Part 27
De Zweden geven den naam van Whipperiwill en de Engelschen dien van Whippoorwill aan een soort van Nagtvogel, dien men in Noord Amerika byna den gehelen nagt over hoort schreuwen. Catesby en Edwards [218] beiden hebben hem beschreven en afgebeeld. Linnæus houdt hem voor een soort van den Caprimulgus Europæus, [219] dewyl de gedaante, de kleur, en de eigenschappen deze beide vogels bezwaarlyk doen onderscheiden. Dog het geluid van den Amerikaanschen vogel doet hem van den Europischen en van alle andere vogels onderkennen. Men vindt hem hier des winters niet, dog hy komt met de lente weder. Ik hoorde hem voor ’t eerst den 22. April, en vele menschen zeiden dat dit de eerste zomer was dat zy hem hoorden. Zyn Engelsche en Zweedsche naam worden van zyn geluid ontleend; maar om juist te spreken, hy roept niet eigenlyk Whipperiwill of Whip-poor-will, dog veeleer Whipperiwhip, wordende de eerste en laatste lettergrepen duidelyk uitgesproken en de twee middelsten kort. De Engelschen veranderen dit geluid in Whip-poor-will om het enige betekenis te geven, als wilde het zeggen den armen wilden man te kastyden. Men hoort nog ziet dezen vogel noit by dag, dog na het ondergaan der zon begint hy te roepen, en houdt daarmede den nagt over aan. Na enigen tyd op ene plaats geroepen te hebben, vliegt hy naar ene andere en begint daar op nieuws. Hy komt gemeenlyk verscheiden’ malen op enen nagt, en laat zig digt by de huizen horen. Ik heb dikwyls des avonds laat gezien dat hy op de huizen kwam zitten om te roepen. Hy was niet zeer schuw, want als men stil bleef liet hy zig ten eersten horen. Hy zoekt de huizen ter oorzake der Insekten, waarvan hy leeft, die des avonds digt by de huizen talryk zyn. Als hy stil zat te schreuwen, en een Insekt zag voorby vliegen, vloog hy het schielyk na, ving het, en zettede zig weder neer. Somtyds hoort men ’er vier, vyf, of meer van, digt by malkanderen, als ware het om stryd, roepen, en een groot geweld in de bosschen maken. In de steden hoort men ze zelden, zynde zy daar of uitgeroeid of verjaagd door het gedurige schieten. Zy houden niet van op de bomen te zitten, maar zyn het meest op den grond, of in laag kreupelhout, of op de onderste palen van de tuinen. Zy vliegen altyd digt by de aarde. Des avonds houden zy met roepen aan tot dat het geheel donker is, zyn dan stil tot dat de dageraad begint te naderen, en schreuwen dan tot dat de zon opkomt. Schoon ik met voordagt ’er naar luisterde, heb ik ze noit in ’t midden van den nagt gehoord, en velen anderen is het zelve gebeurd. Men zegt dat zy gene nesten maken, maar twee eyeren in het open zand leggen. Myn Bediende schoot eens op enen, en, schoon hy hem miste, viel hy egter van schrik neder, lag enigen tyd als dood, dog kwam naderhand by. Hy tragtte noit te byten als men hem in de hand had, dog zogt zig los te spartelen. Boven en vlak onder de ogen had hy, gelyk andere Nagtvogels, verscheiden’ zwarte, lange en harde hairen. De Europers aten dezen vogel. Catesby verhaalt dat volgens het zeggen der Wilden men dezen vogel noit vernomen heeft voor het leveren van enen zekeren slag, waarin de Engelschen een groot getal Wilden deden sneuvelen; en derhalven denken zy dat deze vogels, die zo rusteloos zyn en zulk een droevig geluid maken, de zielen zyn hunner gesneuvelde Voorouders.
[Bloeyende bomen.]
Den 24. April begonnen de Karssebomen hunnen bloeisem te vertonen. Zy hadden reeds tamelyk grote bladeren. De Appelbomen begonnen ook te bloeyen, dog de Karssebomen waren hun voor. Dog zy kregen ook ene groenagtige kleur van hun uitspruitend blad.
De Moerbeziebomen stonden nog geheel naakt; zo dat ik met verdriet opmerkte dat deze boom een van de laatsten is die groen wordt, en een van de eersten die zyne vrugten tot rypheid brengt.
Den 26. reisde ik des morgens naar Penn’s Neck. De Tulpebomen, vooral de volwassenen, zagen ’er geheel groen uit, zynde reeds in ’t blad; dus is deze boom een van de vroegsten die zyn blad krygt.
