Part 5
O God! O God!
Plots was ze helder wakker, duwde 't hoofd in de kussens, snikte zoo hartstochtelijk, dat 't lichaam in rukken bewoog.
Hoe lang zou 't leven nog duren, dat ontzettende, laffe, wanhopige leven! Nou had ze geld, véél geld. Nou was 'r weelde. Nou had ze geen gewurm om 'n stuk brood, zooals die vent daar beneden.
O God! O God! Als je me maar dood wou laten gaan... Als je me liet stikken, nou dadelijk... 'k Heb je toch niet om dat lamme leven gevraagd!...
Ze hokte door, tot ze moe was, borg 't hoofd onder 't dek, huiverig, benauwd door de stilte in huis.
Ineengehurkt, 'n klit warm vleesch, lag de man op 't veldbed. Met z'n voeten trapte hij, verkneukelend tegen de deken, wrijvend de magere beenen langs de weeke wol. Hij voelde zich as god in de warmte van 't bed. Met gesloten oogen van genot, sufte hij zonder 'an iets te denken, dommelde, zonder te slapen. 't Bed was té lekker. Hij was zóo in zijn geluk, dat hij woelde en draaide van pret. Heelemaal ging de slaap weg. Hij vloekte lachend, zich weelderig voelend. Even zei hij hardop... "Sodeju!"... toen lag hij weer stil, optrekkend de knieën tot an z'n buik. Buiten sloeg 't drie, héél in de verte. Nog sliep hij niet. De gevulde maag en de goede ligging werkten zoo mal.
Opeens dacht-ie an de vrouw. Zacht grinnikte hij om z'n kemieke ideeën. Telkens zag hij haar weer in d'r mooie japon... met d'r aardige snuitwerk... Onrustig kreunde hij, dee de oogen open, keek naar de bevroren ruiten, waarachter de maan scheen. Stil zat hij op in 't bed, het hoofd in de handen, hoestte krakend, maar bleef lodderig, met brandende oogen, tobben.
's Morgens, heel vroeg, stond hij op.
In de keuken was de meid an 't werk.
"'k Zal nou maar heengaan," zei de man.
"Natuurlijk," zei de meid.
Hij ging door de gang. Bij de trap stond hij stil, luisterend. Geen geluid. Met een bons viel de deur achter hem dicht. Met z'n schop en z'n bezem stapte hij verder.
PRINSES COLIBRI.
Ring. De muziek valt in. Het doek gaat op. Uit de linker coulissen komt een bleek meisje met een pop in de armen. Ze is als kind gekleed, met de slappe, lange jurk van een Engelsche danseres. Ze draagt hooge leeren laarzen. Zoo lijkt ze op het tooneel eerder oud vrouwtje en ze begint te zingen.
Het stemmetje is effen, ongevuld. De bewegingen zijn gemaakt en aangeleerd. Het dunne lachje komt telkens bij het refrein terug. Niet vroeger en niet later. Lach en gebaren zijn buiten het kind om. Ze zingt met haar wassen gezichtje zonder de woorden te begrijpen, zonder aandacht voor de oude en jonge heeren, die haar bekijken en dan begint ze te dansen, pervers te dansen, zooals oudere vrouwen het doen, met een vroeg uitgerot schaamtegevoel, stoot er quasi-erotische gilletjes bij uit, balanceert de pop en komt met het altijd wassen onbeweeglijk gezichtje terug bij het voetlicht, wachtend tot zij weer in kan vallen.
Soms bij het opwerpen der rokjes, bij het zingen der zinnelooze liedjes, kijkt ze tusschen de coulissen, waar iemand schijnt te staan.
Als ze gedaan heeft, klappen de kellners, de menschen in het buffet, de andere artisten en een paar heeren in de zaal.
Ze komt terug, zingt nog wat, onverschillig, begriploos, een afloopende Neurenberger pop met wassen gezichtje, zwarte wenkbrauwen, aangezette oogen en vuurrood geverfde lipjes.
Het is half tien.
