Part 2
Als de zon ondergaat staat de muurvlakte aan de overzij in scherp, wit licht. De oogen kijken er naar, alsof ze lang in donker geweest zijn, niet verdragen kunnen den sterken overgang van donker tot licht.
Als de zon ondergaat, staat de muur van de overzij, die een vlakte is van steen, waarachter huizen zijn, zóó fel verlicht, in zulk kil en tòch droomerig licht, dat er soms komt de gedachte, dat de huizenrij is alléén op de wereld en de vensters goudtranen schreien in verlatenheid. Dán is de straat een groote, dorre zee van geel. Dán kartelen de daklijnen in het wit der luchten. Dán puilen de verste huizen star uit in de begieting van licht. Dán gloeien de ruiten als smartlijke menschoogen.
Op zoo'n oogenblik, bekeken van uit de eigen kamer, is er een rij huizen én een ongekende wereld.
En als de groote hand zich uitspreidt voor de oogen, is er niets meer, niets.
Dit is avondgedroom. Bij dag zijn de dingen zoo werkelijk, dat droomen heenklepren als opgejaagde duiven. Alles van Leven is wonderlijk. Ik zit in mijn kamer. Een muurtje van steenen verbergt me aan alle zijden voor anderen. Links woont een buurman, omringd door een muurtje van steenen. Rechts, aan de overzij, overal.
We leven allen in kleine cellen.
De een weet niets van den ander.
Als we de cel verlaten, gaan we rond met een mom van vleesch, met een gelaat dat alleen schijnt te dienen om innerlijk leven te verbergen.
Als we zitten voor de openingen, die daglicht toelaten in onze cellen, bekijken we elkander. Dat bekijken vind ik triestig. Want aan de overzij van de straat zie ik drie, vier, vijf huizen. Elk huis heeft drie, vier verdiepingen. Elke verdieping is bewoond. Elke verdieping omsluit in de dikte der muren, achter de glimming van glas leven. In het eene huis, beneden, zit voor het raam een oude juffrouw en beweegt de handen over een stuk wit linnen. Anders niets. Boven haar, op de tweede verdieping, een man, die een krant leest. Daarboven een bleeke juffrouw met een zuigeling. Anders niets. Ze zitten boven elkander, weten niets van elkaar, hebben allen belangen en belangetjes.
Ze leven.
In het huis er naast bekijken kleine kinderen plaatjes. Op de tweede verdieping een vrouw en een man, die uit glaasjes slurpen. Op de derde een juffrouw die aardappelen schilt. Anders niets. De twee huizen staan naast elkander, als kooien met gevangen marionetten, als poppenkasten, als doodkisten, waarin nog wat leven beweegt. De straat is rustig en stil. Door de gesloten ramen komt geen enkel geluid. Ze leven, bewegen, doen ... die menschen in de luidlooze huizen, zooals ik, en we weten niets van elkaar, daar we allen zijn droomers, die als vrekken een eigen droomleven bewaken.
Ook in het derde huis is leven. De drie ramen van de eerste verdieping zijn behangen met tulle gordijnen. Er valt niet in te kijken. Maar den heelen dag, om het half uur, trekt een hand de tulle lappen op zij en leunt een meisje, een vrouw, tegen de ruiten.
Over die vrouw wou ik het hebben. Maar ik weet niets van haar. Ik heb haar nooit gesproken, nooit in de oogen gekeken. En ik ken haar, zooals wij menschen meenen te kennen, voor ons bijzonder gevoel. Ze is jong, lang, bleek. Ze staat in haar rood kleedje en kijkt met de zwarte oogen, lusteloos, uren lang in de monotonie van de straat. Haar gezicht is hoekig, smal, flets. De hand is wit. De witte hand beweegt de gordijnen, ze steekt het hoofd door de plooien en soest.
Ze ziet alles wat er gebeurt in de straat. Ze ziet den bakker, die rondrijdt, den boodschapjongen met pakjes, den briefbesteller, die zigzag de brieven rondbrengt. Ze ziet het dienstmeisje, dat met opgewaaide rokken tegen den wind ingaat. Ze ziet het joodje, dat sinaasappelen vent. Ze ziet alles met lustelooze oogen, zonder te lachen, zonder te spreken. Ik denk, dat ze alleen-woont of getrouwd is; of op een zieke past of wat anders, wat anders...
