Part 27
[104] Zoo als bekend is, was men nog in het begin van de 17de eeuw van meening, dat _Amerika_ slechts door eene zee-engte, den _Fretum Anian_, van het rijk van _Mongol_, het noordoostelijke uiteinde van de oude wereld, was afgescheiden. Op ~Jansson~’s kaart en op die van de van „_Gedaene coursen_” (Atlas N^{o}. 11 E) wordt het _Compagnyslant_ als een groot land zonder einde vertoond. Op de kaart echter van de „_Gedaene ontdeckinghe onder den Commandeur ~M. G. Vries~_” is het _Companyslant_ als een eiland uitgeteekend en door eene straat van een uitgebreide landstreek, op welke de woorden „_Americae Pars_” staan, gescheiden, en in deze straat is geschreven „_Hier is ’t Jacht Breskens geweest_.” Men heeft dus de herkenning van het _Compagnyslant_ als een eiland aan dat schip te danken. In het jaar 1739 werd dit eiland door den meergenoemden Russischen zee-officier ~Spangberg~ omzeild. De smalle landtong naar het W. uitstekende op het vermeende gedeelte van _Amerika_ is hoogst waarschijnlijk _Simushir_, het XVI^{e} van de Russische _Kurilen_. Op de kaart van _Japan_, behoorende tot de _Verhandeling over de Nederlandsche ontdekkingen_ van ~Bennet~ en ~van Wijk~, vindt men in het Z.W. van dat eiland twee eilandjes _Rond_ eiland en _Heuvel_ eiland, die waarschijnlijk ook door het schip _Breskens_ ontdekt en zoo genoemd zijn. Thans noemen zij deze eilandjes _Broughton’s Island_ en _Tsirpoi_.
[105] De inbezitneming van _Urup_ is eene te belangrijke daadzaak, om die niet hier woordelijk uit het Journael van ~Coen~ over te nemen: „Ick heb van de bevinding aen den Commandeur van alles rapport gedaen, seyn doen beneffens hem naer een steyle vlacke berch gegaen ende syn daer opgeclommen, daarop synde heeft de Commandeur een houten cruys op een verheven berchie laeten oprechten, waarop dit volgende opgehouden stont: [VOC] anno 1643. Heeft alsoo possessie van wegen onze E. Heeren Meesters van dit land genomen, ende het selfde den naem gegeven van het _Companyslant_, ende deze hoeck genaempt de _Cruyshoek_. Hebben op het _Companyslant_ gegeten ende gedroncken, ende toen ter eere van onse E. Heeren Meesters 3 salvo’s met musquets gedaen.”
[106] Van _Enydris marina_, door de _Aino’s_ en de Japanners _Rakko_ en door de Kamtschadalen _Rakku_ genoemd.
Nog willen wij aanstippen, dat de »_Steyle clip, die_ (in het Z.Z.W. 3½ mijl van den ankerplaats) _omtrent een musquetschoot van lant leyt, ende is gelyck eene pyramida ende was vol meeuwen, dan was soo steyl, dat daer niet mogelyck was op te comen, deze clip was wel een musquetschoot hooch_,” ook door ~Golownin~ op ½ Eng. mijl afstands van den Z.hoek van _Urup_ gezien is, het op ~Jansson~’s kaart aangegeven rif echter niet waargenomen werd. ~Golownin~ en ~Ricord~, die de _Straat de Vries_ drie keeren gepasseerd zijn, deelen niets over de strooming in deze straat mede. Op ~Sakusajemon~’s kaart is de strooming in het midden der straat naar Z.O. aangegeven. Volgens de waarnemingen in het _Journael_ op den 5 Augustus was »_met een doorgaende N.wind_” »_de deyninge seer hol de straet doorrollende uyt een N.N.O._” Daarentegen vermeent de stuurman ~Coen~, op den 20 Junij, het Canaal »_eerst om de N.W. ende voorts om de N. doorgedreven_” te zijn; de wind was toen variabel, doch de heerschende van dat jaargetijde Z.O. en Z.W.; daaruit mag men besluiten, dat de winden een wezenlijken invloed op de strooming in deze straat uitoefenen, en dat, daar in dat zeegewest, van de maand Mei tot Augustus meestal zuidelijke en van Augustus af aan noordelijke winden waaijen, de strooming gedurende de drie eerste maanden om de N. en vervolgens om de Z. loopt.