Na een half uur, waarin andere vrouwelijke "specialiteiten" gezongen, gedanst hebben, klinkt het weer: Ring. Het doek gaat op. Midden op het tooneel is een verhooging aangebracht. Drie kinderen komen op, met een meneer.
Het eene kind is het kind van straks. Ze is geheel in vleeschtricot. Ze heeft niets meer van een pervers oud vrouwtje. Ze is nu mager, tenger meisje van hoogstens 13 of 14 jaar met hetzelfde wassen gezichtje, met dunne armpjes, met magere beentjes. Zij heet Prinses Colibri.
Het tweede kind, hoogstens tien of elf jaar, ook in vleeschtricot is mager en bleek.
Het derde kind, ook meisje, maar iets ouder, veertien of vijftien jaar, lijkt naast de twee andere abnormaal vet, een meisje met vroegrijpe vormen.
De meneer, die met de drie meisjes opkomt heeft niets buitengewoons. Hij is in gewoon wandelkostuum, draagt op de borst een ridderorde. Het is de vader, de voogd, de impresario, de dresseur der kinderen. Hij geeft stoelen en zakdoeken aan en vertoont zijn ridderorde aan het publiek.
Prinses Colibri en de twee anderen wippen vlug op de verhooging. Ze zijn alle drie even lenig, even slangachtig. De dresseur heeft de lichaampjes goed gebroken. Het laat niets te wenschen over. De kinderen wringen zich in de onmogelijkste houdingen. De ruggegraten zijn verwonderlijk elastisch geworden. De hoofden van alle drie kunnen tusschen de beenen gebracht worden. Als ze op de handen staan, bengelen de lichamen er als proppen boven. Ze kunnen alle drie op den grond zitten, met de beenen loodrecht op zij gespreid. Ze kunnen alle drie op een been staan en het andere langs het hoofd strekken. Zij kunnen alle drie op de borst liggend de hielen tegen de achterhoofden brengen. Zij kunnen alle drie de vreemdste houdingen aannemen, alsof de lichamen geen beenderen, geen spieren hebben. De dikste, die van veertien jaar, weet zich op een stoel om te rollen als een hoepel. Het is verbazingwekkend.
De meneer met de ridderorde let op of alles goed gaat.
Alles gaat goed. Niets mislukt. De kinderen lachen niet, lijken niet vermoeid, spreken niet; zij wringen, wringen, wringen als slangen, als wonderkinderen.
De meneer met de ridderorde knikt goedkeurend.
Na tien minuten is het klaar. De kelners, de menschen in het buffet, de artisten in de zaal en zoowat het heele heerenpubliek klappen in de handen, trappen, slaan met stokken.
Ze komen àl terug.
Ze buigen, knikken.
Ze beginnen weer.
De meneer met de ridderorde laat een paar ringen zakken.
De meneer met de ridderorde draagt een stoel aan.
Prinses Colibri springt er op en doet eenige toeren.
Het bleek tienjarig meisje wentelt aan de ringen.
Het dikke meisje vertoont wat kunstjes.
Nu komt een gezamenlijke toer.
De dikke staat op de ringen. Met de beenen om haar heen hangt Prinses Colibri. Aan Prinses Colibri hangt het tienjarig bleeke kind.
"Bravo! bravo!"
Er is werkelijk enthousiasme in de zaal.
En de kinderen werken heel goed.
De meneer met de ridderorde knikt.
Tien minuten werken ze zoo--de kinderen--en draagt de meneer met de ridderorde den stoel heen en weer. Soms tilt hij het jongste meisje bij de ringen.
Eindelijk is het dan toch klaar.
De geheele zaal applaudisseert.
Zulke knàppe kinderen.
"Bravo! bravo!"
Hetzelfde van straks.
Hand aan hand komen de kinderen terug voor het voetlicht, buigen, lachen, lachen.
Maar het is nog niet uit.