Als ik voor mijn raam kom, zie ik haar leunen tegen de vensterbank, de oogen in het vage, de oogen wèg, de oogen bezig met de straatverlatenheid, met de menschen aan mijn huizenkant, die ook weer voor hun ramen zitten. Komt er een orgel lawaai maken in de straat, dan verschijnt de witte hand en kijken de zwarte, stille oogen. Gaat het orgel weg dan valt de tulle neer.
Als een kind struikelt en huilt, beweegt de witte hand, en gluurt het hoekig, bleek gezicht door de doekplooien. Er gebeurt niets in de levenloosheid der straat of zij maakt het mee, leeft het mee, doet het mee.
's Avonds komt er licht achter de tulle. Ze zit bij een piano en speelt. Het geluid hoor ik niet. En ze staat weer op, kijkt in het leege straatje, in de donkerheid. Als de zon schijnt, is ze lang en bleek, achter de gordijnopening. Als de regen neerklikt, leunt ze onbeweeglijk, uren lang, ziet het neerspetten der druppels in de plassen, het kletteren der lange stralen, het morsen der dakgoten.
Ze is er altijd, altijd. Ze is één geworden met het kleine burgerstraatje, één met haar cel, één met haar leven, begraven tusschen de steenen muurtjes, die omsluiten ieder onzer.
Vanavond is de zon weer heengegleden. De overzij, de groote, oneindige, bruinroode muur, die een huls is, een cocon, lijnde op in de bleekmatheid van avondschemeren. Alle ruiten kaatsten vijandig het zonlicht. Een enkel dakvenster lichtte in de schemering, als een transparent, waarachter zilvervuur spat. Scherpe, pijnlijke stralen priemden naar alle zijden. De bruinroode, levenlooze muur leek dáár te branden, te spuwen een onaardsch, onwerkelijk vlammenvuur. De heele muur stond stroef, hard in het witte licht.
Achter alle vensters konden nu menschen zijn. Die waren verborgen achter de goudkaatsing der ruiten.
En de straat was stil, levenloos.
Het was vreemd.
Maar achter de gordijnen stond ze. Ik zag haar niet. Ze bleef verborgen als allen in de zonnepurpering op de ruiten, die bloed leek.
Ze was onzichtbaar, onzichtbaar haar witte hand, onzichtbaar haar lustelooze, stille oogen.
Ze wás er.
Want toen het zonlicht verflauwde, het heete gegloei op de ruiten versmolt met het donkere bruin van de muurvlakte, het schelle avondgeschemer stillekens heenbleekte, zag ik haar, leunend tegen het raam, tot het donkerder werd, tot de straat zwart wierd, tot de zwarte kijkgaten der huizen weer licht diffuseerden, rood, doezelig lampenlicht.
Toen heb ik mijn witte gordijnen geschoven voor mijn ramen, ben gaan werken langzaam en triestig.
POES.
Poes is bevallen.
Het is geen wereldgebeurtenis.
Maar wijl het leven voor elk onzer stadsmenschen tusschen vier muren voortzeult, is het niet meer dan logisch dat de kleine dingen, die wel tusschen die vier muren willen plaats hebben, in onze fantasie tot levensgebeurtenissen aangroeien. Mogen de sterke mannen, wier harige lichamen, sportkuiten en koffiehuiskracht gezonde verweermiddelen tegen deze evenementen zijn, Falkland beschouwen als een rustige oude tante, hij waagt het, zij 't ook wat angstig, van een zoo onaanzienlijk iets een verhaal te doen, dat bij geen duizendste benaderen zal, de wonderlijke aandoening, die hij ondergaat bij het zien van Poes en haar vier kinderen.
