeugdige zuster heeft zien lezen, die elders onmogelijk duidelijker opgegeven konden worden, ook al gold het de viervoetige bewoners van een boerderij of een tentoonstelling van dieren;--weten we niet, wil ik nu eenvoudig gevraagd hebben, dat, als de toorn van zoo iemand maar ontstoken is, die man een brutale wilde zal zijn? Weten we niet, dat evengoed als hij een lafaard is, die, mèt zijn zware zweep gewapend, onder zijn van schrik ineenkrimpende slaven en slavinnen heen en weer loopt, hij zoo ook een lafaard zal wezen buitendeurs, en, eens lafaards wapenen in zijn borst verborgen houdende, iemand waar hij woorden mee krijgt, op staanden voet doodschieten of doodsteken zal? En als ons verstand ons deze en soortgelijke dingen niet leerde; als we zulke idioten waren om onze oogen te sluiten voor die prachtige methode, volgens welke zulke mannen opgevoed worden, zouden we dan nòg niet weten, dat zij, die in de zaal der wetgevende vergaderingen, en op 't kantoor, en op 't marktplein, en wat vreedzame plaatsen er nog meer in onze maatschappij gevonden worden, onder huns gelijken dadelijk met dolk en pistool in de weer zijn, voor hun onderhoorigen, ook al waren zij vrije dienstboden, zooveel ongenadige en onverbiddelijke dwingelanden moeten wezen?
Hoe! Zullen we uitvaren tegen Ierlands onwetenden boerenstand, en.... dadelijk water in onzen wijn doen, als er sprake is van deze Amerikaansche bazen?! Zullen we ach en wee roepen over de brutaliteit van hen die het vee de kniepees doorsnijden, en.... de Lichten der Vrijheid op aarde sparen, van die Lichten die mannen en vrouwen de ooren afkappen, die aardige spreuken snijden in 't lillend vleesch, die les geven hoe men met gloeiend ijzeren pennen op 't menschelijk aangezicht kan schrijven, die hun dichterlijke phantasie pijnigen om verminkingslivreien te verzinnen die hun slaven gedurende hun leven dragen en naar 't graf meenemen zullen, die, evenals de krijgsknechten deden die den Zaligmaker der wereld bespotten en doodden, levende ledematen breken en weerlooze schepsels neerzetten om er schijf op te schieten?! Zullen we jeremieeren over legenden van de pijnigingen, die de Heidensche Indianen elkaar aandoen, en... glimlachen over de wreedheden van christenmenschen?! Zullen we, zoolang deze dingen aanhouden, juichen op de verstrooide overblijfselen van dat statige ras, en victorie kraaien, als de blanken zich in 't bezit hunner uitgebreiden landen verheugen? Och, wat mij aangaat, herstel dan liever der Indianen bosch en dorp; laat in plaats van sterren en strepen zoo'n nietige veer in den wind wapperen; vervang de straten en pleinen door wigwams; en al moge de lijkzang van een honderdtal fiere krijgers door de lucht weergalmen, bij den gil van één ongelukkigen slaaf zal 't ons als muziek in de ooren klinken.
Kom, laat ten opzichte van een onderwerp, dat we dagelijks voor oogen hebben en waaromtrent ons nationaal karakter van lieverlede verandert, de klinkklare waarheid gesproken worden, en laat ons niet, als lafaards, uitvluchten bedenken, door op den Spanjaard en den opvliegenden Italiaan te wijzen. Trekken Engelschen het mes als ze ruzie krijgen, laat men er dan openlijk voor uitkomen en zeggen: "Deze verandering danken we aan de Republikeinsche Slavernij. Dit nu zijn de wapens der Vrijheid. Met scherpe punten en kanten zooals deze, hakt en houwt de Vrijheid in Amerika haar slaven; of wil dit altemet niet vlotten, geen nood! dan wijden haar zonen diezelfde kanten en punten tot een beter gebruik, en keeren ze.... tegen elkaar."
XVIII.
SLOTOPMERKINGEN.
SLOTOPMERKINGEN.
