Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 4

Chapter 43,752 wordsPublic domain

De Bogos of Mogos zijn afkomstig uit Lasta, eene bergachtige landstreek in het hart van Abyssinië; zij behooren tot den krijgshaftigen stam der Agau, die de oorspronkelijke bewoners des lands zijn. Hun stamvader, Guevra Terké, had het ongeluk zijn broeder of een zijner naaste bloedverwanten te dooden; om zich aan de bloedwraak te onttrekken, week hij met zijne beide zonen, Seguina en Korsokor, ten lande uit. Omtrent deze vlucht bestaat nog eene andere legende, die een sterk sprekend bijbelsch karakter draagt, en blijkbaar is ontleend aan de geschiedenis van de aartsvaders Jacob en Josef. Volgens deze legende dan, vatte eene der begunstigde slavinnen van den ouden vader van Guevra Terké eene vurige liefde op voor den schoonen, edelen jongeling, die echter koel bleef voor hare verleidingen en haar daardoor tot zijne onverzoenlijke vijandin maakte. De vader van Terké nu was blind, hij zelf zeer harig, als Esau; de slavin maakte daarvan gebruik om hem op dezelfde wijze van den vaderlijken zegen te berooven, als Rebecca weleer ten aanzien van Esau deed. Terké, ten behoeve van zijn jongeren broeder onterfd, kwam daartegen niet in verzet, maar ging het land uit.--Dit verhaal verdient niet het minste geloof: reeds daarom niet omdat het blijkbaar eene navolging is. Bovendien zijn er in Abyssinië geen harige mannen: althans, ik heb ze nooit gezien.

De Bogos, die zich zelven Bilèn noemen, tellen tegenwoordig omstreeks achttienduizend zielen, verspreid in zeventien dorpen langs de beide oevers van de Aïnsaba. Zij zijn in twee takken verdeeld, wier namen zijn ontleend aan de beide zonen van Terké: de Ad-Seguina ten noordoosten, de Ad-Korsokor ten zuiden en ten westen. Het is een volk van landbouwers en herders; maar de landbouw is van niet veel beteekenis en maar nauwelijks voldoende om in de behoeften te voorzien. De wezenlijke rijkdom en de trots der Bogos, is hun veestapel. Men schat iemands rijkdom naar het getal _moktas_ die hij bezit: een _mokta_ is eene kudde van vijftig runderen. Twee moktas staan ongeveer gelijk met wat men in Frankrijk een burgerlijk vermogen zou noemen; die vier moktas bezit, is een rijk man.

Ook bij de Bogos bestaat de adellijke instelling der _choumaglié_, waarvan ik reeds vroeger sprak; daarmede gaat natuurlijk het recht van eerstgeboorte gepaard. Als een choumaglié sterft, erft zijn oudste zoon de roerende goederen, de voorvaderlijke degen, de witte koeien der kudde, de tigrés, en, in sommige gevallen, ook de weduwe. Dit laatste gebruik, dat voor een christelijk volk vrij zonderling is, vereischt eenige toelichting. Komt een gehuwd man te overlijden, dan hebben zijne bloedverwanten, of zelfs zijne kinderen uit een ander huwelijk, het recht, de weduwe te trouwen; in sommige gevallen, zijn zij daartoe zelfs verplicht. Niemand vindt daarin iets onbetamelijks; integendeel, zoowel de christelijke Bogos als de muzelmansche Beni-Amer, zien daarin eene ridderlijke daad tot bescherming der vrouw en eene zekere hulde aan de nagedachtenis van den overledene. De overige zonen ontvangen van hun oudsten broeder zooveel als zij noodig hebben, om zich elders te gaan vestigen. De jongste zoon erft het ouderlijk huis: eene zeer opmerkelijke bepaling, die van fijn gevoelige teederheid getuigt. Hij toch wordt geacht de herinnering aan zijn vader en de liefde voor de woning, waar hij is opgevoed, dieper in het harte te dragen dan de anderen, die het leven reeds meer van het ouderlijk dak heeft vervreemd.