O, groote menschen, die in je leven bestaat van de meest gedrochtelijke uiterlijkheid, die nauwlijks meer lachen kunt een frisschen, open, eerlijken lach, die wentelt in al de bedenkingen van je vetten, beduimelden maatschappelijken kring, die rondhost in aapjes, je handen vermoffelt in dierenvellen, je neus ophuifelt boven je snorspietsen, je schoenen wringt in gelakte hulzen, die in rok begraaft en in rok viert de feesten van je geneugten, die met roemers in de handen elkander toedrinkt, die van genoegen tintelt, wanneer je listigheid daalders en poppen doet rammelen in de bevleesde palmen van je niet geganteerde handen.--O, drukke, bewegende, dringende, duwende, groote menschen, die de straten overvult en dompig èn stoffig maakt, die knikt en aanminnig groet en flaneert en met wandelstokken over asphalt tipt en de blauwe spiraaltjes van rook door je neusgaten schudt en een hand geeft hier en een hand daar en begeerig kijkt naar de hoeden met veeren en bloemen achter winkelkasten en op de tram springt en samenhurkt in dampuitzweetende koffiehuizen--, groote, stevige, glimmende pratende menschen op de Beurs, schreeuwende venters op straat, politieagenten, militairen, bakers, kindermeisjes, sjouwers, sleepers, bedelaars, dames en heeren, juffrouwen, met voiles, mopsneuzen, hooge-hakken en gele linten, botboeren, waschwijven, schutters, kolonialen en kruiers,--lachende, kijkende, lawaai-makende menschen, die de schouwburgen vult, waar, achter het voetlicht, zotternijen door speellieden vertoond worden; die elkander begluurt met binocles en toewuift met waaiers, die coquetteert, ginnegapt en zwaar gaat van 't gedreun van je armen en beenen, wanneer de speellieden je zinnen voortreffelijk kittelen,--plompe, zwarte, stille verdrukten, die als mensch zijt geboren en graag je dierlijke krachten vermorst voor een hongrig bestaan, arbeiders in smidse, houwers van steen, stumpers bij de heete, laaiende vuren, menschbeesten in de donkere schachten der mijnen, ingeslapen bedelares op de brug van de Hoogesluis, slapers in de Toevluchts-oorden,--witte, bepoederde, gefaneerde op de hoeken der straten, krachtpatsers en athleten, chanteuses van Nes, kellners, studenten, hoog in je boorden loerende jongelingen, matkijkende ouwetjes, bloemenmeisjes,--o, groote, groote menschen, gewend aan het geratel van sleeperskarren, het gerinkel van trambels, het gegil van locomotieven, het schorre geschreeuw van ventende joodjes, het gedraaf, het geraas, het gedonder, het gedreun--: Poes is bevallen, bevallen op een regenachtigen namiddag in een donkerst hoekje van de alkoof, waar oude doozen en koffers staan, waar geen zonlicht komt, waar niets van het brakend stadsleven-geraas doordringt.
's Morgens, toen de zon nog lichtte door grauwe wolken, liep ze over de schuttingen, zocht warme plekjes op, ging dik, breed-uit liggen. Tegen den middag liep ze klagend rond, alle hoekjes besnuffelend, roepend met een pijnlijk geluidje dat niemand begreep. Toen was ze ineens weg. Maar tegen den avond kwam ze sluipen uit de alkoof. Op een oude, afgevallen jas lagen drie blinde zwarte rotjes en een blind grijs, een kleine klit leven, al piepend, bijna zachte schreistemmen van kinderen in den donkeren hoek van de donkere alkoof.
Poes liep naar de keuken, dronk melk en kwam terug. Bij het weer zien der jongen gaf ze een kleinen zachten kreet en de vier bewogen de blinde, leelijke kopjes en piepten, wonderlijk klagend, toen ze het warme lichaam der moeder weer voelden en gulzig kruipen konden naar de tepels. Poes ging er gelukkig bij liggen. Dat moet toch wel beestengeluk zijn, het echte, groote beestengeluk, waarvan de menschen in hun wijsheid niets begrijpen, het beestengeluk, waarvan de kracht, de grootte door niemand benaderd kan worden. Poes lag met wijd-open strak-groen-lichtende oogen. Er was niets in haar oogen dan dat felle, laaiende groen, dat peilloos leek, een onmeetbaarheid van licht, groen licht, vlammend licht, alsof het lichaam oneindig, alsof de oog-openingen grenzen waren van een tot in de ruimte voortbarnenden lichtkolk. Poes keek ieder aan met groote, groene oogen, trapte met de fluweelen pooten tegen den rand van het mandje, knorde zacht het wiegelied van haar beestengeluk. Gulzig, dorstig, driftig zogen de jongen. Weg duwden ze elkanders koppen. Ze vochten zoo zwak, zoo klein, zoo pasgeboren als ze waren, om het bezit van een tepel, om het bezit van het moederlichaam, in hun driest, heftig begeeren om verder tot leven te komen, uitmergelend Poes, die maar lag te spinnen en elkeen aankeek met haar groene, wijd-open geluksoogen.
