Roma Sacra De Aarde en haar Volken, 1904

Chapter 2

Chapter 22,358 wordsPublic domain

In de Lateraan-basiliek worden de stations van den lijdensweg voorgesteld. De kerk is overvol reeds, als om negen uur de groot-penitentiaris als aartspriester van de basiliek den morgendienst leidt, waarbij buiten de gewone helpers twaalf priesters en zeven diakens de zegening der heilige olie bijwonen. Na den pater zegent de kardinaal de olie voor de zieken. Onder het Agnus Dei gaat de clerus in processie rond en neemt olie van de catechumenen in ontvangst, waarbij het koor de prachtige hymne, de "Redemptor" zingt. In de Sint-Pieterskerk wordt onder de groote mis het In coena domini gezongen en eveneens de olie voor 't gebruik bij den doop en bij het sacrament van den dood gezegend. Daarna heeft de processie naar 't sepolcre plaats, dat hier is opgericht zonder crucifix en bloemen, alleen met veel brandende kaarsen in de Capella della Colonna vóór een hoogvereerd Madonnabeeld uit de oude Sint-Pieterskerk en de oudchristelijke sarcophaag met de overblijfselen van Leo II, III en IV.

Opnieuw vinden we op den laten namiddag in de hoofdbasilieken groote scharen vromen en kijklustigen bijeen met veel muziekvrienden, die de vespermuziek wenschen te hooren. De klaagpsalmen en responsoriën worden zonder orgelbegeleiding door de koorkapellen gezongen, die in deze uitvoeringen hun grootsten roem stellen.

In de Sint-Pieterskerk, waar de groote Paaschplechtigheden sinds de "gevangenschap" van den Paus niet meer aan het hoofdaltaar worden gehouden, moet men bereid zijn, uren aaneen in dicht gedrang te wachten, als men van de eigenaardige plechtigheid in de koorkapel en van de gezangen niets wil verliezen. Daar dit niet ieders zaak is, en buitendien slechts enkele honderden binnen of buiten het zware hekwerk van de koorkapel goed kunnen hooren, gaat ook tijdens den vesperdienst het niet geruischloos op- en neerloopen van andere honderden in de wijde ruimten van de kerk zijn gang, waarbij het ruischen van de kleederen, het slijpen van tallooze elegante laarsjes, schoenen met spijkers en bloote voeten op den marmeren vloer en het brommen der niet altijd eerbiedig gedempte stemmen niets ongewoons is.

De gezamenlijke talrijke clerus van de Sint-Pieterskerk neemt aan den dienst in de koorkapel deel. Hoofd aan hoofd zitten er de meest bejaarde canonici in hun uiteenloopend ornaat in de donkere gesneden koorstoelen aan beide zijden van het altaar. Dat laatste vertoont geen versieringen. Het groote altaarschilderij is bedekt. Vóór een reuzenkruis met de martelwerktuigen vlamt op een eenvoudige reeks van hooge kaarsen. Aan den rechterkant staat een kandelaber, die de kaarsen draagt, voorstellend de profeten.

De zangers van de Giuliakapel staan rechts op het orgel. Zij zijn gekleed in lange violette koorkleeden. De meeste aandacht trekken de sopraanzangers, wier welgedaan uiterlijk en hooge stemmen er niet toe bijdragen, de hoorders ernstig te stemmen, ofschoon de muziek aangrijpend is en de uitvoering onberispelijk op een kleine onzekerheid na bij enkele moeilijke intervallen. Allen luisteren met de het romeinsche volk aangeboren ontvankelijkheid voor muzikaal genot naar de aangrijpende harmonieën, die als uit een andere wereld tot ons komen.

Na elke afdeeling der klaagzangen wordt een der kaarsen van de kandelaber uitgedoofd. Tegelijk wordt het daglicht, dat door de hooge, met oranje en paarse gordijnen behangen vensters in de kapel stroomt, al zwakker en zwakker. Duisternis begint de ruimte te vullen en wordt enkel nog door enkele kaarsen op het altaar en bij de muzieklessenaars verhelderd. Het reuzenkruis schijnt te reiken tot in 't hooge, nachtelijke duister.