De dochters kunnen op niets aanspraak maken; doorgaans echter trouwen zij zeer vroeg. Bijna allen zijn fijngevormd en zeer schoon, met een lichte zweem van zekere wildheid in haar voorkomen; niets evenaart het vuur van haar zwarte oogen, zoo uitnemend getemperd door de lichte bronskleur van haar huid. Maar, hoewel de vrouwen geene maatschappelijke rechten bezitten, rust toch op haar dikwijls eene zeer zware verantwoordelijkheid. Te Keren zag ik eene zeer achtenswaardige familie, waarvan het hoofd, bij zijn overlijden, schulden had nagelaten. De schuldeischers lieten nu zijne twee dochters, beiden nog kinderen, als slavinnen verkoopen, om zoodoende de schulden van den vader te vereffenen. De oudste trok de aandacht van een aanzienlijk man uit die streek, die haar voor vier-en-twintig talaris (126 francs) vrijkocht, om haar te huwen.

Ook in Sennaheit heerscht de beruchte gewoonte van den _bloedprijs:_ eene gewoonte trouwens, die bij elk volk gevonden wordt, waar het idee van den staat nog niet tot ontwikkeling gekomen is, en de overheid nog niet als de waarborg en handhaver der algemeene veiligheid wordt beschouwd. Dit recht van bloedwraak, dat de solidariteit der familie of van den stam bij de aanrading van lijf of goed vertegenwoordigt, draagt bij de Bogos den naam van _dem_. Zij maken onderscheid tusschen den heelen en den halven bloedprijs. De eerste is verschuldigd bij moedwilligen doodslag, onverschillig of het slachtoffer een man, eene vrouw, een kind, een choumaglié of een trigé is. Verleiding staat gelijk met manslag, en, in vele gevallen, ook het verbreken der huwelijksgelofte.

De halve bloedprijs wordt gevorderd voor elke verwonding, die bloedstorting ten gevolge heeft gehad, of eene ernstige verminking veroorzaakt; voorts voor elken onwillekeurigen manslag door een wapen of eenig ander snijdend werktuig, zonder opzet van den eigenaar. Als een man zijne vrouw doodt, is hij daarvan aan niemand rekenschap schuldig; maar hij moet aan zijn schoonvader den halven bloedprijs betalen. Het _bloed_ van een choumaglié wordt op honderd-twee-en-dertig koeien geschat, benevens een muilezel en een mat; dat van een trigé, op drie-en-negentig koeien, waarvan een derde aan zijn heer toekomt.