De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri en het tienjarig kind op. Aan de ringen heeft hij haakjes gehangen. Aan de haakjes zijn leertjes bevestigd. Prinses Colibri en het tienjarig kind bijten in de leertjes, bijten er stevig in en blijven zoo aan de gebitten hangen.
De meneer met de ridderorde wacht tot de kinderen goed beet hebben en geeft beiden dan een duw, dat ze aan de ringen heen en weer schommelen.
Net éngeltjes zoo. Met de handen gevouwen en hangend aan de gebitten.
Als ze weer op den grond staan, dreunt de zaal van applaus der kellners, artisten en van het publiek.
Het is nog niet gedaan.
De meneer met de ridderorde tilt Prinses Colibri nog eens omhoog. Ze hangt nu met de magere beentjes in de ringen. Hij reikt haar wat toe. Ze neemt het in den mond. Het is een mooie glinsterende machine, met een leertje er aan, van onder. De meneer met de ridderorde tilt dan het tienjarig kind er bij, dat weer in het leertje bijt, zoodat Colibri haar zusje in den mond draagt.
"Bravo!"
Maar het is nog niet gedaan.
Welnee.
De meneer met de ridderorde doet een riem om de lendenen van het bleek tienjarig kind, tilt het nog eens op en Colibri bijt opnieuw in een leertje dat achter aan den riem vastzit.
De meneer met de ridderorde geeft een duw en... jongen... het tienjarig kind draait als een tol, terwijl Prinses Colibri het bij de tanden vasthoudt.
Daverend applaus.
Het is gedaan.
De muziek begint een nieuwen deun.
Het heeft wel twintig minuten geduurd.
Prinses Colibri is een wonderkind. Ze doet twee nummers op een avond, werkt van negen tot half elf. Zingen, dansen, slangenkunsten, athletiek. Ze is dertien of veertien. Ze kan héél wat worden. Ze heeft een goeden dresseur. Die meneer met de ridderorde. Ze is veel beter gedresseerd dan de honden en katten in den Parkschouwburg, véél beter dan het zwijn bij Carré dat bier drinkt.
BLOEMEN.
Wel schemerde door het lijkzwart der boomen de éérste donzing van groen, maar de dagen waren koud--hagel en regen kletsten langs de ruiten en de grond bleef zwart.
Vandaag is de zomer gekomen.
Als ik door het raam kijk, is niets veranderd. Boven de tuinschutting staan boomen, oud en levenloos, stil en doodsch, alsof ze nooit weer groen zullen dragen.
Alles ligt dof en uitgeput, als in ontvangst van den winter met zijn sneeuwen mantel. Het uitzicht op dat plekje puingrond, met wat droge, netgelijnde burgertuintjes er naast, is niet opwekkend. Maar je went er aan, zooals je aan alles went en het leven zooals het om je heengegroeid is, het leven zooals de menschen het voor je geluk gekneed hebben, is nu eenmaal een ding, waarin niets meer een groote teleurstelling of een groote verbazing voor je zijn kan. Ik bedoel dat je aan je zelf ten slotte niets vreemds meer vindt, als je je-zelf betrapt, na twee, drie jaar, in hetzelfde huis, voor dezelfde tafel, voor hetzelfde raam, met het uitzicht op het altijd zelfde plekje puingrond, ingemetseld tusschen drie houten wanden. Bij tijden komt er een verwondering over je, een verschrikt gevoel, een angst dat het gegolf der jaren zoo op je aandreunt en je altijd nog burgerlijk en rustig inwoont tusschen de andere menschen met huizen, tafels, ramen en stukjes grond,--bij tijden meen je dat er toch wel plots een verandering zal komen, zoo een heel-groote, wonderlijke, gelukkige verandering, waarnaar je snakt, waarom je bidt met brandende oogen als je soms stil zit, droomend, soezend, ingekeerd tot je zelf als een ziener die niet-te-verhalen visioenen en droomen heeft,--maar dan zijn er weer dagen, schrikkelijk-heldere dagen, waarin je wéét, waarin je op eens klaar wakker bemerkt dat je twee, drie jaar op één plek gewoond hebt, met geen ander doen dan gaan in straten, tusschen hooge huizen door, langs vreemde en bewegelijke menschen en telkens weer je rust vond voor het oude raam, in de ouwe kamer, met het uitzicht op hetzelfde strakke, zwarte, door het Noorden gedoode vierkantje grond. Anderen zijn er die zoo hun geheel leven verleven bij roode en groez'lige dakpannen.