Van hier nam ~Vries~ eenen N. en N.W. koers tot op de breedte van 47° 27′ N., waar hij besloot wederom naar de Z. te keeren. Mogt hij dezen koers langer vervolgd hebben, dan zoude hij in de zee van _Ochots_ verdwaald zijn. Zoodoende werd door hem de westkust van _Jetorop_ onderzocht, de straat die dat eiland van _Kunasiri_ afscheidt, ontdekt en vervolgens langs de noordkust van _Jezo_ de weg gebaand tot de ontdekking van de bogten van _Aniwa_ en van _Patientie_, het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van het zoogenoemde schiereiland _Saghalien_, dat wij later, volgens de belangrijke onderzoekingen van den Japanner ~Mamia Rinsô~, het eerst als een eiland met zijnen waren naam, dien van _Krafto_, in de geschiedenis der aardrijkskunde geboekt hebben. De uitkomsten van den togt langs de W.kust van _Jeterop_ en van de waarnemingen op de ligplaats bij het _Vossen_-eiland, aan den westelijke ingang van de straat _Antony van Diemen_, hebben wij ons reeds ten nutte gemaakt bij de hydro-geographische beschrijving van dat eiland en van deze straat.
Nadat ~Vries~, op den 11 Julij, zijne ankerplaats bij het _Vossen_-eiland verlaten had, nam hij zijnen koers N.N.W., waar zij echter door een »_styve fehemente stroom_” zoo tegengehouden werden, dat zij weinig vertierden. Deze stroom om de O.Z.O. loopende--naar de straat toe--verminderde allengs en kon op eenen afstand van 9 mijlen Z.t.O. van den piek _Antony_ niet meer gevoeld worden. Op de gegiste breedte van 45° 26′ N. »_deden alsdoen den coers W.S.W. aen, om te vernemen ofte by d^{o}. Coers weder geen lant souden opseylen ende by dach mochten in ’t gesicht crygen._” Zij krijgen 80 vadem »_steekgrond_,” vervolgens 60 vadem zwarte zandgrond, verder 50 vadem graauwe fijne zandgrond, en bemerkten eenige ravelingen van stroom.
Op den 14 Julij ’s middags was men op 45° 39′ gegiste breedte en besloot het land aan te doen, waarvan men volgens het opdrogen van den grond niet verre zijn moest; men vervolgde 3 duitsche mijlen eene N. koers op 46 tot 42 vadem fijn graauwen zandgrond en zag alstoen ten 4 ure des namiddags hoog land in het W.t.Z. Dit land »_streckte van N.N.O. tot in het N.N.W. van ons, was op sommige plaetsen tusschen het hooch lant met laech lant aen malcanderen gehecht; het naeste lant lach 4 à 5 mylen van ons, was alsdoen diep 35 vadem, fijne wasige santgront. Saegen corts daernae 2 hooge berghen ende lach gelyck een eylant in ’t O.t.N. omtrent 10½ myl van ons._”
=De Straat de Lapérouse.= ~Vries~ bevond zich van den 13 tot den 14 Julij in het midden der straat die _Jezo_ van _Krafto_ afscheidt, en die eerst 144 jaren later, op den 11 Augustus 1787 door ~Lapérouse~ is ontdekt en naar dezen grooten zeevaarder benoemd geworden. Zij »_saegen eenige raveling van stroom_,” en »_het scheen dat hier stroom liep, dan conden door de harde coelte weynich bemerken hoe die liep_.” De mist, die het lage kustland bedekte en de toppen van bergen, die in het W.t.Z. tot in het N.N.O. uitstaken, misleidden den kundigen zeeman en lieten hem het land in het W. voor zamenhangende houden en een doortogt in de zich diep naar het N. inbuigende golf zoeken, »_hadden veel biesen, groente ende hout sien dryven, wisten niet ofte wy in een doorganch lagen ofte in een bocht geset liggende_.”
