Schetsen, Eerste bundel

Part 3

Chapter 34,015 wordsPublic domain

Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de sardientjes in het busje na. Er waren er nog vijf. Op sardientjes was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven en twintig en een halven cent. Elken dag, 's morgens, at zij er één met een beetje van die "lekkere" olie. Soms had je voordeelige bussen met tien sardientjes, maar 't gebeurde ook wel--zulke bedriegers--, dat er maar acht of negen in waren.

Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde een zacht ei. Ze dee 't tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het water suisde, lei ze 't eitje er in, bleef geduldig vijf minuten naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte, maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.

Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee 't bedaard, zeker, alles in de nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren, die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan de Bonheur-du-jour.

Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel precies in het midden van den tafellooper en kwamen Gartenlaube en portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te liggen. Dan begon ze aan haar toilet. Het is onwelvoeglijk om hier in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote, gelijke paardentanden.

Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar stukken cement te laten zien.

Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d'r familie leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote, beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.

Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en krulde 't elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd, maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging 't wél zoo goed.

Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poeder had gevoileerd, was ze klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen, kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. 's Zondags was het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier, dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien, wisten die wie er was. De vrouw van Frits had 't land aan d'r. Ze liet 't nooit merken, zei alleen tot de meid "dat vandaag de zuster van m'nheer kwam en 'r voor drie personen meer moest gekookt worden."

Lien had vijf kinderen. Die vond 't zoo buitengewoon niet als er iemand extra was, maar d'r man vroeg minstens ééns op een middag: "Riek, heb je wel genoeg?" wat de kinderen dee giegelen, omdat tante méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk nam, dat er geen saus meer bij kon.

Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor zoo'n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.

's Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d'r geen vierde boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van 's middags en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.

Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch welletjes. Elke week hield ze over. 's Morgens at ze weinig, 's avonds at ze niet--'s middags moest het komen--het, 't vet voor 't lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk, als ze met het witte, klapperende zoogdierengebit dineerde. Dan keek ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte ze vriendelijk en at. Dan werd ze spraakzaam--tusschen de happen door--en at.

Ze at meer, op zoo één maaltijd--dan een gezonde huzaar die twaalf uren achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open en "nam in." Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen, lei vork en mes netjes naast 't bord--nooit gekruist: daar kwam ruzie van--spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er nog wat eetbaars was en lei de handen berustend in den schoot.

Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet "onkiesch" zijn. Alleen zei de zwager, lachend, elken middag: "Riek, heb je wel genoeg?" Na het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die tien jaar geleden gestorven was.

Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten, ook weer precies op dàt uur, zoo als ze 's morgens nauwgezet éérst de Gartenlaube en dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen dicht, overgevoelig door te volle maag--ze klaagde wel eens over de spijsvertering--dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte gladde bakkebaardjes en zoo iets van 'n schemering van oogen. Z'n oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes, zooals-ie op bed lag toen z'm gevonden hadden.

Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. 't Hoorde bij den dag, bij 't dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkte ze. Dan wekten Frits of Lien d'r voor de thee en nam ze 'n handwerkje op.

Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam, dee 't pennetje in 't gaatje, zette den stoel met het glas voor de deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep en snurkte door haar neusgewelven.

NACHT.

Na twaalven, middernacht. Het is drukkend warm geweest. Op mijn schrijftafel brandt een lamp, op de middentafel brandt een lamp. Zoele benauwdheid hangt in de kamer. Ik ga naar buiten, in het tuintje.