Ik zag heden voor het eerst den Sassafrasboom bloeyen. De bladeren waren nog niet uit. De bloemen ruiken aangenaam.
[De Lupinus.]
De Lupinus perennis is menigvuldig in de bosschen, en wast in goede en kwade gronden. Dikwyls zag ik hem op schrale gronden en heiden tieren, waar niets anders voortkomen kon. Zyne bloemen, die gemeenlyk in Mai voor den dag komen, staan zeer frai door haren purperagtigen weerschyn. Men zeide my dat het vee deze bloemen gaarne eet; dog het speet me dikwyls te ondervinden dat het ’er zo fel niet op was als men zeide, vooral als ’er iets anders te eten viel, en dan raakte het deze plant zelden aan, hoe malsch en groen zy ’er ook uitzag. De paarden aten de bloemen, maar niet de stelen en bladen. Als het vee deze plant in de lente eten zal, moet de noodzakelykheid en de honger ze smakelyk maken. Men vindt hier gene zo schoon met gras bewassen weilanden als in Zweden, in de bosschen moet het vee zyn voedsel zoeken. De grond is daar gemeenlyk gelyk, ten minsten zyn ’er weinig heuveltjes. De bomen staan wyd uit malkander, dog de grond tusschen hun is niet met groene zoden bedekt, want daar zyn maar weinig soorten van gras, en dat staat zeer yl. De grond is zeer los, ten dele door de menigte van verrotte bladeren die denzelven een groot deel van het jaar bedekken. Dus vindt het vee weinig gras in de wouden, en moet zig behelpen met al wat het krygen kan, het zy goed of kwaad. Ik zag dit voorjaar het vee de jonge scheuten van ’t geboomte afbyten en opeten, want ’er waren nog gene planten opgekomen, en die staan ook zeer schaarsch hier en daar verspreid, gelyk ik reeds heb aangemerkt. Dus kan men ligt begrypen dat de honger het vee dwingen kan om planten te eten die het niet zoude aanraken als het beter voedsel kon vinden. Egter denk ik dat het der moeite waard zyn zoude deze plant ter verbetering van magere gronden te gebruiken, en dat het niet onmogelyk zoude zyn middelen te vinden om ze het vee smakelyk te maken.
[Eiken.]
De Eiken hebben hier dezelve eigenschappen als de Europischen. Zy behouden hunne dode bladen byna den gantschen winter over, en krygen eerst laat anderen. Zy begonnen eerst ’er enige weinigen te vertonen.
[De Hommelvogel.]
De Hommelvogel, by de Zweden Koningsvogel, [220] genoemd, kwam dien dag het eerst te voorschyn.
[Een Kever.]
De Kever, by Linnæus Meloë Proscarabæus, zat op de bladeren van den witten Nieswortel, [221] en at ze. Ik zag ze in weinig minuten een gantsch blad opeten. Sommigen hadden zig zo dik gevreten dat ze kwalyk kruipen konden. Dus was deze plant, die voor andere, dieren volstrekt dodelyk is, voor hun een lekker voedsel.
[Ligtgevende vliegen.]
De Ligtgevende Vliegen verschenen dezen avond voor het eerst van ’t jaar, en vlogen tusschen ’t geboomte. Het was als of ’er vuurvonken door de lugt vlogen. Elders zal ik ze breder beschryven.
Des avonds keerde ik weder naar Rakoon.
[Late koude nagten.]
De Nagt tusschen den laatsten April en den 1. Mai was zo koud, dat by ’t opkomen der zon de grond zo wit was van den ryp als of het gesneuwd had. De Zweedsche Thermometer stond 1½ gr. onder ’t vriespunt. Wy zagen geen ys in de wateren en rivieren die enige diepte hadden, dog op zulken in de welken maar omtrent drie duimen waters was vond men ys van omtrent de dikte van een derde ener lyn. Den avond te voren was de wind zuidelyk, dog ’s nagts was het stil. De Appel- en Karssebomen waren in vollen bloei. De Persikebomen hadden al byna uitgebloeid. De meeste bomen in de bosschen hadden reeds nieuwe en tedere bladen, en het grootste getal stond te bloeyen, als de meeste Eiken, de Kornoeljebomen, de Hikories, Pruimbomen, Sassafrassen en Beuken.
[Planten beschadigd.]