Nadat de laatste kaars is uitgedoofd, begint het Miserere, een muziekwerk van aangrijpenden invloed. De muzikale waarde wordt door de hoorders ten volle op prijs gesteld, en velen schijnen het te betreuren, dat de coloratuurzang van de sopraan- en tenorsolisten niet kan worden geapplaudisseerd. De godsdienstige invloed op de ziel schijnt niet zoo sterk te wegen. De aanblik van dit kerkpubliek, dat komt en gaat, een wijle met gespannen aandacht luistert en dan zich losmaakt uit den menschenhoop om door de kerk de promenade voort te zetten, bewijst den vreemden toeschouwer, dat hij hier meer hoorders van een concert dan vrome geloovigen om zich heen heeft. Men ziet knielende gestalten, murmelende lippen, vertrokken gezichten, vrome menschen, die ook in hun binnenste binnenste op de knieën liggen--maar zij vormen een geducht kleine minderheid.

Na beëindiging van het Miserere is het volkomen donker geworden. De priesters begeven zich dan in processie achter het vóór hen uitgedragen kruis naar het hoofdaltaar, waaromheen de menigte, de ruimte van den koepel vullend, een wijden kring vormt, om toe te zien bij een eigenaardige handeling. Het anders prachtig versierde altaar onder het bronzen baldakijn van Bernini is ontdaan van elk sieraad en van iedere bedekking. De anders dag en nacht brandende vergulde bronzen lampen zijn gedoofd.

De vijf jongste kanunniken, van wie één het piviale draagt en de andere vier de zwarte stola hebben aangetrokken, en die hooge zilveren kandelaars met brandende kaarsen in de hand hebben, plaatsen zich aan de voor zij de van het altaar, zetten de kandelaars neer, nemen ieder een zilveren kruik met wijn ter hand, die vóór hen gereed staat, en begieten met den inhoud het altaar. Met behulp van kleine handbezems, waarvan ook ieder der andere kanunniken een gebruikt, schrobben eerst deze vijf, dan naar de volgorde van hun rang, ook alle overigen de treden en het geheele altaar. Met sponsen wordt ten slotte het altaar door de eerste vijf afgedroogd, waarna de processie bij den pilaar der H. Veronica tegenover de loggia zich opstelt.

Van deze loggia uit worden nu de in kostbare kasten en kistjes geborgen hoofdreliquieën het volk vertoond en de zegen wordt er mee over de menigte uitgesproken, die in de groote, zwak verlichte ruimte zich knielend neerbuigt.

Aan 't slot der ceremonie staan de geloovigen op en begeven zich door de wijd geopende deuren der kerk naar buiten.

Vroeg op Goeden Vrijdag zijn we alweer in de kerk. Ze is nu niet geheimzinnig of fantastisch, niet boeiend voor de zinnen, maar treurend als in zak en asch. De bonte mozaïeken, de overvloed van marmeren beelden en ornamenten, de schitterende glans van de onder Leo XIII verkwistend vernieuwde en gerestaureerde gouden sieraden doen nog te duidelijker uitkomen, dat er geen enkele kaars brandt, dat elke draperie en elk gordijn verwijderd is, dat de schilderijen omhuld zijn en elk altaar kaal en onbekleed is.

Vóór den aanvang der mis is de kerk zoo goed als leêg. Enkele gedaanten knielen vóór de biechtstoelen. Kleine groepen pelgrims en reizigers, die ijverig de gedrukte gidsen nazien, gaan van het eene monument naar 't andere; kinderen spelen tusschen de dikke pilaren, en kloosterleerlingen worden twee aan twee gebracht naar 't bronzen beeld van den apostel, om het den voet te kussen.

Daar ook op dezen dag in vele andere kerken eigenaardige plechtigheden plaats hebben en muziekuitvoeringen worden gegeven, woont een betrekkelijk klein getal geloovigen de mis bij, die in de vaticaansche kapel door den Paus, in de koorkapel van de Sint-Pieterskerk door een kardinaal wordt opgedragen.