Er komen verscheidene passages in dit boek voor, waar 't me inderdaad eenige moeite heeft gekost, de verzoeking te weerstaan, om mijn lezers met mijn eigen gevolgtrekkingen en slotsommen lastig te vallen. Ik voor mij gaf er toch de voorkeur aan, dat zij voor zich zelf zouden oordeelen en wel uit zulke gegevens als ik onder hun oogen gebracht heb. Ja, mijn eenige plan in den beginne was, ze getrouwelijk overal mee te nemen waar ik naar toe ging, en van die taak heb ik me gekweten.
Maar men zal 't mij niet ten kwade kunnen duiden, dat ik, alvorens dit boek af te sluiten, begeerig ben, met een paar woorden mijn eigen gevoelen uit te drukken over zoo'n onderwerp als het algemeen karakter van 't Amerikaansche volk en het algemeen karakter van hun maatschappelijk stelsel, gelijk zich dat aan des vreemdelings oog voordoet.
Van nature zijn de Amerikanen openhartig, degelijk, hartelijk, gastvrij en vriendschappelijk. De beschaving en verlichting schijnen de warmte van hun hart en hun vurige geestdrift eer goed dan kwaad te doen; en nu is 't juist het bezit van deze laatstgenoemde eigenschappen in een alleropmerkelijksten graad, dat een welopgevoed Amerikaan tot een der beminnelijkste en edelmoedigste vrienden maakt. Nooit heeft een klasse van menschen mij zoozeer voor zich ingenomen als deze; nooit schonk ik mijn volle vertrouwen en achting zoo spoedig en zoo van harte als aan hen; nooit kan ik weer, in een half jaar tijds, zooveel vrienden maken wien ik zooveel genegenheid toedroeg als had ik ze al de helft mijn levens gekend.
Onvoorwaardelijk geloof ik, dat deze eigenschappen het geheele volk eigen zijn. Dat ze evenwel in haar wasdom jammerlijk ondermijnd en bedorven worden onder den grooten hoop, en dat er invloeden werkzaam zijn, waaronder deze zelfde eigenschappen er nog meer gevaar loopen, zóó zelfs dat er voor 't oogenblik bitter weinig uitzicht op bestaat, dat ze haar normale gezondheid ooit terugkrijgen: ziedaar een waarheid die niet verzwegen mag worden.
Het is een wezenlijk deel van elk nationaal karakter, machtig grootsch te zijn op zijn gebreken, en juist uit de overdrijving, waar men zich te dezen opzichte aan schuldig maakt, de teekenen van zijn deugd en wijsheid af te leiden. Zoo is er één groote vlek in 't volkskarakter van Amerika, en de vruchtbare bron van ontelbare verkeerdheden; en die is? Een algemeen Wantrouwen. De Amerikaansche burger geeft echter zoo grif niet toe, dat dit een vlek is. Integendeel! Hij laat zich nogal iets voorstaan op dezen geest, ook zelfs dan nog, wanneer hij onbevooroordeeld genoeg is, om al het verderfelijke, dat er uit voortvloeit, op te willen merken; en niettegenstaande zijn eigen verstand hem van 't tegendeel overtuigd, zal hij het zelfs als een voorbeeld aanhalen van de groote schranderheid en scherpzinnigheid zijner landgenooten en hun superieure slimheid en zelfstandigheid.
"Gij brengt," zegt de vreemdeling, "dezen naijver en dit wantrouwen in elke handeling van 't openbare leven over. Doordien ge waardige mannen uit uw wetgevende vergaderingen weert, is er een klasse van candidaten voor den dag gekomen, waarmee het stemrecht nu te rekenen heeft, die, in elk hunner daden, uw Instellingen en uw volkskeus in kwaden reuk brengen. Het heeft u zoo wispelturig en veranderlijk gemaakt, dat uw onstandvastigheid tot een spreekwoord is geworden, want zoo gauw zet ge den een of anderen afgod niet goed en wel neer, of ge kijkt, om zoo te zeggen al naar de gereedschappen om, waarmee ge hem straks van zijn voetstuk afrukken en verbrijzelen zult. En waarom doet ge dat nu? Waarom? Omdat zoodra ge een weldoener van 't volk, of een openbaar ambtenaar, beloont, gij hem, louter omdat hij beloond is, ook op staanden voet wantrouwt en onmiddellijk aan 't visschen gaat of gij altemet ook te scheutig met de bewijzen uwer erkentelijkheid geweest zijt, of hij, nu de aap toch binnen is, misschien ook aan 't slabakken is en zich van zijn taak met een Jantje van Leiden afmaakt. Van den President af, kan ieder, die een hooge plaats onder u inneemt, gerust zijn val van dat oogenblik dagteekenen; want de eerste de beste gedrukte leugen, die de een of andere bekende schavuitige penvoerder in omloop weet te brengen, al druischt die leugen ook ten eenenmale tegen 't karakter en den levenswandel van den bekladde in, ze maakt op eens uw wantrouwen gaande en.... wordt geloofd. In één woord, op den weg van 't vertrouwen, hoe eerlijk ook gewonnen en hoe welverdiend, zult ge een mug uitzuigen, maar een heele karavaan van kemels zult ge doorzwelgen, als ze maar beladen zijn met onwaardige twijfelingen en lage vermoedens. Nu vraag ik u zelf in gemoede af: zou zoo'n gedragslijn wel de geschiktste wezen om in uw midden het karakter der bestuurders of bestuurden te verheffen?"