Vandaag is de zomer gekomen.
Ja de zomer moest er zijn.
Zelf heb ik hem niet gezien. Je went er aan den zomer niet te zien. Je went aan je kamer, aan je vier muren, aan je snuisterijen, aan je tabakspijpen, je papieren, je boeken, maar van den zomer zoo ineens, van den wilden, gloeienden, heeten zomer, zou je ziek worden, als ze je zonder overgang uit je stille kamer in het zonlicht zetten.
Toch is vandaag de zomer gekomen. Het heeft me onrustig gemaakt, gejaagd, ongelukkig. Het is weer een van die klaar-heldere dagen geweest, een van dat vaste, zekere, stalen begrijpen van twee levensjaren, zooals de menschen die je opdringen voor je geluk.
Toen ik opstond, liep hij juist te schreeuwen bij zijn wagen, het rimplige joodje. Ontzaglijk oud en vies leek hij achter de dronken kleuren der bloemen. Van alle kanten schoven de buurjuffrouwen uit haar deuren, leien koperen plakjes in de beenige hand van 't joodje en liepen dan heen met de bundeltjes kleuren.
Drie bouquetjes kocht ik voor een dubbeltje, zette ze in een schaal, deed er water bij en toen was de kamer al vol van dien sterken, zoeten, behaaglijken reuk der hyacinthen.
Nu staan ze voor me, vlak voor me, terwijl ik dit schrijf. Ze hebben me gewaarschuwd niet te lang, niet te dichtbij te ruiken. Maar ik wil nu eens dronken zijn, dronken van het zonlicht dat op en door en tusschen de hyacinthen tuimelt, dronken van het roode purper, van het wit, het blauw, het paars, het roze, het groen, dronken van de openstaande kelken, die als klokken lijken te luien en de geuren, de geuren door de kleine, doffe kamer bengelen. Dit is een festijn, waarvan niemand iets ziet, niemand iets weet, niemand iets begrijpt. Het is een prachtig feest, een bachanaal, een zomersche dag. Ik weet niet wat ik aan die bloemen het mooist, het heerlijkst, het goddelijkst zal vinden. Die karmijnen blaadjes, plooiend over elkander, heet en dorstig naast het gekartelde groen, vind ik om te zoenen,--het wit is om zoo volop met breede handen aan te vatten en op te werpen om het hoofd, om het lichaam als klaterend uit een fontein. Maar er is het roze nog, het wit met bloedende randen, het fluweelige paars, het andere rood, het effene blauw. Het is om je gezicht in te slaan, je mond diep er in om den geur op te halen. Het is om in te plonzen je oogen als ze nog tranen hebben en langzaam bedwelmd in te slapen, zonder smart, zonder woede, zonder verlangen. Het zijn bloemen en kleuren, die aan je ooren rukken en rinkelen, die je het gelaat striemen, die je toegillen als krijschende, hel-oplachende vrouwen, die je aan je keel vatten en schreeuwen dat er heele velden zoo zijn, velden van purper en geel, blauw en wit, velden in het zonlicht, velden in de opene, frissche lucht, velden waar boomen zijn met aanpluimend groen, velden waar vogels het voorjaar, den zomer influiten.