De Bogos noemen zich bij erfelijke overlevering, Christenen; maar zij bezaten noch kerken, noch priesters, toen, omstreeks 1854, een toeval, zoo men wil, hen in aanraking bracht met een jongen piëmonteeschen missionaris, Pater Giovanni Stella, die, weinig opgewektheid gevoelende voor de missie in het binnenland van Abyssinië, zich te Keren vestigde; waar hij eene uitnemende gelegenheid meende te vinden om met vrucht werkzaam te zijn. Even ijverig als verstandig en bedachtzaam, begreep Pater Stella, dat het onderwijs in de dogmatiek gevoeglijk tot later kon worden uitgesteld, en beijverde hij zich in de eerste plaats, om de Bogos in zedelijken zin op te heffen, en hen daardoor vatbaarder te maken om de verheven waarheden van het Christendom te begrijpen. Hij trachtte eerst de twisten en veeten, die dorp tegen dorp en stam tegen stam de wapens deden voeren en zoo schromelijke verwoestingen aanrichtten, bij te leggen; langzamerhand wist hij de Bogos te bewegen om de rooverijen en strooptochten, die maar al te zeer bij hen in zwang waren, vaarwel te zeggen; hij bezocht de huisgezinnen, en vermaande de fiere, onafhankelijke bergbewoners meer eerbied te betoonen voor de banden des huwelijks, voor het leven en de bezittingen van hun medemenschen, en niet zoo spoedig toe te geven aan de inblazingen van een eergevoel, dat in beginsel lofwaardig mocht zijn, maar zich op zoo noodlottige en verderfelijke wijze openbaarde. Een paar jaren lang was zijne stem als die eens roependen in de woestijn; maar nadat hij den Bogos een zeer wezenlijke dienst bewezen had, had hij hun vertrouwen gewonnen, en nu werd hij in weinige jaren, alleen door zijn zedelijken invloed, de oppermachtige gebieder en scheidsrechter van de zeventien dorpen der Bogos en van een tiental naburige vlekken of stammen. Hij maakte vooral zijn werk van de uitroeiing der openbare rooverij: een zware taak, want in het gebergte werd het ambt van roover als eene eervolle betrekking beschouwd, een man van moed ten volle waardig. Hij had eindelijk persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met al de voorname roovers van Samhar, Sennaheit en Barka; en wanneer hier of daar gewelddadigheid was gepleegd, wist hij doorgaans den schuldige te ontdekken en vergoeding te verkrijgen.

Deze dictatuur, de vrucht van onvermoeide toewijding en zelfverloochening, wekte den argwaan op van den negus, die zich heer van Sennaheit noemt. Hij wenschte _Abounu Johannès_ (Vader Jan, de gemeenzame naam van Pater Stella) te zien, en noodigde hem; in de vriendelijkste bewoordingen, tot een bezoek uit in zijne residentie te Debra-Tabor; de negus noemde hem zijn zoon, en beloofde hem de meest hartelijke ontvangst. De heer Stella antwoordde de gezanten van den negus met groote wellevendheid, wist voorloopig tijd te winnen, en toen geen langer uitstel mogelijk was, vertrok hij haastig naar Massaoua, het minder raadzaam achtende, zich in het hol van den leeuw te wagen.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was te Massaoua, twee maanden voor ik de reis aanvaardde, waartoe dit verhaal betrekking heeft. Naar hetgeen ik omtrent hem gelezen had, stelde ik mij Pater Stella voor als een soort van Sint-Franciscus Xaverius met grijze haren. Groot was dan ook mijne verwondering, toen ik een welgedanen jongen man zag, met een blozend, open gelaat, waaruit een paar levendige, geestige oogen mij aanstaarden, en met een zeer weelderigen haardos. Een _bouri_, groote inlandsche pijp, die hij nooit uit den mond legde en die een deel van zijn persoon scheen uit te maken, voltooide deze geheel eigenaardige, maar zeer innemende figuur. Reeds dadelijk voelde ik mij tot hem getrokken, en bij nadere kennismaking leerde ik den beminnelijken, beschaafden, klassiek ontwikkelden man te meer waardeeren en bewonderen. De diensten, die hij, in deze bijkans onbekende streken, aan de zaak der beschaving en van het Christendom heeft bewezen, geven hem volle recht op aller hulde en erkentelijkheid.

VI.

Sennaheit, dat juist op den weg van Khartoem naar Massaoua ligt, moest, uit den aard der zaak, de begeerlijkheid prikkelen der egyptische beys van de grenzen, met name van dien van Taka. In 1850 deed een dezer heeren, Elias-Bey, een overigens bekwaam en energiek man, maar berucht wegens zijn fanatieken haat tegen alle christenen, onverwacht een inval in het land der Bogos; dezen, nog tijdig gewaarschuwd, konden zich met hunne kudden aan de overzijde van de Aïnsaba in veiligheid brengen. Elias drong door tot Ouasentet, een dorp van den stam Bedjouk, op vier mijlen afstands van Keren; hij vond daar slechts eenige oude vrouwen, die hij laaghartig liet vermoorden. Hij wilde toen de Mensa aanvallen, wier eerste kampementen niet meer dan vier of vijf uren verwijderd waren; maar een gids, die misschien de bergbewoners wilde redden, maakte den bey, in de aardrijkskunde al even weinig ervaren als al zijne confraters, wijs, dat het kamp der Mensa wel acht dagreizen ver was; Elias keerde daarop naar Kassala terug. De Bedjouk hadden hun behoud te danken aan eene omstandigheid, die den egyptischen officier karakteriseert. Aan de oevers van de Aïnsaba gekomen, had de bey de kanonnen laten afschieten, om den herders, die hij overvallen wilde, en die hij anders ongetwijfeld in hun kamp zou hebben verrast, den moed te doen ontzinken!