Het duurt nu drie dagen.
Poes komt af van het nest om te eten, springt op het raamkozijn, gaat met rustig-fluweelen bewegingen over de schutting, springt in den tuin, kijkt even rond naar het gras, dat schuddend zwiept in de stootingen van wind, kijkt naar de wuivende, rukkende takken, waaraan Meigroen wappert, loert op een zwarten, glanzenden spreeuw, die op de schutting trippelt en wipt weer door het raam, over een stoel naar de alkoof. Ze blijft den heelen dag weg. Ze bemoeit zich met niets, met niets. Ze geeft geen geluid. Alleen de jongen piepen schel, vinnig, als ze gulzig vechten, vechten in hun blindheid om den tepel der moeder.
Den heelen dag, spinnend en rekkend de pooten, ligt Poes bij haar kinderen. Als de alkoofdeuren opengaan, zijn alleen de geelgroene stippen in 't donker te zien, in den hoek waar niets doordringt van het gegons der stad, in den hoek, waar zij haar beestengeluk onder zich houdt.
Dat alles is van een wonderlijke aandoenlijkheid, die niet onder woorden te brengen is, zoo een geluk in den hoek van een rommelkast, zoo een bijkans onopgelet komen van leven, zoo een volkomen opoffering van een dier, waarvan we niets weten, nooit iets weten zullen, waarvan we alleen voelen dat het zuiver-gelukkig is, onaantastbaar, goddelijk--gelukkig,--zóó geheel overgegeven aan dat geluk, dat het wel niet mogelijk lijkt een equivalent bij menschen te vinden, bij menschen die op straten gaan, bij menschen die in kamers zitten, bij menschen die loome hoofden in handen steunen, bij menschen die elkander met glazen oogen bespieden, de een ijverzuchtig op het evenwicht van den ander, evenwicht dat zij geluk genoemd hebben, bij menschen die gekomen zijn tot weten van veel dingen.
DE MOF.
Bij de banken stonden de jongens te babbelen. Een zat bovenop de lessenaar, een zwaaide heen en weer, met z'n beenen bengelend tusschen de leuningen.
Verlegen schoof-ie binnen, voorbij een paar jongens die niet opzij gingen, zette z'n hoogen hoed op de tafel bij het bord, duwde z'n gouden bril recht op den kleinen stompneus en tikte met de liniaal op de voorste bank.
Niemand keek naar hem. Zenuwachtig tikte de liniaal nòg eens, harder.
... "Jongelui, de vijf minuten zijn om."
... "Mijnheer, mag ik nog even naar achter?"
... "Nee, 't is nu te laat."
... "Ik mot zoo erreg."
... "Ga dan maar... Rasch terug, hoor je?"
Het gegons en lawaai hield aan.
Driftig kletterde de liniaal op de lessenaar.
"De vijf minuten zijn om! De vijf minuten..."
Met de handen leunde hij op de schoolbank. Pratend, giegelend gingen de jongens zitten. Weer duwde hij met de hand tegen den gouden bril. Wat was dat?... Vlegels!... Z'n hand was vol inkt. Juist, waar hij gewoon was te leunen, hadden ze inkt gesmeerd... Maar nou zou-ie doen, alsof-ie niks merkte, alsof-ie d'r stomme, rooie gezichten niet zag, nou zou-ie z'n hand met z'n zakdoek afdrogen... Zoo, bleeke Willemsen met je rooie haar en je vieze zomersproeten, daar zal je geen plezier van hebben... lompe vlegel... Wat was dat nou weer... Goeie God, wat 'n ellendelingen!...
"Davids ... wat is dat?" ...
"Dat dee ik niet, mijnheer!"
"Wie dee 't dan?"
"Dat weet ik niet!"
"Jan, heb jij die erwten laten vallen?"