Ja dit is om dronken te worden in je ouwe kamer, voor je ouwe tafel, voor je ouwe raam, voor je zwarte, harde, dooie tuintje, het is om dronken te worden, princelijk gelukkig, princelijk trotsch, princelijk jezelf, het is om bij te zingen, al je ouwe gedoe te vergeten, je buren, die in gevangenisjes naast je wonen, de menschen, het stratenlawaai. Je ziet alleen maar de weelde, de weelde van kleuren, je voelt alleen maar dat ontzettende, groote geluk van het schitterende, schetterende leven vlak voor je, naast je bruine tabakspijp, naast al de muffe, duffe gebruiksdingen, die elk moment door je handen gaan. Je moet er telkens naar kijken, naar het gejoel van het rood en wit en purper en blauw en geel en groen. Je wilt er in zien wat er niet aan te zien is, je loopt in je kamer op en neer en herkent je tafel niet meer. Het is je tafel niet meer. Je ziet alleen de bloemen, het rood, het wit, het gekriel van de kelken, der bengelende kelken, die den reuk, den priklenden, zoeten, bedwelmenden, door de kamer wapperen.
O, dit is een festijn. Een bloemfestijn in je vierkante kamer, waar je twee, drie jaar geleefd hebt, preciesjes geleefd, burger, fatsoenlijk burger, met die en die en die, die je bedienen, waar je van de wereld niets ziet dan een streep van den hemel, licht of flets, helder of donker, al naar 't verderop is, verderop waar je nooit komt.
Eigenlijk is het om bij te lachen, te schateren van 't lachen, als je ze ziet de hyacinthen, bleek en rood, paars en wulpsch op den wagen, voortgeduwd door 't rimplige joodje,--eigenlijk is het om te schudden, te kraken van 't lachen, als ze je zoo voor wat centen dat purperen bloed, het sneeuwige wit, het domlende blauw in huis dragen. Wat doen ze in de stad? Wat doen ze in de nauwe straten? Wat doen ze in de duffe, benauwde binnenkamertjes? Ze doen er gek en dol, baldadig, en maken je dronken, dronken, dronken èn onrustig. Ja in je dronkenheid kun je maar niet tot bedaren komen. Het is zoo lachwekkend, zoo in-dol, zoo komiek, zoo kemiek! Bij de dranktafels in koffiehuizen zie je de menschen rood worden van 't lachen. Ze stikken haast, ze hoesten en worden blauw. Zoo lachen ze, zoo gieren ze het uit. Maar dat is nog niets. Dat is kindergelach bij het geschater, dat je doet schudden op je ouwe stoel, voor je ouwe tafel, bij je ouwe raam, als je een klaren dag in je leven hebt, een klaren, grijzen, effenen dag, een dag zooals die van gister, een dag zooals die morgen zijn zal, een onrustigen vreemdlevenden dag, bijna een gaping in je bestaan, als je zoo in je binnenkamer merkt dat de zomer er is, dat er weer bloemen, roode, witte, paarse, purperen bloemen zijn, dat je voor wat centen uit vuile jodenhanden den zomer koopt.
MEISSIE.
Grijsgrauw de lucht, triestig, kil.
Een fijne, koude motregen.
Stil lag 't kamp, onzegbaar droevig, onzegbaar ellendig.
Naast elkander de wagens, de lange roode, gele, blauwe kermiswagens; logge, vuile gevaarten verzinkend in slik.
Naast elkander het gore wit der daken.
Rookwalmpjes kronkelden uit kachelpijpstompjes. De nattige wind speelde er mee. Donkergrijs pluksel, blauwig; dikke kolommen, dàn weer verwasemend tot mist, dan vettig-wit.
Voor de wagens 'n pad, zwart, glibberig, smerig; 'n pad van modder met bloemkoolstronken, biezen en slijkige plassen; 'n pad doorloopen, doortrapt.
Links 'n schuur, vermolmd, groenig bemost, 'n planken-kadaver, 'n morsige ruïne.
Ook links 't veld, onbebouwd, stoppelig, grijs, dampig, toonloos, in de verte wegsmeltend in 't fletse der wolken.
Ook links stammen van boomen, geknot, met kale, spookachtige grijptakken, bladerloos, dood.
Rechts, stapels van steenen, bakken met kalk, rommel en balken van huizen in aanbouw.
Achter, 'n sloot drabbig, goor water, stinkend, met spattende bellen.