De planten die van de vorst geleden hadden waren, I. de Hikories, van de welken aan de jonge bomen de bladeren bevroren waren, zo dat zy na den middag geheel zwart waren. Het meeste blad was byna overal digt by poelen en in de bosschen door de koude bedorven. II. De Zwarte Eiken, waarvan ’er velen waren wier blad beschadigd was. III. De jonge Witte Eiken hadden ook veel aan hun blad geleden. IV. De bloeisems der Karssebomen waren op vele plaatsen ook beschadigd. V. De bloemen van de Engelsche Walnootbomen hadden zeer veel geleden. VI. Sommige bomen van de Rhus glabra hadden al loof, het welk geheel bevroren was. VII. Van de Rhus radicans hadden de jonge tedere bomen veel van de vorst geleden, en hunne bladen waren gedeeltelyk dood gevroren. VIII. Van de Thalictra of wilde Ruite waren en bloemen en bladen beschadigd. IX. Van het Podophyllum peltatum was ’er van de vyf honderd pas een dat geleden had. X. Een groot deel Varen, onlangs opgekomen, was vernield. Vele andere gewassen waren ’er nog beschadigd, dog ik konde ze wegens hunne kleinte niet onderkennen.
[Bartsia coccinea.]
De Bartsia coccinea wies overvloedig in verscheiden lage weiden. De knoppen waren reeds schoon karmynrood, en gaven aan de weiden een sieraad. Men heeft nog geen ander gebruik van deze plant gemaakt, dan dat zy het oog verlustigt.
[Walnootboom.]
Een van de Zweden had hier enen Engelschen Walnootboom [222] in zynen tuin geplant, die nu twee vadem hoog was. Hy stond in vollen bloei, en had reeds grote bladen; maar de zwarte Walnootbomen, die hier van zelven wassen, hadden nog bladeren nog bloemen. Dog de vorst van den laatsten nagt had alle de bladeren van den Europischen boom vernield. Dr. Franklin zeide my naderhand, dat ’er sommige Engelsche Walnootbomen te Philadelphia geplant geweest waren die wel slaagden, dog de vorst doodde ze allen.
[Bomen die nog geen blad hadden.]
Ik gaf nauwkeurig agt op de bomen die nog geen blad hadden, en dezen waren:
De zwarte Walnootboom, de Esch, de Acer Negundo, hier de witte Esch genoemd, de Nyssa aquatica, de Persimon, de vitis Labrusca of wilde Wyngaard, en de Rhus glabra of de Sumach.
[Uitlopende bomen.]
De bladen der volgende bomen waren nu aan ’t uitkomen; de Rode Moerbezie en Kastanjeboom, de Waterbeuk, en de Sassafrasboom. Van de Hikories hadden sommigen reeds grote bladeren, dog anderen hadden ’er nog genen. By de verscheidenheden die men onder dit soort van bomen heeft, denk ik, zal ook het zelve verschil plaats hebben.
De Virginische Karsseboom wast hier en daar in de bosschen. Zyne bladen waren reeds tamelyk groot, dog zyne bloemen waren nog niet volkomen open.
De Sassafrasboom stond overal in bloei, dog zyne bladeren waren nog niet geheel en al ontwikkeld.
[De Storaxboom.]
De Liquidambar Styraciflua of de Storaxboom wast in de bosschen, vooral in enen natten grond, in en by waterstroompjes. De Engelschen noemen hem Sweet Gum-tree. De bladen begonnen in het bovenste des booms uittespruiten. Deze boom wordt zeer zwaar, en hy wykt in hoogte den grootsten sparren en eiken niet. Wanneer hy begint hoog te worden sterven de onderste takken, vallen af, en laten ten laatsten den stam gantsch glad en zonder takken, houdende de boom alleen maar ene kroon boven aan. De zaden zitten in ronde hoekige huisjes, die in den herfst afvallen; en dewyl de boom zeer hoog is dryven de winden de zaden zeer ver heen.
Men kan dit hout zeer glad maken, vermits deszelfs aderen zeer fyn zyn, dog het is niet hard, zo dat men ’er met een mes letters in kan snyden, die ’er schynen in gegraveerd te zyn. De Heer Lewis Evans zeide my ondervonden te hebben, dat ’er in dit Land geen beter hout is om gegoten metalen in te bearbeiden dan dit. Ik vroeg den Heer Bartram of hy de gom van dezen boom gevonden had, die zo beroemd is in de Geneeskonst. Hy zeide my dat een zeer sterk ruikende gom altyd uit iedere snede loopt die in den boom gemaakt wordt, dog dat de hoeveelheid hier te gering was om de moeite van ’t verzamelen te vergoeden. Deze ruikende gom heeft den Engelschen naam voortgebragt. Hoe meer men zuidwaards komt des te groter hoeveelheid van gom geeft de boom, zo dat ze daar ligt te verzamelen is. De Heer Bartram was van gedagte dat deze boom eigenlyk voor de lugtstreek van Karolina geschikt is, dog door verscheiden’ toevallen verder noordwaards, tot in New York toe, het welk zyne uiterste grenspalen schynt te zyn, is gebragt geworden. In de zuidelyke gewesten brengt de warmte de gom rykelyk voort, dog zo gaat het niet in ’t noorden.