Achterin, tegen de schutting geleund, soes ik en de ouwe, vreemde bekoring komt over me. Het is hier, zooals het overal is in de stad, in de stad, waar plekjes groen en brokken lucht aan den knapsten sjaggeraar zijn verkocht--, het is hier, zooals het overal is: een massaal vierkant van huizen, gedrochtelijke lijnen uitbijtend in den hemel en er tusschen kleine vierkante, regelmatige tuinen. Overdag haat ik die groote steenen gevangenis, die muren aan alle zijden, die gore, roodbruine muren, waarbinnen de gladde, netjes-aangeharkte, gelikte kniezerige lapjes grond suffen, die de impressie geven van propere burgermenschen op een propere visite van advocaat, rozijnen op brandewijn, oudbakken koekjes en groene zeep. Ik haat ze ontzettend, die tuintjes, die lieve tuintjes, die nette tuintjes met ronde effene perkjes, met glad geharkt grint, met groote, pompeuze, leelijke rhabarberplanten en rozestruikjes, die stòm genoeg zijn om overal purperrood, saffraangeel en wit in het zonlicht aan 't barnen te zetten voor elkeen, voor ieder, voor burger-juffrouwen, die aardappelen schillen, voor rooie, leelijke wijven aan de wasch, voor ravottende, drensende, bleeke kinderen, voor heeren die van d'r kantoor komen en een sigaar rooken in d'r tuin, na een diner van varkenskluifjes en aardappelen--ik haat ze, de vierkantjes grond, met boorden, manchetten en uitgehaalde nagels, ik haat ze, de vieze, verknoeide, verburgerlijkte tuinen, waar de wasch, de natte wasch, de manshemden en pofbroeken aan lijntjes hangen, waar de buren over de schuttingen heen elkanders gedoetje begluren, met mooi-weer-gezichten over de mense van één en twee-hoog kletsen, waar om zes uur m'nheer met 'n gietertje rondloopt, netjes potje voor potje, allemaal 'n beetje water, waar aalbessenboompjes groeien, zoo-lief, zoo-lief en de meissies op verandah's heele dagen zitten te handwerken. Ik zie nog net zoo graag straten met keien, of een vuile sloot. Overdag haat ik dat alles, het huizenvierkant, het groote, goren huizenvierkant, de tuintjes, de verandah's, de goeie menschen, de mooie rozen--alles. Dan bevuilt me buurvrouw links met d'r gepraat over het weer, alsof zij een sigarenwinkel heeft en ik een klant ben. Liefst groet ik onbeschoft niemand van die goeie menschen, van die beste menschen, die nét zoo in d'r nette tuintje luchtje scheppen als ik, ik, die óók zoo'n mooi tuintje heb.

's Nachts is het anders, zoo geheel, wonderlijk anders, is er bekoring, schoonheid, aandoening in het groote, doode, sombere huizenblok, geheimzinnigheid in de roode, flauwe uitschijningen der ramen. 's Nachts leven de huizen een grooter, sterker, krachtiger leven, gloeien de ruiten als heete, brandende oogen, zijn de tuintjes weg, de muffe tuintjes, de bloempotjes voor de ramen, de soeperige, gladgekamde franjes, de witte kozijnen, de vrouwen in witte jakken, de mannen met pijpen, de handwerkende meissies. 's Nachts zijn al-dingen in schaduw en schemering, is er mysterie om alles, mysterie om de gehate plat-burgerlijke werkelijkheid. Het is stil, rustig-stil. Uit een héél ver raam klinkt zacht stemmengeschuifel. In een duivenhok pikt een duif met kleine schokjes tegen den wand. Anders is de rust volkomen, harmonieus als de donkerte met haar geheimenissen.

Een ding hindert nog.

Schuins over, een venster, hel verlicht. De gordijnen zijn opgetrokken. In de prachtige geheimzinnigheid van den nacht, in de schaduw-hooping der doode, zwarte kolossen, puilt hinderlijk-naar het vierkante gat met z'n witte plafonnetje, z'n Fransche bazar-lamp, z'n bruine, bebloemde behangsel, z'n stel portretten van dierbaren, z'n rood-glimmende kast met beeldjes en heiligen, z'n stoelleuningen en bloemenstandaard. Er is niemand te zien. Maar je weet wel zoo wat, wát er zijn kan. Je denkt in ééns an de juffrouw met 'n gepletten neus en rullig rood haar, die overdag praatjes sabbelt met den m'nheer van benee over de waterleiding die niet loopen wil-as-dat 't 'n schandaal is. Ook in de keuken er naast zie je licht en gele plankjes met kastranden en glimmende koperen zaken en blauwe pannetjes. Verderop is 't alles prachtig. Vormlooze schaduwen, smeltend weg in de vormlooze lucht, boomen òpzwartend in het zwart van den nacht--, gele, roodrige vensters, waarachter het licht brandt gedempt.