In 1855 had een tweede inval plaats, die bij de Bogos zoo treurige herinneringen heeft achtergelaten. In vollen vrede vereenigde Khosrew-Bey, een woeste Turk, die te Kassala bevel voerde, al de roovers en bandieten van Barka met zijne geregelde soldaten, en trok met dit legertje naar Sennaheit. De beide passen, die naar het bergplateau voeren, werden bezet, zoodat de Bogos, wier hoofdplaats destijds Mogareh, op een uur afstands van Keren, was, nergens een uitweg hadden. Vijftig hunner manschappen sneuvelden in het gevecht; Mogareh werd in de asch gelegd, en driehonderd-tachtig gevangenen, meest vrouwen en kinderen, medegevoerd, benevens ongeveer zestig _moktas_; daarna keerden de roovers haastig terug. Pater Stella was afwezig; hij kwam den volgenden dag te Keren, vernam daar van de beroofde bergbewoners wat er geschied was, spoedde zich naar Kassala, en eischte van Khosrew volledige vergoeding. Deze weigerde, op de meest onbeschofte wijze, den geestelijke als officiëel persoon te erkennen; bovendien voerde hij hem te gemoet dat al de christenen van Sennaheit rebellen waren, die de egyptische regeering het recht en het vaste voornemen had, tot onderwerping te dwingen. De heer Stella wendde zich daarop tot de consuls van Frankrijk en Engeland. Deze laatste, de heer Plowden, een man van een doortastend karakter, een helderen blik en groote diplomatieke talenten, begreep aanstonds, welke partij van het voorval te trekken was, om het prestige van Engeland in de oogen der Christenen en muzelmannen van oostelijk Afrika te verhoogen. Hij ging in persoon naar Kassala, nam een dreigenden toon aan, maar kon niets verkrijgen; daarop begaf hij zich naar Alexandrië, met een adres van de Bogos aan de koningin van Engeland; hier vond hij krachtige ondersteuning en medewerking bij den franschen consul-generaal, den heer Sabatier, en verkreeg eindelijk eene schitterende voldoening. Khosrew werd afgezet, en tevens bevel gegeven, de gevangenen los te laten. Dit geschiedde dan ook onverwijld; maar inmiddels had men er reeds een tiental naar Djeddah gezonden, de groote stapelplaats van den slavenhandel aan de Roode-zee, eene stad, befaamd wegens twee zaken, die, voor zoover mijne persoonlijke ervaring reikt, steeds onafscheidelijk samengaan: een opgewonden muzelmansch fanatisme en eene grenzenlooze zedeloosheid. Tien of twaalf andere gevangenen waren in de harems van Kassala of de omstreken verstrooid geraakt.

Daarop begon een onderzoek, dat, nu reeds acht jaren lang, de brave huisvaders van Kassala rust noch duur laat. De heer Stella trekt elk jaar derwaarts; hij luistert, ondervraagt, bespiedt, en bij elk bezoek vindt hij het spoor van eene of andere achtergebleven gevangene, die hij dan terugvordert, en die de divan hem niet durft weigeren. Somwijlen geeft dit aanleiding tot komische tooneelen. Een zekere Kopt, Mallem Todros genaamd, een gauwdief van het eerste water, had twee meisjes in zijn harem verborgen; zijn buurman Kotzika, schoonzoon van den Mallem Ghirghis, verklapte hem. De meisjes werden teruggegeven; om zich te wreken, liet nu Todros bij Ghirghis de glazen ingooien. Daarop nieuwe twist, en eindelooze processen tusschen deze beide deftige heeren, die pater Stella eindelijk wist te verzoenen.