[Reis naar Salem.]
Den 2. Mai reisde ik naar Salem met inzigt om het Land te zien.
[Geboomte.]
De Sassafrasboom stond hier en daar in de bosschen en om de rasteringen. Men kon hem nu van verre door zynen bloeisem ontdekken, die nu open zynde hem geheel geel maakte. Het blad was nog niet uit.
[Weiden.]
Op sommige weilanden was het gras reeds tamelyk hoog; dog men moet aanmerken dat deze weiden moerassig zyn, en dat ’er geen vee dit jaar was op geweest. Deze weilanden worden tweemaal in ’t jaar gemaid, te weten in Mai en het einde van Augustus. Ik zag dezen dag enigen van deze weiden, waarop het gras reeds bekwaam was om gemaid te worden, en vele weilanden in Zweden hebben in den hoityd zo goed gras niet. Deze weiden lagen in vallyen en by poelen, waar de Zon grote kragt oeffent. Het gras bestond voornamelyk uit dat soort ’t welk Carex genoemd wordt.
[Pruimbomen.]
De wilde Pruimbomen waren nu overal in bloei. Zy wassen hier en daar in de bosschen, dog gemeenlyk digt by moerassen op natte gronden. Men kent ze van verre aan hunnen witten bloeisem. De vrugt is schoon op ’t oog, en wordt ryp zynde gegeten.
[De Kornoeljeboom.]
De Cornus Florida of Kornoeljeboom wast in de bosschen, op de heuvels, op de vlaktens, in de dalen, in poelen en by beekjes. Dus kan ik niet zeggen welke zyn regte grond is; egter schynt hy op enen lagen dog niet vogtigen grond het best te slagen. Hy was nu versierd met zyne grote witte bekleedsels waarin de bloemen zitten, die den boom van verre doen in ’t oog lopen. Het is om dezen tyd een vermaak door de bosschen te reizen, zo schoon worden zy gemaakt door den bloeisem van dezen boom. De bloemen die in de bekleedsels zyn opgesloten begonnen dezen dag open te gaan. De boom komt tot gene grote hoogte of zwaarte, dog krygt omtrent die van onzen Sorbeboom. Daar zyn drie soorten van dezen boom in de bosschen, een met grote witte bloembekleedsels, een twede met kleine witten, en een derde met roodagtige.
[Gevogelte.]
De bosschen waren thans vol van vogelen. Ik zag, vooral de kleinder soorten, overal op den grond huppelen, of onder ’t kreupelhout kruipen, zonder zeer schuw te zyn, dus het den slangen zeer ligt valt ze te doden. Ik geloof dat de Ratelslang weinig meer te doen heeft dan stil te leggen, en, zonder dat zy lang behoeft te wagten, zal wel de een of de ander kleine vogel haar op ’t lyf lopen en gelegenheid geven van hem zonder betovering te vangen.
[Salem.]
Salem is ene kleine handel dryvende plaats, een stuk wegs van de Dellaware afgelegen. De huizen staan ver van malkander, en zyn ten dele van steen en ten dele van hout. Een beekje loopt langs de Stad en valt in de Dellaware. De Ingezetenen leven van den handel zo goed als zy konnen. In de nabuurschap van Salem zyn sommige lage en moerassige weiden, en om die reden wordt het voor ene ongezonde plaats gehouden. De ondervinding heeft doen zien, dat zulken die zig hier van andere plaatsen kwamen nederzetten zeer bleek en ziekelyk wierden, schoon zy in ene volmaakte gezondheid waren en ’er wel uitzagen op hunne aankomst. Deze ziekelyke toestand blyft hun gemeenlyk altyd by. De schuld hiervan geeft men aan de stinkende uitwaassemingen der moerassen, die men zelfs van verre door den reuk gewaar wordt. De afgaande koortsen heerschen hier zeer sterk tegens den herfst. Twee jonge lieden, die met my naar Amerika waren overgekomen, gingen gezond en wel naar Salem, dog binnen weinig weken vielen zy ziek, en eer de winter half om was waren zy beiden dood.