Volgens de peilingen ten 4 uren na den middag van den 14 Julij gedaan, bevond zich ~Vries~ reeds in de Golf van _Aniwa_, en wel 4 à 5 mijlen O.t.N. van het hooge gebergte (_Horobori_), hetwelk in eene landtong (_Notoro_) uitloopt, die door ~Lapérouse~ _Cap Crillon_ genoemd werd en de westelijke en zuidelijkste grens van de Golf van _Aniwa_ vormt. Wij hebben dan ook reeds op onze kaart van _Krafto_ (_Atlas_ n^{o}. 3) den _Horobori_ als den _Blydeberg_ herkend, die het hooge land, door ~Vries~ in het W.t.Z. gezien, zijn moet[107]. Het land dat verder van N.N.W. tot N.N.O. strekt, zijn de bergketen, _Poortlandt_ genoemd, die in het westen van de golf tot den _Pic Bernizet_ van ~Lapérouse~, en regts van de _Zalmbaai_ noordelijk strekken, en op ~Toknai~’s originele kaarten de namen van _Okosjô_ en _Niwajemesi_ (_de Speenberg_, ~Vries~?) dragen; en de twee hooge bergen kort daarna in het O.t.N. op 10½ mijl afstand gezien, die zich gelijk een eiland vertoonden, zijn de kegelbergen _Hôru_ en _Serikai_ welke tot de ketting behooren, die de oostelijke grens van de golf vormt en wier zuidelijkste uithoek _Siretoko_ genaamd en _Caep Aniwa_, ~Vries~, is. Deze beide kapen, _Cap Crillon_ (volgens ~von Krusenstern~, op 45° 54′ 15″ N.Br. en 141° 58′ O.L.) en _Caep Aniwa_ (op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L.) zijn de noordelijke, en Kaap _Soja_ (op 45° 31′ 15″ N.Br. en 141° 51′ O.L.) de zuidelijke grens der Straat _de Lapérouse_, die aan den westelijken ingang 23 engl. mijlen breed is. Behalve de klip _la Dangereuse_, 10 engl. mijlen in het Z.O. van _Cap Crillon_ op 45° 47′ 15″ N.Br. en 142° 8′ 45″ N.Br. en 142° 8′ 45″ O.L. gelegen, en die dezen naam draagt, omdat dezelve even boven water ligt en mogelijk bij hoog water onder water. In een’ afstand van 2-3 engl. mijlen daarvan, vonden ~Lapérouse~ en ~Krusenstern~ 23 à 25 vadem rotsigen grond met kleine steentjes. Beide zeevaarders hebben ook eene sterke strooming (~von Krusenstern~ half Mei om de oost) waargenomen; ~Lapérouse~ merkt op, dat de strooming harder aan de noordzijde van de straat, aan de zijde van _Krafto_, dan aan de zuidzijde, die van _Jezo_, liep. De diepte in het midden der straat aan den westelijken, den naauwsten, ingang, door ~Lapérouse~ en ~von Krusenstern~ waargenomen, zijn 36-42 vademen rotsigen grond met kleine steentjes. ~Vries~ loodde bij den oostelijken ingang 80 vadem steekgrond en verder, 70 fijne zandgrond; zijne bevonden diepten naar en in de Golf van _Aniwa_ zijn ook grooter als die, welke door ~von Krusenstern~ bekend gemaakt zijn. Daar deze waarnemingen bijna een en een halve eeuw uit elkander liggen, zoo mogt men daaruit aanleiding tot de vraag nemen: of dat verschil niet het gevolg kon zijn van verheffing van den bodem der straat, die eene keten van bij voortduring werkzame vuurbergen afbreekt? Dit problema behoort niet alleen tot het gebied van de geologie, het behoort ook wel degelijk tot de hydrographie en verdiende hier en in alle vulkanische landen, van zeevaarders mede in aanmerking genomen te worden. Bij het opzoeken van den westelijken ingang der straat, van het zuiden komende, dienen de eilandjes _Risiri_ en _Refunsiri_, het eerste met zijne hooge piek, die 50 engl. mijlen uit zee kan gezien worden tot loodsen, en van het noorden komende het eilandje _Toto mosori_ (_I. Monneron_, ~Lapérouse~). _Risiri_ ligt op 45° 11′ N.Br. en 141° 12′ 15″ O.L.; het eilandje strekt N.N.W. en Z.Z.O. van de kust, ongeveer zeven engl. mijlen lang en drie à vier breed, de oostzijde is stijl, rotsig en schijnt onvruchtbaar te zijn; de westzijde loopt vlakker neer, is ook met rotsen omsingeld, hier en daar echter weelderig begroeid en levert door afwisseling van groene plekken met bosschen een aangenaam gezigt op; de _Kegelberg_, van welke men duidelijk de vulkanische uitwerkingen en de krater zien kan, is rotsig en dor en in de maand Mei nog gedeeltelijk met sneeuw bedekt. De west- en noordwest-kust heeft eenige inhammen, _Toto tomari_ en _Benkaï tomari_, die bewoond zijn, en waar zich _Japansche_ wachthuizen bevinden. Ook aan het noordeinde is een gehucht van de _Aino’s_, en eene wacht, _Nakkatomari_, en aan de N.O.kust (volgens ~Toknai~), eene bogt _Otsutsi tomari_, waar een riviertje _Kusjônaï_ uitwatert; van deze bogt gaat een landweg naar _Toto tomari_. In deze bogt ankeren telkens de Japanners op hunne vaart van _Matsmaë_ naar Kaap _Soja_. Op eenen afstand van 24 engl. mijlen in het Z.W. gezien, vertoont zich dit eilandje als een vrij in zee staande kegelberg, aan welke men nog in den zomer met sneeuw opgevulde voren waarneemt[108]. _Refunsiri_ ligt op 45° 27′ 45″ N.Br. en 141° 4′ O.L., strekt N.t.O. en Z.t.W. en is ongeveer 10 eng. mijlen lang en vier à vijf breed, met stijle rotsen omgeven, heuvelig, zich naar het N.O.einde in een berg verheffend (_Cap Guibert_), die echter in vergelijking met de piek van _Risiri_ laag is. Aan de Oostzijde, ongeveer in het midden van het eiland bevindt zich een inham _Toitsubeki_, waar een _Aino_ dorp en een _Japansch_ wachthuis is en een beschermende ankerplaats voor _Japansche_ schepen gevonden wordt. Ook aan de N.zijde buigt de kust diep in, en vormt eene kom naar een binnenmeer gelijkende. Beide eilandjes waren vroeger, meer dan tegenwoordig, door de _Aino’s_ bewoond. Het vaarwater tusschen beide eilandjes is zuiver, insgelijks de vaart tusschen dezelve en de westkust van _Jezo_. Van het noorden komende, dient het kleine en laage eilandje _Tato mosiri_, d. i. Walrussen eiland, tot gids. Het ligt op 46° 9′ N.Br. en 141° 15′ O.L., strekt zeven engl. mijlen N. en W., en is ongeveer 18 engl. mijlen (volgens ~Lapérouse~) van de kust van _Krafto_ verwijdert. ~Lapérouse~ en ~Broughton~ zijn tusschen dit eilandje en de kust, waar niet minder dan 50 vadem water gevonden wordt, gepasseerd; de laatste heeft het echter niet gezien. Men moet dus bij mistig weer hier voorzigtig zijn, te meer daar de afstand van het eilandje van de kust van _Krafto_ niet juist bepaald is. Wanneer men _Toto mosiri_ gepasseerd is, kan men ook reeds de piek van _Risiri_ zien. Den oostelijken ingang van de straat kenmerkt het hooge gebergte van de oostkust van _Krafto_, die op 46° 8′ 20″ N.Br. en 143° 30′ 20″ O.L. den zuidelijken en oostelijken uithoek van dat eiland vormt, _Siretoko_, door ~Vries~ _Caep Aniwa_ genoemd. Deze kaap vertoont zich als eene steile, losgescheurde rots met een diep gekloofde punt. Volgens ~Toknai~’s kaart liggen eenige rotsen nog buiten de kaap. ~Von Krusenstern~, die de kaap in een afstand van 5 tot 8 engl. mijlen omzeilde, vond het vaarwater zuiver en loodde 75 vadem kleigrond.