De kaarsen van het altaar zijn niet van witte, maar van gele was, in overeenstemming met den diepen rouw der kerk. De zetel van den Paus is onversierd; de banken, waar de assisteerende kardinalen zijn gezeten, hebben geen kussens; Paus en kardinalen dragen niet den bisschopsring. De groot-penitentiaris, die zich eerst de handen heeft gewasschen, zijn mantel en zijn schoenen afgelegd heeft en zijn zwart-ornaat heeft aangetrokken, treedt zonder wierookvat en kaarsen de kapel binnen.

De zangers heffen met gedempte stemmen de improperia aan. De Paus of wel de dienstdoende kardinaal laat zich de schoenen uittrekken en begeeft zich naar het kruis op de treden van het altaar, waarin splinters van het kruis van Golgotha besloten zijn. Hij is alleen met koorhemd en stola bekleed. Driemaal zinkt hij op de knieën buigt zich en kust het kruis, waarna hij de offergave neerlegt. Voor den Heiligen Vader bestaat die in 100 gouden scudi; elke kardinaal legt na de aanbidding een gouden scudo in het zilveren bekken.

Na de mis in de Sint-Pieterskerk gaat de clerus in processie naar het altaar van de Madonna della Colonna, waar de ceremonie van de grafsluiting plaats heeft, die knielend door de menigte wordt bijgewoond. Des namiddags weer gezang van 't Miserere, voorafgegaan in vele kerken door de preek Tre Ore di Agonia; één uur na zonsondergang in vele kerken zanguitvoeringen, daarop vertooning van de reliquieën, namelijk in de Sint-Pieterskerk van den zweetdoek der H. Veronica en de lans van Longinus, in San Marco, Santa Croce in Gerusalemme, San Prassede e. a., van de kruisrelieken en in de laatste, op den Esquilijnschen heuvel, ook van de zuil der geeseling.

Voor 't vreemdelingenpubliek, dat met kijker en Baedeker gewapend in reisgewaad en met de onvermijdelijke ciceroni van kerk tot kerk wandelt of rijdt, heeft ook de "Scala Santa" bij het Lateraan veel aantrekkelijks. Scharen geloovigen van elken leeftijd en stand, kinderen en zwakke grijsaards, geestelijken, monniken, nonnen, dames en bedelaars komen hier samen in devotie. De bij het oude Lateraan-paleis behoorende Heilige Trap, 28 met hout overdekte marmeren treden uit het paleis van Pontius Pilatus, die Christus moet hebben betreden en die keizerin Helena in 326 naar Rome moet hebben gebracht, mag alleen geknield worden bestegen. Een monnik, die voortdurend aan een tafeltje in 't voorportaal gezeten is, let er streng op, dat men het voorschrift nakomt. In deze dagen is op elk uur van den dag de trap in letterlijken zin met knielenden bedekt, die biddend en zuchtend en de treden met het voorhoofd aanrakend of de plaatsen kussend, waar inlegsels van glas in de houtbekleeding de heilige voetsporen laten zien, de moeilijke bestijging volbrengen. Velen moeten vermoeid de handen te baat nemen, om de bovenste trede te bereiken en daar met des te grooter innigheid het kruis te kussen.

De viering van des Heilands opstanding begint al op den Zaterdag. De klokken worden dan onder de mis weer geluid en des avonds wordt er geïllumineerd, terwijl op Paaschzondag de morgengodsdienstoefening in de basilieken begint met het reciteeren der Horae, waarna de clerus in processie zich naar het portaal begeeft, waar de kardinaal-aartspriester het vuur zegent. In het koor teruggekeerd, zegent de diaken de kaarsen, en de Paaschkaars wordt aangestoken. De twaalf profetieën worden voorgelezen, waarna de plechtige processie naar de doopkapel zich beweegt. De weg daarheen is met palmen belegd. De kapel is versierd met bloemen en brandende kaarsen. Aan den ingang staan twee priesters; naast elk van hen een koorknaap met een mand vol ruikertjes. Van de laatste krijgt ieder priester er een, terwijl de kardinaal-aartspriester en de groot-penitentiaris een grooten, geurigen ruiker in ontvangst nemen.