[Saffraan.]
De Saffraan wordt hier veel geplant, dog zy is zoo goed en zo sterk niet als de Engelsche en Fransche. Misschien wordt zy beter als zy enige jaren, gelyk de Tabak, gelegen heeft.
[Katoen plant.]
Het Gossipium herbaceum, of de Katoen die op ene plant gevonden wordt, is een gewas van maar een jaar, en velen van de Ingezetenen van Salem begonnen het te zaijen. Sommigen kregen de zaden uit Karolina, waar grote Katoenplanteryen zyn, dog anderen hadden ze uit de Katoen die ze gekoft hadden uitgeplukt en geplant. Men zeide dat men in ’t eerst moeite had om de zaden der hier geplante Katoen tot rypheid te krygen, want in Karolina, van waar men ze gekregen had, zyn de zomers veel langduriger en warmer. Dog naderhand hebben de zaden zig meer naar de lugtstreek gewend, en komen vroeger aan en tot rypheid.
[Rakoon.]
Des avonds keerde ik naar Rakoon te rug.
[De Crabtree.]
Crabtree is de naam van een soort van wilde Appelbomen, die in de bosschen groeyen, maar vooral op kleine heuveltjes by de rivieren. [223] In New Jersey is de boom enigsins raar, dog in Pensylvanie is hy overvloedig. Sommigen hadden enen enkelden van deze bomen digt by hunne Landhoeven geplant, om den aangenamen reuk van zyne bloeisems. Hy had den 4. Mai sedert een dag of twee begonnen te bloeyen. De bloemen zyn juist gelyk aan die van den gemenen Appelboom, uitgenomen dat die van den Crabtree wat roder kleur hebben, schoon op sommige Appelbomen de bloemen al zo rood zyn. Dog de reuk onderscheidt ze volkomen, want deze wilde bomen ruiken zeer aangenaam. De Appelen van deze bomen zyn klein en zuur; egter zeide men dat zy eetbaar waren. Zy blyven den gantschen winter over onder den boom leggen, krygen dan ene gele kleur, en bederven zelden eer dan in de lente.
[Aanmerking.]
Ik kan niet voorby hier ene aanmerking te maken. De Crabtrees begonnen eerst den 3. of 4. Mai hunne bloemen te tonen, daar integendeel de gemene Appelbomen, die uit Europa overgebragt waren, al hunnen bloeisem kwyt waren. Zo begonnen ook de wilde Karssebomen eerst den 12. Mai te bloeyen, en de tammen bloeiden reeds den 24. April. De zwarte Walnoten uit dit Land oorspronglyk hadden nog bladen nog bloemen, schoon de Europischen reeds grote bladen en bloemen droegen. Hieruit blykt dat bomen uit Europa overgebragt, schoon van den zelven aard als de wilde Amerikaanschen, veel vroeger bloeyen dan de anderen. Ik kan de reden hiervan niet zeggen, of het moest zyn dat de Europische bomen aan ’t bloeyen gaan zodra zy dien trap van warmte krygen daar zy in hun vaderland aan zyn gewend. Zy weten niet, zou men zeggen, dat hier na zulk ene warmte een of meer koude nagten staan te wagten, die hunne bloeisems vernielen kunnen, want in de koude landen komen zelden na zo hete dagen zo koude nagten die den bloeisem kunnen beschadigen. [224] Integendeel schynen de wilde bomen van dit Land geleerd te hebben zig op die vroege warmte niet te verlaten, maar te wagten naar ene sterker hitte, wanneer zy voor gene vorst meer te vrezen hebben. Hierom gebeurt het dikwyls dat de bloeisem van de Europische bomen dood vriest, daar de inlandschen niets lyden. Wy erkennen hier de wysheid van den Schepper.
[Reis naar Rapaapo.]
Vroeg in den morgen van den 5. Mai ging ik naar Rapaapo, een groot dorp bestaande uit zeer verstroid leggende landhoeven. Daar woonden volstrekt niets dan Zweden, zo dat de Ingezetenen de Zweedsche taal behouden hebben met maar enige Engelsche woorden vermengd. Myn oogmerk was gedeeltelyk den oord te bezigtigen, kruiden en andere merkwaardige dingen te zoeken, en deels om de plaatsen te vinden waar de Witte Ceder, of Cupressus thyoides groeit.
[Pinxterbloemen.]