Op aandrang der consuls gaf de egyptische regeering, na lang talmen, eene schadevergoeding van 17.000 francs, ongeveer een derde der waarde van het gestolen vee. Mij werd opgedragen voor de verdeeling dezer gelden te zorgen; ik liet mitsdien de voornaamste choumaglié van Keren, Ona, Tantarwa, Achala, Djoufa en Deghi, die allen van den rooftocht te lijden hadden gehad, naar Keren ontbieden, waar de gelden onder de belanghebbenden werden verdeeld. Bij die gelegenheid ontbrak het natuurlijk niet aan feesten en luidruchtig vreugdebetoon, en menig lied werd ter mijner eere gezongen. Zeventienduizend franken was voor deze arme lieden een meer dan vorstelijke schat!

Ik bleef eenige dagen te Keren, geene gelegenheid verzuimende om de omstreken te doorkruisen, en bergen te beklimmen. Somwijlen had ik zonderlinge ontmoetingen. Op zekeren dag had ik den Lala mba, een fraaien, pyramidaalvormigen berg nabij Mogareh, bestegen en daar geteekend, zonder mij te laten storen door het gekras van een vervelenden raaf, die mij eerst een poos onbeschaamd had zitten aankijken en toen luidkeels was gaan schreeuwen, als om te protesteeren tegen deze inbreuk op zijn gebied. Vermoeid en verstrooid van gedachten daalde ik den berg af, en wilde juist mijn voet zetten op een soort van dooden tak, die in het hooge, dorre gras lag, toen mijne aandacht eensklaps getrokken werd door de gladheid en den regelmatigen vorm van dien stam; en werktuigelijk nader toekijkende, zag ik dat die gewaande tak, eenige voeten verder, uitliep in een platten kop met twee zwarte vurige oogen. Het was een groote slang, die waarschijnlijk even verrast was door deze zonderlinge ontmoeting als ik zelf. Wij hadden trouwens niet veel tijd elkander te bewonderen: want op eene beweging die ik maakte, verdween het dier in de struiken, en ik tusschen de rotsen.

Een andermaal had ik den Aïtaber bestegen om van daar een blik te werpen op de prachtige bergkloven, waaruit de Aïnsaba te voorschijn treedt, en op de boschrijke hellingen der _rora_ (bergvlakte), waar de stam der Beit-Andou in fiere onafhankelijkheid, eenzaam en afgezonderd, leeft. Langs een steil rotspad afdalende, stootte ik eensklaps op een fraaien, jongen luipaard, die zich in de zon lag te koesteren; en hoewel ik geene andere wapenen bij mij had dan mijn kompas en mijn teekenpen, werd hij toch bang, en vluchtte in twee of drie sprongen naar eene opening tusschen de rotsen, waarin hij geheel verdween; in zijn schrik vergetende, dat een gedeelte van zijn staart buiten het gat uitstak. Ik van mijne zijde gevoelde evenwel niet den minsten lust, hem verder te verontrusten; en daar het pad vlak langs zijne schuilplaats heenliep, maakte ik eerbiedig een omweg van meer dan een el in doorsnede.