Op dezen weg, die geen verkeersweg meer is, ziet men op 22 November, den dag der H. Cecilia, een eindelooze rij voertuigen van allerlei soort en veel voetgangers zich begeven naar de catacomben van Callistus, die op dien dag feestelijk worden verlicht. De grond, die in de diepte naar alle richtingen is doorsneden door de gangen van het onderaardsche kerkhof, behoorde oorspronkelijk aan de rijke en machtige familie Cecilia. Een lid van dat geslacht had den grond aan de eerste christenen ten geschenke gegeven, om er te bidden en hun dooden te begraven, en in die grafgewelven werd ook die Cecilia gelegd, die heilig verklaard werd om haar deugden en haar martelaarschap, evenals haar voorgangster Gaja Cecilia Tanaquil, de gemalin van Tarquinius Priscus, die om hare huiselijke deugden een standbeeld kreeg op het Kapitool en wier spinnewiel in den tempel werd bewaard.

De catacomben van Callistus staan nu onder de bescherming van de Trappisten, die op den 12den November het pad, dat van de Via Appia naar den ingang van het kerkhof leidt, met rozen en myrthentakken bestrooien.

Men daalt in de onderaardsche gangen af langs een steile, lange trap. Als het oog aan de duisternis gewend is geraakt, die slechts door enkele fakkels wordt verbroken, ziet men overal interessante groepen. Trappisten gaan er in hun witte kleederen rond; in nissen zitten bleeke nonnen met zwarte kappen te bidden; op verscheiden plaatsen worden bij een steenen altaar missen gelezen, en onwillekeurig dwalen de gedachten naar de eerste christentijden, toen de godsdienst in geheimzinnig duister werd beleden, een duister, dat maar al te vaak de voorbode was van het martelaarschap.

Het grafgewelf, waarin in de 8ste eeuw het lijk der H. Cecilia werd gevonden, is met myrthen en bloemguirlanden versierd. De vochtige, zwarte wanden zijn er geheel mee bedekt; jubelende stemmen zingen Cecilia's lof, en men meent de heilige te zien, zooals Raphaël haar heeft geschilderd, luisterend naar de engelenkoren.

In de laatste helft der vorige eeuw hebben die dagen van de H. Cecilia een bijzondere beteekenis gekregen door de voordrachten, die na afloop der godsdienstige plechtigheden gehouden werden door professor De Rossi, den man, wiens onvermoeide arbeid in 1850 erin geslaagd is, het graf der heilige en de catacomben van Callistus te ontdekken.

In het Baptisterium van Constantijn bij 't Lateraan worden bij deze gelegenheid volwassenen, die zich tot het katholicisme hebben bekeerd, gedoopt. Gewoonlijk levert het joodsche Ghetto wel eenige bekeerlingen.

Na den terugkeer houdt de processie, die met kaarsen, kruisen en vlaggen voorttrekt, stil vóór een der hoofdaltaren, waar de kardinaal de pasgedoopten zegent. De litanie wordt gezongen, terwijl de voorbereidingen voor de hoogmis worden getroffen, welke mis gelezen wordt door den kardinaal-vicaris.

In kleine, armzalige, vergeten kerkjes kan men in de Paaschweek in Rome bij al deze plechtigheden diep onder den indruk komen, meer dan in de groote kerken, waar muziek en symbool den geest geheel in beslag nemen.

Het leven op straat werkt ook niet mee, om in de Paaschweek den ernst erin te houden. Reeds in den vroegen morgen stralen in de ongewoon drukke straten u de uitstallingen der winkels tegen; vooral vleesch en vruchten zijn er mooi gegroepeerd en trekken veel kijkers en koopers.

Als wij ten slotte nog eens willen herinnerd worden aan 't veel oudere Roma Sacra en een blik willen slaan in het Rijk der katholieke legenden, der heiligenvereering en der kerkfeesten, dan biedt de eeuwige stad er de gelegenheid voor.

Een punt, dat de vriend der klassieke omgeving van Rome nooit verzuimt te gaan zien is de Via Appia antiqua. In verheven en melancholieke eenzaamheid loopt thans de koning der wegen tusschen de ruïnen der grafteekens, villa's en triomfbogen, die eenmaal hem hebben versierd.