Heel achter: huizen, wit nog van nieuwheid. Metselwerk rood, slijmrig beslagen. Balkonnetjes lief met kleurtjes rose en paars en ramen met gedoe van fatsoenlijke, knusjesdoende burgermenschen.
"Dáár woon 'k," zei de schilder, lachend bekijkend de meid, en wees met z'n hand naar de huizen.
"Nee," stotterde ze.
Langzaam schetste hij door in den kermiswagen.
Hij kwam er drie dagen. De oude doove moeder poseerde, voor vijftig centen per keer.
De dochter keek toe dan.
"Als je nou kómt van avond.... ben ik thuis...."
"'k Kom niet...."
"Jezus, wat ben je toch stom!.... Wat heb je hier nou?...."
"'k Durf niet...."
"Ha! Ha! Ha!.... affijn, je mot 't zelf weten.... 'k vin-je 'n knappe meid.... 'n mooie meid.... Je verdient hier geen cent.... Kom nou poseeren van avond, wil-je?...."
"Nee.... Nee!...."
"'k Zal je geen kwaad doen...."
"'k Kom niet...."
"Goed dan.... uitgepraat!...."
Uit z'n humeur werkte hij door.
Zwijgend 't hoofd in de handen, zat zij in 'n hoek, kijkend van 't hoofd der slapende moeder naar 't penseel.
Ze zag alleen maar zijn handen, blank, met den diamanten ring en zijn breeden rug.
Toen-ie heenging, hield-ie haar hand vast.
"Kom nou van avond..."
"Nee..."
En hij probeerde d'r even te zoenen.
De deur van den wagen viel dicht. Achter bleef ze met de doove moeder, die sliep.
Achter bleef ze in 't schemerdonker, soezend voor zich heen.
Nat werden d'r oogen, wazig.
Ze wist niet waarom.
Ze had 't niet kunnen zeggen.
D'r kwam 'n malle, vreemde weemoed, 'n huilerig gevoel van meelij over d'r.
Donkerder werd 't. Moeder bleef slapen.
De vormen van meubels en kermisgerei, vreemder, vager.
Alleen nog zichtbaar de roode sprei van 't pronkbed, de glimming van het koper op de kast; onzekere, donkere schaduwen.
Flauw viel 'n schijn door de twee kleine ramen op zij.
Eindelijk was ze opgestaan.
Nog droomend en suffend ging ze naar buiten, leunde tegen den wand van den wagen.
Kinderen, vuil, in ellendige plunje speelden in 't slijk. Een schreeuwend lawaai van verwilderde rakkers. Ze rolden op en over elkander, onder 'n wagen, gillend en gierend, trappend en krijschend, als 'n rattennest verdierlijkt.
Daarnaast zaten twee schooiers stoelen te matten, gebogen 't hoofd, om beter te zien in 't half-schemerdonker. De handen bewogen snel en de biezen gleden geel-streeperig over 't hout. Beestmenschen, hongerlijders, verschoppelingen.
Weer verder 'n oud wijf, gezakt met 't lichaam, in lompen, op den rand van 'n mand. Walgelijk dat wijf met 't bruine gezicht vol groeven van vuil. Beenig de handen en vingers, als van 'n skelet.
Toen ze de meid zag, begon ze te grijnzen.
..."Is-ie weg, zeg, jouw mooie meneer."
"Dat zie je..."
"Fijn spul, nou! nou!... 'k hè-ze in mijn tijd ook zoo gekend.... Heit-ie je uitgeportretteerd, zeg?"
"Nee... moeder..."
"Geloof 'k geen bliksem van... Ken dat van vroeger... Most je toch schamen, zoo, overdag... Jij bent 'n brutale..."
"Laat me met rust!..."
"Affijn gelijk hè-je... gelijk hè-je..."
Strompelend, krakend-kuchend, ging de voddenraapster naar binnen.
De twee stoelenmatters werkten door, kletsend en spuwend.
De kinderen stoeiden, gillend van pret in de modder.
