Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 5

Chapter 53,650 wordsPublic domain

Volgens onzen griekschen schrijver, jagen de nomaden dezer landstreek de olifanten op deze wijze: "in hinderlaag op de boomen gezeten, en eene kudde olifanten bemerkende, die het bosch doortrekt, laten zij die ongemoeid voorbijgaan; maar zij trachten met behoedzaamheid de achterblijvers te naderen, die hier en daar dwalen, en snijden hun de pezen der pooten door. Somwijlen ook dooden zij hem met pijlen, in de gal eener slang gedoopt; de pijl wordt door drie mannen tegelijk afgeschoten: twee hunner, de beenen vooruitgestrekt, houden met alle kracht den boog vast, de derde spant het koord. Nog anderen geven acht op de boomen, waartegen de olifanten komen leunen om te slapen; zij naderen nu van de tegenovergestelde zijde, en snijden den stam dicht bij de aarde door; wanneer de olifant tegen den boom aanleunt, valt deze om, en het dier stort mede ter aarde; dan springen de jagers van de boomen op den grond, dooden den olifant en houwen hem in stukken. De nomaden noemen deze jagers onrein.

"Boven deze elephantophagen (olifanteters) woont een niet zeer talrijk volk van strouthophagen (vogeleters), in wier land men vogels vindt zoo groot als herten, die, zoo zij niet vliegen kunnen, ten minste zeer snel kunnen loopen, evenals de struisen; sommigen dooden ze met pijlen; anderen nemen hunne toevlucht tot de volgende list. Zij bedekken zich het lichaam met de huid van een dezer dieren; zij steken hun rechterarm in den hals, en bewegen dien op zoodanige wijze, dat zij de bewegingen van den vogel zelven nabootsen; met hunne linkerhand nemen zij graankorrels uit een broodkorf, die aan hunne zijde hangt, en strooien die vóór zich heen; de vogels worden daardoor naar kuilen gelokt, waar jagers zijn gesteld, die hen met stokken doodslaan. Deze strouthophagen bedienen, zich van de huiden dezer vogels om zich te kleeden en ook als bed; zij leven in oorlog met de Ethiöpiërs, die Siles worden genaamd, en als aanvalswapenen hertehoornen gebruiken. Zij wonen in de nabuurschap van menschen, zwarter van kleur en kleiner van gestalte, die ook minder lang leven dan de anderen, want zij worden zelden ouder dan veertig jaar, omdat de wormen zich in hun vleesch voortteelen. Deze menschen voeden zich met de sprinkhanen, die door de zuid-westen- en westenwinden, welke in de lente met groote hevigheid heerschen, naar hun land worden gevoerd. Om deze sprinkhanen te vangen, werpen zij, in kuilen en droge grachten, hout, dat, als het brandt, veel rook veroorzaakt; zij leggen daar een weinig vuur boven op: de sprinkhanen, die daarover heen vliegen, worden door den rook verblind en vallen ter aarde. Zij maken ze fijn, vermengen ze met pekel, en bakken er koeken van, die zij eten."

Aldus Artemidorus. Vooral wat hij het laatst verhaalt, is geheel overeenkomstig de waarheid, zooals mij nog op deze reis bleek. De sprinkhanen daalden in dichte zwermen van Hamazene af, waar zij waarschijnlijk den oogst van den armen abyssinischen landman bijna geheel hadden vernield. Zij vlogen, naar ik meen, van het west-zuidwesten, naar het noord-noordoosten. De boomen, de _khors_, de hellingen der heuvelen, alles was overdekt met millioenen gele of violette stippen: een waar festijn voor de roofvogels van allerlei soort, wier aantal in deze streken zoo buitengemeen groot is. Maar zij waren de eenigen niet, die op dien buit afkwamen: de lieden van Aïlat, met _ghirbas_ (lederen zakken) beladen, kwamen ook in massa opzetten, om mede hun aandeel te erlangen. Deze sprinkhaneneters, hoewel inderdaad donkerder van kleur dan hunne buren, kwamen mij voor krachtig en welgemaakt te zijn. Wat onze Griek vertelt van die afschuwelijke ziekte en van hun korten levensduur, is een fabeltje, en zal ook wel in zijn tijd niet waar zijn geweest.