Dan komt het wonder over je, het wonder om de dingen te weten, de dingen die geen verlangen wekken bij dag, in hun hooplooze, duffe burgerlijkheid. Je wil weten, wèten wat er is om je heen, weten wat de schaduwen voor leven hebben, weten het geheim dat de logge, drukkende schaduwvormen insluiten. Zacht op het gele gordijn, naar achter, ver weg, is het silhouet van een man of een vrouw, onbeweeglijk. Je kijkt er naar, verlangend, dorstig in je begeeren om iets af te weten, iets maar, van het schaduwfantoom. Je voelt je eigen leven zoo sterk, zoo zeker, zoo bewust in den nacht, waar niemand je ziet, waar je gedachten zoo vorstelijk vrij rond-gaan, waar je niets verbergt, omdat niemand spiedt--, je voelt je gedreven tot het silhouet, van den man of de vrouw, tot het vreemde, starre onbeweeglijke silhouet, waarachter leven is, waarachter een mensch is, een hart, een hoofd, een geraamte. De schaduw-mysterie pakt je, grijpt je, houdt je vast, de schaduw in z'n raam van stil licht. Als nu de man of de vrouw op zou staan en het gordijn optrekken en je zou zien: kamertje met meubels, behangsel, licht, prentjes, zou het geheimzinnige wèg zijn, zou je weer denken aan al 't leelijke dat 'n mensch met zulk 'n zielige zielloosheid verzamelt, aan onderbroekwasschende vrouwen, aan sauskommetjes, aan kouwe rollènde, aan 't heele kniezige kamertjesgedoe van menschen die tellen en wurmen, met leege hoofden, met arme hoofden en geluk trachten vast te houden binnen vier muren bij de omeletpan, bij de koffietafel, bij de kinderspeen.

Voor, achter, op zij: hetzelfde. De plompe reuzenschaduwen van het huizenvierkant groeien op in de luchten, alles zwart, schemerig-zwart, peilloos-zwart. De roode-mat-lichtende vensters dwalen er tusschen, de schaduwen spelen er tusschen, schaduwen van boomen, struiken, menschen, schaduwen die zich vermengen, die vergroezlen tot het zwart van den stillen, rustigen nacht, schaduwen van leven, schaduwen van schijnbaren dood.

De gaten van licht dooven uit. Het wordt stiller en luidloozer, geen menschenstem, geen gerucht anders dan dat van de pikkende duif. Dit is zoo een volkomen geluk, een helder gaan van gedachten bij de onbewogen schaduwvormen, in de rust.

Dit is gelukkig én triestig, het voelen en weten der menschen rondom, één hoog, twéé hoog, allen slapend, allen opgehoopt tusschen vier muren, allen met eigen, ander, onvatbaar, vreemd leven, allen verborgen in den rouwsluier van nacht, allen in de doode, zwarte rompen der huizen, allen levend in de levenloosheid, allen met een thuis, allen met een klein apart geluk, allen droomend hun droomen, allen onzichtbaar in het donker zooals ik, levend in het donker, zooals ik.

En ginder nog altijd op het geelwit van 't raamsilhouet, de schaduwman, de stilte, en wat rukjes van wind in struiken, een zacht praten van blaren, het pikken van de duif en de altijd strakke, wilde lijning van het huizenvierkant, omhoog.

Maar dan snerpt een klaaglijk geluid in de stilte. Ergens in een tuin begint een hond te huilen, lang-klagend als de door klauwen gesmoorde kreet van een stervende. Het kille, aanloeiende geluid dreunt in het huizenvierkant, van muur tot muur geslagen, van muur tot muur voortgejammerd. Even blijft het stil. Dan opnieuw reutelt de triestige galm, lang, gillend over de hoogste schaduwlijnen, aanplonsend uit het donker en pijnlijk, hortend wegstervend in het donker.

Flets en scheemrend begint het daglicht over de vormen te dagen, lichte streep boven de linksche huizenrij.

In de kamer is alles gezellig. De lampen branden en ik lig nog wat lui. Door de tullen gordijnen zie ik het donker buiten, buiten, waar de dingen in nacht staan te droomen. Wie dáár mogelijk nu gluurt, ziet mijn kamer, de boeken, de lampen, de prenten, ziet ook mijn levenlooze silhouet en mijn gebukt stilzitten.

BARTJE.

Wat Bartje overkwam, den dag vóór ze stierf.

Den dag vóór ze stierf, had ze het eenig en zonderlingst lotgeval in haar leven. Negen en zeventig jaar had ze rustig, zonder te groote oneffenheden bij Arnhem gewoond. D'r man was dood. Willem leefde. Willem was d'r zoon, die in Atjeh geweest was en nou in Amsterdam in betrekking was. Waarschijnlijk zou Bartje zònder het eenig en zonderlingst avontuur gestorven zijn, wanneer ze niet plotseling op het denkbeeld gekomen was, om Willem te gaan opzoeken.

Ze hadden d'r in Arnhem verteld, dat er een pleziertrein zou loopen voor een koopje. Nog nooit had ze gereisd. Nou wou ze. Ze wou en was d'r niet meer van af te brengen. Ze was zoo in eens koppig geworden. Als de bovenbuurvrouw d'r sprak van d'r leeftijd, lachte ze met 'n krakend lachje en zei dat ze de horlepiep nog wel kon dansen. Ze wou. Ze wou Willem verrassen. Ze wou Amsterdam zien. Ze was plots jong geworden.