Mijne bedienden dachten over deze uitstapjes, wat de veiligheid betreft, geheel anders dan ik. Toen de kawas Ahmed, als naar gewoonte, de abyssinische dienstmaagden wilde uitzenden om hout en water te halen, weigerden zij, uit vreeze van opgelicht te worden, wanneer zij zich op eenigen afstand buiten Keren waagden. Trouwens deze vrees was niet zoo ongegrond. De meeste muzelmansche kooplieden langs de grenzen, niet tevreden met de winsten van hun gewonen handel op Abyssinië, leggen zich ook toe op kinderroof. Het stelen van christenkinderen is, in de oogen der muzelmannen, een verdienstelijk werk; de ongelukkige slachtoffers worden dan als slaven verkocht. De regeering doet niets om dezen gruwelijken handel te beletten.

VII.

Na een verblijf van vijf dagen te Keren, werd het tijd aan de terugreis naar Massaoua te denken. Pater Stella deed mij uitgeleide tot aan de boorden van de, Aïnsaba, waar wij gezamenlijk ons bivouac opsloegen, en vanwaar hij den volgenden morgen naar Keren terugkeerde.--Wij staken nu de fraaie vlakte over, waarin de kleine stam der Bedjouk gevestigd is; bestegen den vrij steilen bergpas van Massalit, en daalden in het bassin van de Lebqa af, dat wij eerst te Aïn, op twee dagreizen afstands, weder verlieten. De uitgedroogde bedding van de rivier diende ons tot weg, die terwederzijde door tamelijk hooge en boschrijke bergen was omzoomd.

Aïn vormt de grens tusschen twee machtige stammen, de Mensa ten zuiden, en de Habab ten noorden. Deze laatsten splitsen zich in drie afdeelingen, die te zamen den naam voeren van de drie _Meflez_ (wilde zwijnen). Die titel van Meflez is zeer in aanzien in Sennaheit: hij komt voor in de geslachtslijsten van de voornaamste familiën: een bewijs te meer, bij zoovele anderen, dat deze stammen oorspronkelijk geen Mohammedanen waren. De Habab zijn nomaden: en er bestaat eene zekere verwantschap tusschen het nomadenleven en de islamitische barbaarschheid; gaandeweg vielen zij dus van hun voorvaderlijk christengeloof af, en hadden nu ook geen enkele reden meer om zich te onttrekken aan het oppergezag van de grootere of kleinere muzelmansche staten, die hen van alle zijden omgaven. Reeds in 1846 vorderde Emin-Bey van de Habab schatting, in naam van den onderkoning van Egypte. De _kantiba_ (opperhoofd) der Habab antwoordde op hoogen toon, dat hij de souvereiniteit van Egypte niet erkende; maar, bevreesd voor de soldaten van den bey, zond hij hem toch, echter voor dien enkelen keer, een geschenk van vijftig koeien. Tegenwoordig tracht de porte zelf aanspraken op de souvereiniteit over deze stammen te doen gelden.

De Mensa beweren van den zeeoever gekomen te zijn, en beroemen zich op hun europeeschen oorsprong. Indien dit geen fabel is, dan hebben zij tot zelfs hunne taal vergeten, want zij spreken thans tigré; overigens is hun zuivere, bijkans klassieke type eene zijdelingsche bevestiging van hunne beweerde afkomst. Zij splitsen zich in twee clans: Beit-Ibrahé, wier dorp Gheled (schild) heet, en Beit-Echakan, die te Hamham zijn gevestigd. Het eerste dorp werd in 1850 door Hassan, naïb van Arkiko, overvallen; de kantiba Theodoros werd als gevangene naar Massaoua gevoerd, waar hij verscheidene maanden bleef, en waar men vergeefs alle pogingen aanwendde om hem tot den islam te bekeeren. Hij werd niet ontslagen, dan nadat hij een zekeren losprijs had betaald, en zijn kleinzoon als gijzelaar had achtergelaten.