De Maibloemen, zo als de Zweden ze noemen, waren overal menigvuldig in de bosschen, vooral op droge of ten minsten niet zeer natte plaatsen. De Zweden geven haar dien naam om dat ze in Mai in vollen luister staan. Sommige Zweden en de Hollanders heten ze Pinxterbloemen, om dat zy wezenlyk om Pinxteren bloeyen. De Engelschen noemen ze Wild Honeysuckles, en op enigen afstand hebben zy wel wat gelykenis naar de Kamperfoelie. [225] De bloemen waren nu open, en gaven een nieuw sieraad aan de bosschen, zynde weinig minder schoon dan de bloemen van de Kamperfoelie en het Hedysarum. Zy zitten rondom ’t bovenste van den steel, en zyn of van ene donker rode of van ene levendig rode kleur, dog als zy enigen tyd gestaan hebben worden zy van de zon gebleekt en allengskens wit. Ik weet niet hoe Colden ze geel kan noemen. [226] Zy wassen niet altyd even hoog. Sommigen waren zo groot als een volwassen man, en groter zelfs, anderen waren laag, en sommigen kwamen niet boven drie of vier duimen van den grond, egter waren ze allen vol van bloemen. Men heeft nog geen gebruik van deze plant weten te maken, alleen zet men de bloemen in potten tot sieraad. Zy hebben enigen geur, dien ik egter niet lieflyk vinden kan. Dog de fraiheid der kleur maakt ze ene plaats in den bloemtuin waardig.
[Rogge.]
Ik zag dien dag voor het eerst van het jaar enige airen van Rogge. In Zweden begint zy omtrent den 18. Mai O. S. hare airen te vertonen. Dog in Nieuw Zweden zeide men dat men ze reeds in April plegt te zien, zelfs al komt de lente laat. Deze lente wierd overal voor ene van de laatst komenden gehouden.
[Bullfrog.]
Manteskor is de naam dien de Zweden aan een soort van Kikkers geven. De Engelschen noemen ze Bullfrogs, [227] of Bulkikkers. Ik had dien dag voor de eerste maal gelegenheid ze te horen en te zien. Ik hoorde onverwagt onder ’t ryden een gebulk, zo dat ik niet anders meende of er was een stier in ’t kreupelhout, dewyl ik aan dezen Kikker niet dagt. Ik begon bevreesd te worden dat misschien een boosaardige stier digt by my wezen mogt, schoon ik hem niet zag. Ik bleef ook in die gedagte tot dat ik een uur of twee later met enige Zweden over dit soort van Kikkers in gesprek kwam, en toen begreep ik dat het ’er een geweest moest zyn dien ik onder weg zo had horen bulken, want men zeide my dat ’er ene menigte van hier in ’t water waren. Ik ving ’er vervolgens enigen. Hy is ontwyffelbaar de grootste van alle de Kikkers hier te lande. Men zeide dat zy tegens den herfst, wanneer het begon koud te worden, zig in de modder begraven, waar zy slapende den winter overblyven. Maar zo schielyk het begint warm te worden komen zy weder te voorschyn en beginnen hunne stemmen te laten horen. Als het ene vroege lente is verneemt men ze reeds op het einde van Maart O. S. Zy onthouden zig voornamelyk in stilstaande poelen. Daar vindt men ze in tamelyke menigte, dog niet veel in lopend water. Als ’er velen by een zyn maken zy een verschrikkelyk geraas wanneer zy allen te gelyk aan ’t schreuwen gaan. Hun geluid is volkomen dat van enen stier die een weinig heesch is. Men heeft somtyds werk van malkander te verstaan als zy regt aan ’t schreuwen zyn. Zy bulken allen te gelyk, houden dan een weinig op, en beginnen weer op nieuw. Men zoude zeggen dat zy enen Kapitein hadden, zo dat als die begint zy allen hunne kelen opzetten, en als hy ophoudt zy allen stil zyn. Als de Kapitein het teken geeft van te zwygen hoort men hem een geluid geven als dat van poep. By dag gaan zy zelden zo vreeslyk aan als het geen donker weder is, dog des nagts laten zy zig vooral horen. Des avonds, als het stil is, kan men ze wel anderhalve Eng. myl ver vernemen. Zy zitten als zy schreuwen aan de kanten van het water onder het hout, en steken de koppen boven. Dus kan men, als men zagtjes gaat, ze zeer naby komen, voor dat ze voortgaan. Zodra zy onder water zyn agten zy zig in veiligheid, al is het water nog zo klaar.