Toen ze in den derde-klasse-coupé zat met de ouwe rimpelhanden op de hengselmand, riepen ze 't nòg eens: "Weet je 't nou, tante Bart?"

"Ja, ja, ja," knikte ze knorrig.

"Zullen we 't maar niet op 'n stukkie pampier schrijven?"

"Wel gut nee, mensch! Wat maak-ie je nou toch moeilijk!"

"As-je 't nou eens vergeet!"

"Ik vergeet 't niet."

"Bij Pieters op de Oude-Zijds-Voorburgwal."

"Ja-ja-ja."

"Weet je 't nummer nou goed?"

"466."

"Nee!... Daar heb-ie 't al... 463."

"Dat zei 'k ommers."

"Kan de flesch niet omvallen?"

"Die staat tusschen de krentenbroodjes."

"Wees nou voorzichtig met uitstappen."

"Ja-ja-ja."

"Verlies je retourkaartje niet."

"Nee, lieve mensch."

"Nou, ajuus tante... Pas op voor 't portier. Hou je rokken wat binnen."

"Da-a-a-ag!"

"Da-a-a-g!..."

"Da-a-a-ag!..."

"463... Oude-Zijds-Voorburgwal!"

Ruts! Daar ging de trein. Vergenoegd zat Bartje in het hoekje. Ze had de kalebas neergezet, wreef de plooien glad van den bruin-rooden, gebloemden omslagdoek. Vergenoegd keek ze uit het raampje en verwonderde zich, dat een trein zoo gauw gaat. Vergenoegd kauwde ze. Ze kauwde altijd. Niemand wist wàt ze kauwde. Ieder wist dát ze káuwde. De leeren, geplooide kinnebakjes trokken regelmatig op en neer, de diepe velplooien van den hals waren geen moment zonder beweging.

Het was een aardig, rustig, oud vrouwtjes-doen, afgewisseld door een even regelmatig openen van den mond, het vertoonen der bruine tandstompjes en der zwarte grotjes er tusschen. Het grijsgrauwe haar lag glad om het beenige hoofd. De bruin-roode gebloemde doek hing zonder een kreuk om den blauwen, deftigen, Zondagschen rok.

Ze zat in een vollen coupé. D'r waren juffrouwen en mannen, allemaal pleizierige, vroolijke menschen, die 't eene liedje na het andere zongen.

"Ga je ook naar Amsterdam, ouwetje?"

"Ja meneer."

"Zeker famielje opzoeken?"

"Me zoon."

"Woont die in Amsterdam?"

"Zes maanden."

"Gaan jullie samen de peentjes opscheppen, hè?"

"Nou, alsjeblief!"

"Ben je d'r al meer geweest?"

"Nee, menschlief. Ik heb nooit tijd gehad om te reizen."

Over en weer zaten ze te praten. Dan zette d'r een 'n lied in, overschreeuwend en overstampend het gedreun van den wagen. D'r was 'n juffrouw, zoo'n vriendelijk mensch, die zoetigheid presenteerde en een ander had een flesch met eau-de-cologne. Bartje keek genoegelijk toe, altijd kauwend en trekkend met de gele, tanige velplooien van haar magere hoofd.

Je was d'r eer je 't wist. De tijd was omgevlogen.

"Nou dag juffrouw."

"Gijs, help de ouwe juffrouw 's!"

Ze was nu op het perron, in Amsterdam. Daar had je al een agent.

"Mijnheer de agent, zou u mij eens willen zeggen waar de... waar de... de..."

"Wat moet je moedertje?"

"Ik mot naar me zoon, die woont, die woont... Och, lieve God, nou heb ik den naam van de straat vergeten!"

"Is het hier in de buurt?"

"Dat weet ik niet."

"Hoe heet-ie?"

"Willem."

"Van z'n van?"

"Willem de Boer."

"Ken ik niet... Wat doet-ie?"

"In betrekking."

"Weet je dan niet waar-die woont?"

"'t Zal me wel weer te binnen schieten... wacht maar... wacht maar!"

Voor het station, bij den tramwagen, dribbelde ze heen en weer, zich inspannend, zenuwachtig, angstig. Ze wist 't niet meer. Wat ze ook dee, ze wist 't niet meer. 't Was zoo'n ellendige naam, zoo'n verschrikkelijk-lange naam. Nog probeerde ze 't eens. Beverig sprak ze een koetsier aan:

"Mijnheer, heb u wel eens van me zoon gehoord?"

"Van je zoon?"

"De Boer heet-ie."

"D'r zijn wel honderd De Boers hier ouwetje. Weet je de straat niet?"