[107] Op de kaart van _Japan_, behoorende tot de bovengenoemde verhandeling van ~Bennet~ en ~van Wijk~, is de naam van _Blydeberg_ aan den _Pic de Langle_ toegepast. Op alle originele kaarten van ~Vries~ zeetogt ligt de _Blydeberg_ ten minste 50′ noordelijker als het eilandje _Risiri_, waarop zich deze piek bevindt. Ook laten zich de voormelde peilingen hoegenaamd niet daarmede overeenbrengen.
[108] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt, Atlas_, n^{o}. LXXI en LXXII.
=De Golf van Aniwa.= Aan ~Vries~ hebben wij de ontdekking en eerste kennis, aan ~von Krusenstern~ de bevestiging dezer ontdekking en een nader geo-hydrographisch onderzoek van deze golf te danken. De Japansche aardrijkskundigen, namelijk ~Mogami Toknai~, en ~Mamia Rinso~, hebben ons meer bijzonder met de configuratie der kusten, met derzelver uithoeken, bogten en inhammen, met de daar uitwaterende rivieren en beeken, met binnenmeren en ketens van gebergten en met de inlandsche namen daarvan en met al de bewoonde plaatsen bekend gemaakt. Maar niet alleen danken wij aan hun de bijzondere kennis van deze golf; met verre het grootste gedeelte van _Krafto_ hebben ons deze onvermoeide reizigers insgelijks bekend gemaakt. Het voorheen zoo weinig bekende voor een schiereiland gehouden _Saghalin_ is door hunne nasporingen van het vaste land van _Azië_ als het ware afgescheurd en door hen is het binnenste van eene _terra incognita_ ontsloten geworden. Men vergelijke de beste Europische kaart van _Krafto_ die bestaat, de _Carte de la Presqu’isle de Saghalin_ in 1827[109], door ~von Krusenstern~ uit de waarnemingen van ~Vries~, ~Lapérouse~, ~Broughton~ en zyne belangrijke eigene ontdekkingen zamengesteld, met onze kaart »_die Insel Krafto und die Mündung des Mankô_ (_Amur_) _nach Originalkarten von_ ~Mogami Toknai~ _und_ ~Mamia Rinzo~”[110], en het _in de lengte grootste eiland der wereld_ ligt ontsloten voor onze oogen; een eiland, dat met ons toedoen, volgens art. 2 van het tusschen _Rusland_ en _Japan_ gesloten traktaat, als neutraal verklaard, dus van nu af aan niet alleen voor den wereldhandel geopend, maar ook voor kolonisatie door eene nieuwe bevolking vatbaar is gemaakt[111].
[109] _Atlas de l’Océan Pacifique_, par ~de Krusenstern~, n^{o}. 25.