"Nee mijnheer!"
"Wie dan?"
"Dat weet ik niet."
"Weet je 't geen van tweeën?"
"Nee mijnheer!"
"Nee-ee-ee!"
"Laat 't niet meer gebeuren."
Nou zou-ie voorzichtig loopen... de grond lag vol erwten... als je d'r op trapte lachten ze weer... Wat was 't weer snikheet... De kachel stond gloeiend.... Jawel de pook stak er weer uit... Nou zou-ie d'r niet weer ankomen zooals laatst ... toen-ie dacht dat ze koud was ... toen-ie zich zoo leelijk gebrand had.... Wat gloeide z'n rug van de warmte!... Maar als je je omdraaide smeten ze met proppen of deeën weer gekke dingen... die kwajongens..
"Hebben jullie allemaal je Chrestomathie...?"
"Ja, mijnheer!"
"Jaja!"
.... "Wij gaan verder met het Nibelungenlied.... Also, der mittelhochdeutsche Vers besteht aus einer gewissen Anzahl Hebungen.... Du, Willemsen, was verstehst du unter Hebung?" ....
"Hebung .... Hebung.... Dat weet ik niet!"
"Du sollst Deutsch reden!"
"Oui monsieur!"
Die vervloekte gluiper.... Nou lachen ze weer allemaal....
".... Timmermans: was ist Hebung?"
Timmermans zou 't wel weten... Die was nummer een van de klas.
.... "Ein Hebung? Ein Hebung .... das ist 'n hooge betonte Silbe, zwischen welcher je eine Senkung" ....
.... "Gut so.... ausgezeichnet!"
.... "Meheir!"
"Was gibt's?"
"Meheir.... Timmermans leest 't uit 't boek op!"
"Ich frage dich nichts!.... Davids, aus wie viel Langzeilen besteht die Nibelungenstrophe?"
.... "Was blieb?"
.... "Das sagt man nicht.... Man sagt: bitte."
.... "Aus vier Langzeilen."
.... "Was befindet sich in der Mitte jeder Langzeile?"
.... "Weet ik niet!"
.... "Du!"
.... "In der Mitte?.... In der Mitte?"
.... "Du?"
.... "Eine Cäsur!"
.... "Sehr gut.... Willemsen, was machst du da?"
.... "Niks."
Die kwaje bengel.... D'r kwam rook uit z'n lessenaar!.... Wacht eens.... Nou had-ie 'm vast in z'n nek en smeet 'm de deur uit.... Zoo!.... Als ze 'm tarten wouen!.... Jawel.... 't was 'n brandende sigaar!... Nou waren de anderen ook dadelijk muisstil. 't Hielp als je een voorbeeld stelde.... Goeie God, wat was 't warm.... die gloeiende kachel in z'n rug.
.... "Pieters.... Die zweite Strophe!"
Langzaam, onduidelijk las de jongen:
"Ez wuschs in Burgonden "ein schöne magedîn, "daz in alle landen "niht schöners mohte sîn, "Kriemhilt geheizen "und was ein schöne wip, "Darumbe muosten degene "vil verliesen den lip."
Om de gekke woorden giegelden ze weer.... Nou zou-ie uitleggen.
..."Magedîn... das heiszt Mägdelein.. Ein schöne wîp... das be-deutet... das bedeutet... Nou goed de bank vasthouen .... stevig.... en voor je uitkijken.... O God, wat werd-ie naar... Daar had je 't weer... nou keken ze'm allemaal an omdat ie z'n mond hield... Waar had ie 't over?... Wat keken de jongens 'm an!... Wat wou-die gaan zeggen?... Das bedeutet... Das bedeutet... als-ie niet even ging zitten zou-die tegen den grond slaan... Nou lachten ze... Je hoorde ze giegelen... Maar nou zat-ie... Daar kwam 'n prop papier net tegen z'n hoofd... Dat voelde-die wel... Dat most Lamberts gedaan hebben... Als de jongens d'r nou niet waren, zou-die huilen... snikken... om dat geheugen, dat... niet meer deugde... dat nooit meer zou deugen, zoo suf werd-ie... Wacht... Nou zou-die met de liniaal tikken om stilte...
"Stilte jongens.... Ik ben niet goed in orde.... Ik zal zoo voortgaan"....