Alleen in èèn tent was 'n zeurig, blerrend gehuil van 'n zuigeling.
't Kamp lag in 't donker. De vormen der wagens leken sombere silhouetten, met klein verlichte ramen.
Zacht motregende 't.
Over 't moddrige pad kwam een kerel, groot, ruw. Over z'n schouders bengelden zakken; 'n hoekig vierkant.
"Bè-jij daar?"
"Ja..."
"Wat sta je te slape?..."
"Ik wacht je..."
"Hè-je wat verdiend?... Nou?..."
"Niks..."
De man vloekte razend. Eerst wou-die d'r slaan. Toen scheen-ie te denken. Kwaadaardig smeet-ie de zakken neer:
..."Lui beest!... motte wij voor jou zorge?... Madam!... Luie madam!... Ik loop me poote kapot... Jij vreet alleen... Da's uit nou!... 'k Heb an moeder genog... Stik voor mijn part!... Lamme beroerling!"
Ziedend van drift, smeet-ie de deur achter zich dicht.
Stil bleef de meid.
Suf keek ze op naar de lucht. Grauw, bijna zwart, 'n dreigende diepte. 'n Peilloos, wanhopig zwart.
In de huizen was licht gekomen.
Gele, stralende vakken in den nacht.
'n Beweging van donkere schimmen.
Ze zag ook dàt venster met roode gordijnen, leuk-rood, vriendelijk, gezellig.
Wezenloos keken haar oogen naar den rozigen schijn. Ze dacht an de handen, blank, met den ring, den diamanten ring.
En ze richtte zich op, gaande mechanisch en dof.
In den laatsten wagen was licht. Daar zat de snijder van houten vogels. Bij 'n walmende lamp kookte die hout. Z'n deur stond open.
"Ga je nog uit, Ko?..."
"'k Ga wèg..."
"Weg?..."
"Vort... 'k heb d'r genog van..."
"Bè-je nou gek!..."
"Zel j't ze zegge?..."
"Meid... je ben nog zoo jong!... Pas nou op."
"Zel j't ze zegge?..."
"Waar ga je na toe?..."
"Da-weet ik... Gaat niemand an..."
"Luister nou eve..."
"Ajuus... 'k Hè d'r genog van..."
WARREM.
Naast elkander lagen ze in 't gras. Trien snurkte als een verkouden Puckhond. Moeder's ronde opgebolde rug veerde zachtjes op en neer. De zon blakerde de lichamen, blakerde het gras, blakerde de boomen, blakerde den heeten, grijzen, mullen landweg.
Trien lag met het hoofd op het pak manufacturen. Als een nimbus was het roode haar om het bruine sproetengelaat. Haar neusvleugels leken oesterschelpen, haar welvoorziene boezem ruischte gelijkmatig op het rhythmisch pucken-gesnurk. Moeder lag in bevallige houding, met den breeden dikken opgebolden rug naar den hemel gekeerd. Van boven gezien bood zij het volgend panorama: Eerst een wit gebreid mutsje, door welks gleufjes en gaatjes peperhaar schemerde, dan een korte dikke bruine nek, dan een vettige roodbruine das, dan een wollen omslagdoek, dan een katoenen japon, paf neerhangend om haar lichaam-op-z'n-breedst, dan een paar witte banden van het voorschort, dan een paar zwarte gestopte kousen, ten slotte twee stuk geloopen leeren toffels.
Het was warm. Ja, het was vreeselijk warm. Trien had een kleur als van geroosterd brood. Een grasspriet tikkelde aan tegen haar neus, een vlieg mafte rustig op haar koon. Ze sliep als een dikke blom in het gras.
Het was warm. De zon gloeide neer op den landweg. Dikke logge vliegen bromden tusschen de halmen. Een bij--naast moeder's linker toffel--gonsde laag langs den grond van de eene kleur in het gras naar de andere. In den stompigen wilg over de sloot zat een vogel slaperig tusschen het groen. Een warme kikker kwekkerde.