[110] ~Von Siebold~, _Atlas von Land- und Seekarten_ l. c. n^{o}. 3. Ik wil hier opmerken, dat het eenige, in _Japan_ bestaande Exempl. van ~Toknai~’s „_Originele M. S. Kaarten van Jezo, de Kurilen, Krafto en den Amur_,” aan mij op den 16 April 1826 te _Jedo_ door dezen reiziger is afgestaan geworden, onder de voorwaarde, dezelve niet vroeger dan na verloop van 25 jaren bekend te maken. De 72jarige grijsaard was toenmaals, ondanks zijne groote verdiensten voor de kennis van de aan _Japan_ onderhoorige noordelijke landen, in ongenade gevallen, en in nood en ellende gedompeld, omdat hij van zijne ontdekkingen geen geheim maakte, te vrijborstig en oud was; en toch niet gebukt wilde gaan. Zoo kwamen zijne onschatbare kaarten in mijn bezit en werden eerst in 1852 in het licht gegeven.
[111] „Art. 2. De grenzen tusschen _Rusland_ en _Japan_ zijn voortaan tusschen _Iturup_ en _Urup_. Het geheele eiland _Iturup_ (_Staatenland_) behoort aan _Japan_, het eiland _Urup_ (_Compagnieland_) met de noordelijke _Kurilen_, tot de _Russische_ bezittingen, terwijl het eiland _Krafto_ (_Saghalien_) tusschen de beide rijken neutraal blijft.” _Journal de St. Petersbourg_, 28 Avril 1857.
In de veronderstelling, dat in het W. het land gesloten en geen doorgang mogelijk was, had ~Vries~ zijnen koers noordelijk vervolgd, op een afstand van 4 mijlen van de kust, die hij _Poort Landt_ noemde. Hij bevond zich volgens gissing op de breedte van 46° 30′ N., bij eene diepte van 23 vademen steekgrond. Hij nam nu een N.O. koers en na dien eenige mijlen met opdrogende diepte tot op 16 vadem steekgrond te hebben vervolgd, kwam bij ten anker. Den 16 Julij »_’s morgens was ’t noch mistich weder maer daerde een weynich op, saegen dat in een groote inbocht geset lagen_.” Men zette de _prauw_ uit, om eene ankerplaats digter bij den wal op te zoeken, die ook op 10 vadem steekgrond, ⅓ mijl van het land, gevonden werd. Aanvankelijk liet men het anker verder naar het land toe, op 6 vadem steenachtige grond vallen, daar dit echter niet wilde houden en het van het land begon te waaijen, zeilde men terug en ging op 9½ vadem steekgrond voor anker, het dorp _Aniwa-Tamary_ (_tamari_, d.i.: woonoord) N.O. ½ mijl peilende. »_Waeren nu op de gegiste breete van 46° 40′._” Deze inbogt werd de »_Salmbay_” genoemd, omdat men zich hier rijkelijk van zalm voorzag. Op de meergemelde kaart van »_Gedaene Coursen_” leest men: »_Hier komen haer veel inwoonders aen boort, die haer willen beduiden dat hier in ’t gebergte ’t Silver in overvloet te bekomen is, ook houden zij ’t ijzer waerdiger als ’t Silver._” Ook worden in het Journaal merkwaardige verhalen over de inwoners, waarmede onze zeevaarders in aanraking kwamen, medegedeeld. Daarvan op eene andere plaats.