Een paar dagen na ons vertrek van Aïn, kwamen wij te Desset, een zeer boomrijk eiland, door een breeden, nu uitgedroogden stroom gevormd, waar zich eenige grafheuvelen bevinden, en twee steenen grafteekenen, onder den naam van _graven der Koningen_ bekend. Volgens de overlevering der nomaden, zouden deze graven de overblijfselen bevatten van de _Rôm_, een volk dat, tot straf voor zijne immer toenemende goddeloosheid, door God onder een regen van steenen bedolven werd.

Te Desset was ik te zeer in de nabijheid van Aïlat en zijne warme bronnen, dan dat ik zou hebben mogen verzuimen, derwaarts een uitstapje te maken. Een kleine marsch bracht mij naar dit groote dorp, waar ik twee aangename dagen sleet, uitnemend goed ontvangen door een soort van sheik, die, in naam van den toen afwezigen naïb, het bestuur over deze herders voerde.

Ik had geene behoefte aan een badkuur, en was ook om die reden niet naar Aïlat gekomen, maar ik zou mij geschaamd hebben, den omtrek te verlaten, zonder die beroemde warme bronnen te hebben gezien, waarvan alle reizigers gewag maken, en die bovendien gelegen zijn in eene dier schilderachtig schoone valleien, die mij steeds zoo verkwikten. Ik verliet dus het dorp, in gezelschap van Ahmed en een inlandsch opperhoofd en bereikte, na eene wandeling van anderhalf uur, den oever van eene beek, Maï Ooï (warm water) genaamd. Nog zeshonderd el verder, en ik was bij de bronnen. Het water was zeer vuil; de reden daarvan bleek mij spoedig, toen ik eene menigte schapen tegenkwam, die, volgens de dagelijksche gewoonte, door hunne herders in de bron waren gewasschen: eene operatie, die tijd en geduld vordert. Gelukkig ontbreekt het deze bergbewoners noch aan het een noch aan het ander.

De eigenlijke bron ontspringt aan den voet van een tamelijk steilen berg, Akowar geheeten, midden in een klein moerassig weiland, waaruit eenige zwakke sprengen opwellen, van welke slechts eene enkele eene hooge temperatuur heeft; al deze straaltjes vereenigen zich, eenige schreden verder, in een reeks kleine vijvers of bassins; slechts in een dezer vijvers, die de meeste diepte heeft, kan een volwassen mensch, als hij namelijk op zijn hurken gaat zitten, een eenigszins behoorlijk bad nemen. Toen ik nader kwam, zag ik vier of vijf mannen en vrouwen in het bad gezeten; nadat er wat ruimte gekomen was, wilde ik ook een bad in de Maï Ooï nemen, maar de temperatuur was mij te hoog; half verbrand trok ik mij haastig terug en bepaalde mij tot een voetbad. Na den naburigen heuvel beklommen, en het panorama genoten te hebben der donkere, zonderling gevormde en boschrijke bergen, die ten westen de vlakte van Aïlat begrenzen, keerde ik naar het dorp terug, om vandaar onzen tocht voort te zetten.

Door eene zandige, dorre vlakte, bereikten wij eindelijk, zeer vermoeid en bijna bezwijkende van dorst, het vrij aanzienlijke dorp M'Kullu, op zes kilometers van Massaoua, te midden vau eene zand- en steenwoestijn gelegen, maar toch in het bezit van een onwaardeerbaren schat: vijf of zes putten met voortreffelijk water. Daar Massaoua geen bronnen heeft, en alleen regenwaterbakken, die acht of negen maanden van het jaar droog zijn, is het water van M'Kullu tot een handelsartikel geworden, waarvan de gansche arbeidzame bevolking van het dorp leeft. Elken morgen vroeg nemen de jonge meisjes van tien tot vijftien jaar, een met water gevulden zak op hare schouders, wandelen daarmede naar de stad, en keeren omstreeks negen uur in haar dorp terug; zij doen alzoo een tocht van twaalf kilometers, waarmede zij niet meer dan een piaster (ongeveer tien cent) verdienen. Dit harde leven benadeelt noch hare gezondheid, noch haar schoonheid, noch haar goed humeur. Honderde malen heb ik ze ontmoet; bij troepjes naar de stad trekkende, lachende, pratende: aardige figuurtjes, met hare in wanorde over het hoofd hangende krullen van glimmend zwart haar.