Sommige reizigers hebben zich zeer ongunstig over de Mensa uitgelaten; maar, op den keper beschouwd, komen die klachten toch hoofdzakelijk hierop neer, dat de nieuwsgierigheid dezer onontwikkelde bergbewoners den reizigers last veroorzaakte. Nu, laat ons rechtvaardig zijn. Stellen wij eens dat een Mensa, in zijne fraaie witte shama, die hij alleen op feestdagen draagt, gehuld, met zijne lange lans in de hand, en de groote houten naald (waarop hij even trotsch is, mevrouw, als gij op uwe kolossale oorbellen) door zijn gevlochten haren gestoken;--stellen wij, dat zulk een Afrikaan zich op een goeden dag in de straten van Parijs vertoont: zou hij niet het voorwerp der algemeene nieuwsgierigheid, en erger, der spotternij, zijn? Wat mij betreft, ik heb mij altijd zeer wel kunnen schikken in deze soort van nieuwsgierige belangstelling, die mijne zwarte of koperkleurige medemenschen mij betoonden: zoolang althans die belangstelling haar karakter van kinderlijke naïveteit niet verloor, en geen dekmantel werd voor kwaadwilligheid of hebzucht. Doorgaans vond ik er een waar vermaak in, naar de gesprekken te luisteren, die om mij heen werden gevoerd, en die op mijn persoon betrekking hadden.

"Hoe heet uw meester?" vroeg men aan mijn kawas Ahmed.

"Zijn naam doet niets ter zake. Hij is mijnheer de consul."

"Consul? Wat is dat? Is dat zooveel als een _choum_ (klein districtshoofd)?"

"De duivel hale uw choums! Een consul, dat is zooveel als een dedjaz (hertog of landvoogd). De negus heeft, hij zijne ontvangst te Debra-Tabor, de kanonnen laten afvuren."

Dan nam men mijn persoon en mijne kleeding nauwkeurig op: alles leverde stof tot vragen en opmerkingen. Somwijlen droeg ik, des morgens, als de wind koel was, een vest van blauwe gebreide wol: dit kleedingstuk vooral prikkelde de nieuwsgierigheid der inboorlingen. Een hunner, die zich voor bijzonder knap hield vroeg mij: "of dat zijde was?"

"Neen, het is schapenwol."

"Heel vreemd!"--En de man verwijderde zich, brommende: "Nu, die Frank denkt mij beet te kunnen nemen! Wie heeft ooit van zijn leven blauwe schapen gezien?"

Een andermaal trok een bos kleine sleutels de aandacht mijner bezoekers; na zich in allerlei gissingen verdiept te hebben, merkte een hunner op, dat zij inwendig hol waren; hij gaf ze mij nu terug zeggende:

"Ik ken dat: het zijn zakpistooltjes! Zijn ze geladen? De Franken vinden toch wonderlijke dingen uit. Hoe jammer dat ze _turksch_ (mohammedaansch) zijn!"

"Wat praat ge van turksch? Evenmin turksch als gij."

"Zijt gij dan een christen?"

"Zeer zeker."

"Laat mij dan uw _mateb_ zien. (Een blauw zijden koord, dat alle abyssinische christenen, bijwijze van herkenningsteeken, dragen.) Hebt gij geen _mateb_? Ziet gij wel, dat ge dan ook geen christen zijt."

Ik keer tot mijn verhaal terug. De vlakke en bijna geheel naakte streek, hier en daar door alleenstaande bergen afgewisseld, die ik van Aïn tot Massaoua in schuine lijn moest doortrekken, heet Samhar. Deze landstreek is, althans in de hoofdtrekken, vrijwel bekend, want deze woestijn is de weg van de kust naar het schoone en vruchtbare Abyssinië. Reeds in de oudheid, met name tijdens de Ptolomeërs, die zoo ijverig den handel van de Roode-zee bevorderden, was Samhar evengoed bij de reizigers bekend als heden ten dage. Ten bewijze zij het mij vergund, de beschrijving aan te halen, die Artemidorus van deze streek geeft; die beschrijving past nog tegenwoordig bijna volkomen, zoowel wat de natuur als wat de menschen betreft.