Alvorens het Journaal teruggevonden en van de meergemelde twee kaarten, die zich in den »_Atlas van geteekende Land- en Zeekaarten_,” thans bewaard bij het statistiek Bureau van het Ministerie van Koloniën, bevinden, door ons inzage genomen was, berustte de kennis van den door ~Vries~ ontdekten Golf van _Aniwa_, op de kaart van ~Jansson~ en op eenige stuksgewijze mededeelingen van zijnen gedenkwaardigen zeetogt door ~Nicolaes Witsen~ en anderen, en deze waren ten opzigte van aardrijkskundige bepalingen zeer gebrekkig. ~Von Krusenstern~ had niets dan eene kopij van ~Jansson~’s kaart aan boord, waarop de mond van de rivier, waarmede de »_Salmbay_” eindigt, op 47° 35′ N.Br. geplaatst was. »_Es scheint fast unglaublich_,” roept hier de groote hydrograaf uit, »_wie man einen Fehler von 52 Minuten in der Breite hat begehen können_”[112]. En toch een ~Vries~ heeft zulk een misslag kunnen begaan? Neen, nimmer! De ankerplaats van het schip _Castricum_ werd door hem _volgens gissing_ bepaald op 46° 40′ N.B. en die was ½ mijl in het Z.W. van _Aniwa Tamary_. De ankerplaats van de _Nadeshda_ werd door ~von Krusenstern~ _sterrekundig_ bepaald op 46° 41′ 15″ N.Br. en 142° 33′ O.L. op eenen afstand van 2½ engl. mijlen Z. 49° O. van de _Japansche_ faktorij. Daar nu de ankerplaats van ~von Krusenstern~ ten hoogsten 3 minuten noordelijker dan die van ~Vries~ was, zoo bedraagt het verschil der breedte, door onzen _Nederlandschen_ zeevaarder in 1643 bij _gissing_ bepaald, slechts 2 minuten van de _sterrekundige_ waarnemingen van een der vermaardste hydrographen dezer eeuw. Voegt men daarbij ~Vries’~ _bevonden breedte_ op den 19 Julij, wanneer hij zich op 46° 27′ N. bevond en »_alsdoen lach de steylen hoeck beoosten Tamary N.W. ½ W. 2½ myl van ons, in ’t N. lach het land 2½, in ’t N.O. 3 myl, in ’t O. 5 myl, in ’t S.O.t.S., de veerste hoeck dien wy sien conden, 8 mylen van ons ende gaven dien hoeck de naam van Caep de Aniwa_,” en vindt men uit deze sterrekundige en compas-waarnemingen van ~Vries~, dat de »_steyle hoeck beoosten Tamary_,” op 46° 37′ ligt, en dat die hoek 4′ zuidelijker dan ~von Krusenstern~’s ankerplaats is, zoo bestaat er geen verschil meer omtrent de aardrijkskundige ligging van de _Salmbay_, zoo als die door onze beide zeevaarders bepaald geworden is. En neemt men daarbij de gegiste breedte van den volgenden middag (20 Julij) in aanmerking, waar ~Vries~ giste Z.t.O. 6½ mijl gezeild en op 46° 1′ 30″ te zijn, en _Caep Aniwa_ O.Z.O. 3 à 4 mijlen van zich te hebben, alsdan wordt ook de aardrijkskundige ligging van _Caep Aniwa_ op 45° 59′ N.Br. bepaald, hetwelk een verschil van 3′ 20″ oplevert met de herhaalde sterrekundige waarnemingen van ~von Krusenstern~, volgens welke deze kaap op 46° 2′ 20″ N.Br. ligt. Ook de inham _Tofuts_ genaamd, in het O.t.Z. van den hoek van _Tamary_ gelegen, en een steile rots, op ~Vries~ kaarten _Piramyda_ en op ~Toknai~’s kaart _Takatsuka_, d. i. de hooge grafheuvel genoemd, die wegens den digten mist door ~von Krusenstern~ niet konden gezien worden, bestaan en getuigen van de naauwkeurigheid van ~Vries~ waarnemingen en gelijktijdig van de getrouwheid der _Japansche_ kaarten, en met regt, zegt ~Lapérouse~, wanneer hij de waarnemingen van onzen zeevaarder nopens den Golf van _Aniwa_ beoordeelt: »_précision étonnante pour le temps où fut faite la campagne du Kastricum_,”[113] en niet minder streelend is de uitroep van ~von Krusenstern~, toen ik hem in 1834 op de kaarten van ~Toknai~ en ~Rinso~ de straat aantoonde, die _Krafto_ van het _Amurland_ afscheidt: »_Les Japonais m’ont vaincu!_”
[112] ~Von Krusenstern~, _Reise um die Welt_, Th. II, pag. 68.
[113] _Voyage de_ ~Lapérouse~ l. c. Tom. III, pag. 93.