Het antwoord komt onveranderlijk hierop neer: "Bij ons bestaat, naar ge weet, vrijheid van meening. Zoo denkt iedereen voor zich zelf, en wij zijn er de mannen niet naar, om ons zoo gemakkelijk een knol voor een citroen in de hand te laten stoppen. Ziedaar de reden waarom ons volk achterdochtig is geworden."
Een andere in 't oogloopende trek in 't Amerikaansche volkskarakter is de zucht om in zijn handel en wandel "bij de hand" te zijn,--een eigenschap, die menige zwendelarij en verregaande kwade trouw, menige openbare en particuliere knoeierij verguldt, en menigen schurk, die een strop driedubbel verdient, in staat stelt om met zijn hoofd in zijn nek den besten onder de oogen te zien--alhoewel datzelfde "bij de hand zijn" in een tijdsverloop van slechts weinig jaren meer gedaan heeft om het openbaar krediet te benadeelen en de openbare hulpbronnen te verstoppen, dan domme eerlijkheid, onbezonnen als die soms te werk gaat, in een eeuw kon gedaan hebben. De "verdiensten" van een mislukte speculatie, of bankroet, of fortuinlijken gauwdief worden dan ook niet beoordeeld naar den maatstaf van den gulden regel; "Doe, zooals ge wilt dat men tegenover u doe," och neen, maar naarmate er, met betrekking tot de zaak of den persoon, van meer of minder "bij de hand zijn" sprake is. Zoo herinner ik me, dat ik, beide keeren toen ik dat slecht ter naam staande Caïro bij den Mississippi passeerde, eenige opmerkingen maakte over de nadeelige gevolgen, die zulke op groote schaal gedreven bedriegerijen teweeg moesten brengen als ze aan 't daglicht kwamen. "Komen zulke knoeierijen uit," in dier voege redeneerde ik onder anderen, "dan spreekt het vanzelf, dat men buitenlands over 't algemeen wantrouwen krijgt en huiverig wordt om met u handel te drijven." Hierop trachtte men mij aan 't verstand te brengen, dat men met dat al aardig geld wist te verdienen en het alleraardigste van dat "bij de hand zijn" nog dit was, dat men al die aardige dingetjes in 't buitenland heel gauw vergat en weer aan 't speculeeren ging alsof er niets gebeurd was. De volgende samenspraak heb ik wel honderdmaal gehouden: "Is 't niet erg te bejammeren, dat zoo'n man als N. N. op zoo'n verfoeielijk gemeene manier aan zooveel geld komt, en ondanks al de misdaden waar hij zich aan schuldig heeft gemaakt, door uw burgers zelfs geholpen wordt? Is zoo iemand eigenlijk geen lastpost en schandvlek in de maatschappij?"--"Ja, m'nheer."--Een overtuigd leugenaar?"--"Ja, m'nheer."--"Hij is geschopt, heeft klappen om zijn ooren gekregen, en is op rottingsmeer getrakteerd, niet waar?"--"Ja, m'nheer."--"En hij is in den hoogsten graad wat men, plat doch duidelijk uitgedrukt, onder een uitgekotsten ploert verstaat?"--"Ja, m'nheer."--"Maar waar steekt dan toch in vredesnaam zijn verdienste in?"--"Wel, m'nheer, 't is een man die bij de hand [18] is."