M'Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua, die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen avond naar M'Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen, met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden, en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent) per hoofd bedraagt.

VIII.

Vroeg in den morgen braken wij van M'Kullu op en trokken naar de vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten dan mimosa's, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (_chora_), die het strand bedekken. Die bosschen van _chora_ van verre gezien maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte, en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel, vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte u eene verkwikking schijnt.

De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering zouden zij door de _Parsis_ (de Perzen) zijn aangelegd: waarin niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan de _Parsis_ toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering, ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.

Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd, hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht, niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking, waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier, die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering, steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun versch water van M'Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en bij iederen vloed de ledige ruimte vult.

Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is, durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee, die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is, waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.

De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur van den dag ziet ge er weinig anders dan _angarebs_, rustbanken, tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren keten om de lendenen.

De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest; zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee), uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een enkel woord.

De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren Kapucijner-monniken; zij woonden te M'Kullu in een nederig huis, waar men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af, door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden, met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om "zaken" te gaan doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide, tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.

Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864), werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.

Een anglo-indisch spreekwoord zegt: "Pondichery is een warm bad, Aden een fornuis, Massaoua een hel." Dit is tamelijk overdreven. Massaoua is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar, was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen, langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk, vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M'Kullu; dan daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte, waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan, in schemerende omtrekken, welfde.

Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog, een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.

Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door de stekelige mimosa's moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven wilde overnachten--waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek van leeuwen, luipaarden of hyena's, volstrekt niet op gesteld was;--het beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken, met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen; verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte _choras_ der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe: "Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of de onderkoning te Masr (Kaïro)!"--Bij de minste oneenigheid verbood de naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien, waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.

De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien, waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening, tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene ontsteltenis verwekte door de mare: _El Kostan ghia!_ de christenen komen!--Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen aanrichtende. M'Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden, moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden, en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos, terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie over naar Aïlat.

AMERIKAANSCHE GETUIGENISSEN OMTRENT AMERIKAANSCHE TOESTANDEN.

De man, die door de meerderheid der kiezers in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika,--met inbegrip van 800,000 zoogenaamd vrije negers--voor de tweede maal op den presidialen zetel is geplaatst, heeft onlangs, in eene officiëele boodschap, de transatlantische "Republiek" als voorbeeld voor het oude Europa aangeprezen, als de type en het model voor den gewenschten staat der toekomst. Men zou deze eenzijdige grootspraak kunnen laten voor hetgeen zij is, indien niet in Europa zelf nog altijd zoovelen gevonden werden, die, met opzet of uit onnoozelheid, inderdaad gelooven of althans voorgeven te gelooven, dat de amerikaansche republiek hooger staat dan de monarchiën der oude wereld, en zich op het voorbeeld van Amerika beroepen tot aanprijzing van den republikeinschen regeeringsvorm, als het algemeene redmiddel tegen alle kwalen. Dat men, zelfs in Amerika, dit gevoelen niet zoo algemeen deelt, kan blijken uit de volgende staaltjes uit de dagbladpers, die tegelijk ten blijk kunnen strekken van de vrijheid waarmede de oppositie-bladen de toestanden durven beoordeelen. Wij hebben niet te zeggen, dat ook deze schetsen zeerwel niet van overdrijving vrij te pleiten zijn.

Hooren wij in de eerste plaats een der te New-York verschijnende dagbladen, de _Sun_.