In 'n nevel zag-ie ze nou.... met d'r hoofden dicht bij elkander.... Ze zaten 'm allemaal te beloeren.... zoo gek as z't van 'm vonden.... dat 't nou al drie maal gebeurd was, dat-ie midden in de les de kluts kwijt raakte en net als 'n dooie, zoo mal en zoo wit voor zich bleef staren.... Timmermans zat nou 'n potlood te slijpen.... Pieters beet in 'n appel.... Davids was heelemaal niet te zien.... Nou.... Nou.... Nou weer even je oogen dichthouen, want.... 't komt weer.... O, wat is dat akelig.... dat groote leege, lichte gevoel.... dat wegsterven van de witte muren.... dat toch nog hooren van het stemmengegons.... Nou gaat 't weer weg.... Nou klaart 't weer op.... Daar zit Timmermans weer, die z'n nagels snijdt met z'n zakmes.... Daar zit Driebels, die uit 'n zakkie snoept.... Nou weer beginnen.... "Jongelui.... neem me niet kwalijk .... Ik was niet goed in orde.... Waar zijn we gebleven.... O ja.... Magedîn, dat wil zeggen Mägdelein.... Kom nou Pieters, jongen, let nou op.... Schöne wîp beteekent .... Sst!.... Niet zoo lachen! Kom doe dat brood nou van tafel! .... Schöne wîp wil zeggen Schönes Weib.... "Darumbe muosten degene vil verliesen den lîp....," dat moeten jullie zoo lezen: "Um die viel Degen müszten verlieren Leben und Leib" .... Driebels, was heiszt nun Wip?"
"Wip? Wip?...."
"Weet je 't niet? Dan jij?"
"Wip.... Weib."
"Gut so.... Weiter.... Die dritte Strophe."
"De derde: "....Es pflegten sie drei Könige"...." Voor de klas stond-ie, steunend op de liniaal, bleek, met zware blauwe wallen onder de oogen, waarvoor de gouden bril schitterde.
Beneden werd twaalf geluid.
De jongens stormden de trappen af.
"Zeg, heb je opgelet, dat de Mof d'r niks van wist!"
"Nou!"
"Wat 'n stommerik!"
"Stom? Wel nee.... Die was dronken."
"Ik zeg je: de Mof weet 't niet!"
"Morgen, mijnheer."
"Morgen mijnheer de directeur."
"U hebt Willemsen uit de klas gezonden?"
"Jawel, mijnheer. Die jongen is zoo ongezeggelijk"....
"Andere leeraren klagen toch niet.... U hebt niet voldoende tact.... De jongens maken bij u zoo'n leven, dat uw collega's er over spreken.... Apropos.... Hoe maakt het uw dochter? al beter?"
"Nee.... Ze wordt niet beter"....
"Niet beter?"
"Nee...."
"Wel, wel.... Zoo'n jonge vrouw.... Enfin, niet den moed laten zakken, nooit den moed laten zakken. Tot ziens!"
"Goeien morgen, mijnheer."
"Zullen we Willemsen Woensdag nahouden?"
"Uitstekend mijnheer."
"Goeien morgen.... Beterschap"....
"Goeien morgen, mijnheer."
TANTE RIEK.
Als ze opstond, liep ze 't eerst op d'r bloote voeten naar het raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met 't schrobben van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende borsten een kleed uit.
Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee, niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden exemplaar van de Gartenlaube van tafel. Elken dag lag die precies op 't zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk plaatje, elk verhaaltje van de Gartenlaube kende ze. Tien jaar lang had ze er in gebladerd en gelezen.
Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezen Nieuws van den Dag mee en dee daar een week over. Anders las ze maar weer in de Gartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op de Bonheur-du-jour, lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel lag--precies in een rechten hoek met de Gartenlaube--er naast, nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange, stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.
Als ze zoover was--het waren de stille, regelmatige bewegingen van elken morgen--nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de tafelschel. Achter de Bonheur-du-jour had je de stofdoek, waarmee de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij 't gewoon was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er geen doffe plasjes op gestooten had.
Nou glom de tafel. Nou was 't weer zóóver in orde. Onder het hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels: een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze 's avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.