Op dezelfde manier worden allerlei bekrompen en onstaatkundige gebruiken op rekening gesteld van den nationalen handelzucht, ofschoon er, grappig genoeg, een vreemdeling een erge grief van zou gemaakt worden, bijaldien hij de Amerikanen als een volk van kooplui aanzag. De handelzucht wordt aangewezen als een reden voor die met alle comfort zoo ten eenenmale in strijd zijnde, doch niettemin in landsteden zoo sterk overheerschende gewoonte, dat getrouwde lui in logementen wonen, geen eigen haard er op nahouden, en elkaar van den vroegen morgen tot den laten avond zelden ontmoeten, of 't moest aan de tables d'hôte zijn, waar alles nog wel zeer haastig in zijn werk gaat ook. De handelzucht is een reden waarom Amerika's letterkunde voor altijd onbeschermd moet blijven: "want wij zijn een handeldrijvend volk en bekommeren ons niet om poëzie," ofschoon wij, om dit van onzen kant in 't voorbijgaan te doen opmerken, wèl voorgeven dat we erg grootsch zijn op onze dichters, maar gezonde vermakelijkheden, vroolijke middelen van uitspanning, en heilzame phantasieën het veld doen ruimen voor de stroefgetroniede maar dubbeltjes opleverende handelspret.
Deze drie kenmerkende eigenschappen nu van 't Amerikaansche volkskarakter vallen den vreemdeling telkens en telkens weer in 't oog. Maar de zoo weinig tierende woekerplant van Amerika's verderf heeft nog een knoestiger wortel dan deze en slaat haar vezelen diep in zijn losbandige Pers.
In Oost en West, in Noord en Zuid mogen er scholen opgericht worden, waar honderden bij honderden, duizenden bij duizenden leerlingen worden onderwezen door ontelbare onderwijzers; colleges mogen er bloeien, kerken mogen er propvol zijn, matigheidsgenootschappen mogen er handen vol werk hebben, en met reuzenschreden moge de uitwendige beschaving in elken anderen vorm vooruitgaan, het zij zoo! maar zoolang de krantenpers van Amerika op haar tegenwoordigen lagen trap, of daaromtrent, blijft staan, zoolang is de innerlijke, de wezenlijke beschaving in dat land hopeloos. Jaar-in jaar-uit moet en zal ze achteruitgaan; jaar-in jaar-uit moet de standaard der openbare meening lager zinken; jaar-in jaar-uit moet zoowel het Congres als de Senaat minder in tel geraken bij alle fatsoenlijke lieden; en jaar-in jaar-uit moet de nagedachtenis van de groote Vaderen der Omwenteling hoe langer hoe meer gehoond worden in den slechten levenswandel hunner verbasterde kinderen.
Onder de massa kranten, die in de Vereenigde Staten worden uitgegeven, zijn er sommige--behoef ik 't den lezer eigenlijk wel te zeggen? die karakter hebben en krediet. Een persoonlijke kennismaking met hoogst beschaafde heeren, die aan de hier bedoelde bladen verbonden waren, heeft me dan ook veel genoegen verschaft, ja ik heb er zelfs voordeel van getrokken. Maar helaas! de naam van deze klasse is Weinige, en van de andere Legio; en machteloos is de invloed der goede Pers om het doodelijk gif der slechte tegen te werken.
Onder de fatsoenlijke burgerij van Amerika; onder de goed en bedaardgezinden; onder de geleerden; aan de balie en rechtbank is er, en kan er trouwens niet anders dan één meening zijn ten opzichte van 't verderfelijk karakter dezer schandbladen. Soms wordt het betwist, dat hun invloed zoo groot zou zijn als een vreemdeling allicht zou veronderstellen.--Nu, ik zal niet zeggen, dat mij zoo iets bevreemdt, o neen; niets natuurlijker toch dan om verontschuldigingen te zoeken voor zoo'n schande: als men 't mij maar niet kwalijk wil nemen, wanneer ik van mijn kant zoo vrij ben, hiertegen aan te voeren, dat er geen gegronde reden bestaat, om 't te kunnen betwisten, daar al de op dit punt maar al te welsprekende feiten tot een lijnrecht daartegenover staande slotsom leiden.