"De straat... De straat! Dat's nou toch verschrikkelijk... Ik wist 't zoo goed!"

"Waarom heb-ie 't niet laten opschrijven?"

"Ik kan niet lezen, mijnheer."

"Zeg, Tinus, heb jij wel eens van 'n De Boer gehoord?"

"De Boer?... Ik ken een schoenmaker De Boer... Kan 'm dat zijn?"

"Ach God, nee, mijnheer!... Mijn zoon is in betrekking."

Niemand wist 'r te helpen. Met snelle, bibberende rukjes kauwde ze, hield de mand vast met de bevende handen. Wat zou ze nou doen? Ze zou verder wandelen, vragen, net zoolang tot ze gevonden had. Ze liep rechtuit de Weesperstraat in, rondkijkend, beduusd door zooveel menschen. Zachtjes-an sukkelde ze over de stoep, voor elkeen opzij wijkend, iedereen aankijkend of 't soms Willem zou zijn. Dan stond ze weer stil, vragend: "Weet u hier soms een Willem de Boer?" Maar niemand wist 't.

Ze wezen haar 'n winkel an, waar eieren, boter en kaas verkocht werd, maar de vrouw in den winkel had nooit van 'n Willem de Boer gehoord. Toen ze de Weesperstraat had uitgeloopen, keerde ze terug, moe, nog eens vragend, nog eens vragend tot bij 't station. Op een stoep van de Sarphatistraat ging ze zitten, tobbend, zoekend en begon stilletjes te huilen.

"Scheelt d'r wat an vrouwtje?"

"Ik zoek me zoon, mijnheer."

"Is die van je weggeloopen?"

"Nee, nee."

En dan begon ze weer de uitlegging, weer hetzelfde.

Nou hield ze de oogen dicht en bad. Ze bad altijd als ze in moeielijkheden was. Nou bad ze zachtjes, met gevouwen, trillende, ouwe handen: "Lieve God in de hemelen... Zeg me nou hoe de straat hiet... die straat van Willem... Lieve God... zeg 't nou..."

Heel wat menschen stonden in een kring om haar heen. De een vertelde 't aan den ander... Heb je ook gehoord van 'n Willem de Boer?... D'r is 'n spekslager... Nee, hij mot in betrekking zijn... Vraag nou maar raak!... Ben je al bij de pelisie geweest? Ga naar de pelisie, moeder!... Kom, laat 't mensch niet voor niks loopen... Weet ze veel de pelisie!

"Ga zoolang in de wachtkamer van het station, vrouwtje."

Dat zou ze dan maar doen. Daar waren niet zooveel vreemde menschen, die d'r stonden an te gapen en d'r toch niet helpen konden.

Op een der banken ging ze zitten, denkend, tobbend, al maar klapperend met de beenige onderkaak, al maar pluizend met de dunne lippen. Al zou ze uren verzinnen, ze zou dien naam weer weten, dien langen, ellendig-langen, gekken naam.

Zoo bleef ze, uren lang, versuffend, telkens meer versuffend, met heete oogen en een moe gebukt oud lijf. Toen de andere pleizierreizigers 's avonds weer kwamen in het station, zat ze nog op dezelfde plek met de mand met krentenbroodjes en de flesch melk, waarvan ze niets geproefd had.

"Heb-ie je zoon gezien, moedertje?"

"Nee," zei ze snikkend... "Ik heb geen geheugen meer... Nee, nee, nee." ...

BINNENHUIS-IDEAAL.

Dan stond-ie maar weer op in het donker, liep op den tast naar de lamp, schuifelde met z'n vingers over de tafel om lucifers te vinden, streek er een af.

"O! O! O-o-o-o!"--, gilde zij in de alkoof.

"Wees nou toch effen stil"--, gromde hij, slaperig, half-suf.

"O!... Au-o-o!... A-a-au-au!"

De lucifer ging uit en hij stootte z'n blooten voet tegen 'n poot van de tafel.

"O!... O-oooo!... Au-oooo!"

"Hou dan toch effen op!"

"As jij 't maar voelde!... O!... O!... Ik wor gek! Ik wor gék!"

Daar had-ie licht en het fleschje had-ie ook te pakken.

"O!... O-oooo!... Au-o-o-o!"

"Mensch, gil toch zoo niet voor de buren... Hier... Heb-ie 't... Spoel nou maar goed."

Beverig, half-huilend, nam ze 'n slok, hield 't hoofd wat links en bleef zoo kreunend, grommend als 'n jonge hond, rechtop in bed zitten.

"Gaat 't wat over?"

Ze knikte van nee.