Reis door Noord Amerika

Part 26

Chapter 263,841 wordsPublic domain

Kopersmit (Kasparus) Makelaar te Amsterd.

Kroe (A. van der) Boekverkoper te Amsterd.

Kroe (A. van der) —— (voor een ander.)

Kruyff (Fr. de) Boekv. te Amsterd. 6 Exemp.

Kuipers (G.) te Dordrecht.

Lafrens (Johannes) te Amsterdam.

Lambrechtsen (Mr. Anthony Pieter) Heer van Rithem Borgemeester en L. C. van Sonsbeeck, Pensionaris der Stad Vlissingen voor de Bibliotheek der Stad Vlissing. best pap.

Lange (Mr. Bonaventura de) Raad in de Vroedschap en Regeerend Schepen der Stad Gouda.

Lansbergen (Arend) te Amsterdam.

Landtmeter (Henricus) 4 Exempl.

Leermond (P. H. van) te Gouda.

Leescollegie in Wageningen.

Leesgezelschap te Hoorn.

Leesgezelschap onder de Zinspreuk Lust tot Wetenschap, te Dordrecht.

Leesgezelschap onder de Directie van J. C. van Hemert te Middelborg.

Leesgezelschap, Concordia te Hoorn.

Leesgezelschap te Heusden.

Lever (Cornelis) te Amsterdam.

Lexraven (Gabriel) te Amsterdam.

Leyden (De Hoog Wel Geb. Heer Baron van) van Westbarendrecht, Generaal Majoor van de Cavallerie.

Leyden (Pieter Baron van) Heere van Nieuwland, Gedeputeerde in de Raad van Staat.

Liendert (... van) te Rotterdam.

Linzen (Joan Christoph) Koopm. te Amster.

Loncq (A.) Planter te Demerary.

Losel (A.) Boekverk. te Rotterd, 3 Exempl.

Louwaard (Jacobus) te Goes.

Lubeley (Hendrik) te Amsterdam.

Maagh en Zoon (Mejuffr. de Wed. J.) Boekverkopers te Alckmaar.

Maan (Reynoud) Notaris te Zierikzee best pap.

Manen (Arie van) Hovenier te Monnickendam.

Marinissen (Mr. Johannes) Rekenmeester der Provintie Zeeland en Schepen en Raad te Veere.

Marmé (I. W.) Stempelsnyder van Hunne Ed. Mog. Munt te Utrecht.

Marre (Evert de) Regent van ’t Oude zyds Huyszittenhuys te Amsterdam.

Martens (Jan Hendrik) Koopman te Amsterd.

M. D. W.

Meeling (Pieter) Notaris te Amsterdam.

Meer (Abraham van der) Koopman te Maassluis.

Meester (W. de) Borgemeester der Stad Harderwyk.

Mestre (Mr. Philippus Matthias) Borgemeester in ’sHage.

Metzedelaar (Johannes) Apotheker te Rotterdam, best pap.

Meulen (Willem van der) Regent van ’t Oude zyds Huyszittenhuys te Amsterdam.

Mey (Jan Frederik de) Raad in de Vroedschap der Stad Alckmaar.

Meyer (Pieter) Boekverkoper te Amsterd.

Meyer (Adam) Boekverkoper te Amsterd.

Meyer (Willem) Apothecar te Amsterdam.

M. K. te Goes.

Moehring (P. H. G. van) Hoogvorstel. Anhalt Zerbtische Hofraad Lyfmedicus en Physicus van het Land Jevern.

Moeleman (I. H.) Boekverkoper te Aarnh.

Morlives van der Noot (Jan) in ’s Hage.

Monde (G. van der) Apothecar te Amsterd.

Muilman Willemsz (Wigbold) Predicant in ’sHage.

Mulder (Jan) te Amsterdam.

Munnicks (Mr. Gerard) Raad Ordinaris in den Ed. Kamere van Justitie te Vianen en Kanonik ten Dom te Utrecht.

Muyden (Mr. Steven Jacob van) Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht.

Muyden (W. van) Predicant der Remonstranten te Leyden.

Myhlberg (George Charle van) Luiten. Coll.

Nagel (Hendrik) te Amsterdam.

Nes (Jan Pieter van) Rentmeester van de Heeren Edelen en Ridderschappen te Utrecht.

Nielo (F. A.) Koopman te Amsterdam.

N. M. C.

N. N. te Amsterdam.

Noemer (Pieter van) Med. Doct. en Raad te Zierikzee.

Noordbeek (P. G.) J. U. D. te Amsterdam.

Noteman (A.) Makelaar te Amsterdam.

Nyssen (Mr. Willem) Heer van Waarden mitsgaders Rentmeester van de Exploiten van den Hove van Vlaanderen en Rekenmeester der West-Indische Compagnie ter Kamer Zeeland te Middelborg.

Oblet (I. P.) te Utrecht.

Ommeren (I. F. van) Geboore Evers Vierevant te Aarnhem.

Oudemeyer (Robertus) te Utrecht.

Oudgaarden (O. van) te Leyden.

Paddenburg (G. T. van) Boekv. te Utrecht.

Paddenburg (Abraham van) Akademie Drukker te Utrecht.

Palier (J. en H.) Boekverkopers te ’sBosch, 2 Exemplaren.

Pauw (Mr. Franco) Raad en Borgemeester der Stad Delft, Hoog-Heemraad van Delfland, en van den Lande van Voorne, Leenman van Voorne voornt. Bewindhebber van de Oostindische Compagnie ter Kamer Delft &c. best pap.

Petræus (Johannes Balduwinus) te Goes.

Perponcher de Sedlnitzky (De Hoog Wel Geboorne Heer Mr. Willem Emmery Baron de) Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht.

Persyn Colonel en Capitein van een Compagnie onder het Regiment Hollandsche Guardes te voet.

Pesters (Mr. Nicolaas) te Utrecht.

Peterson (H.) Coopman te Utrecht.

Phelsum (M. van) Stads Med: Doct. te Sneek.

Pla (P. A.) Griffier van de Kamer van Justitie en Leenhove van Vianen en Ameide, mitsgaders Hoogheemraad ’sLands van Vian.

Poll (Johannes v. d.) Pz. Oud Schepen der Stad Amsterdam.

Poll (R. van der) S. S. Theol. Stud. te Utrecht.

Pont (A. du) Lieutenant onder de Artillerie.

Poolsum (Mejuffr. de Wed. J. J. van) Stads Drukkeres te Utrecht 4 Exemplaren.

Pot (I.) Coopman te Rotterdam.

Ras (Mr. Daniel) Raad in de Vroedschap der Stad Alckmaar en wegens deselve Ords. Gedeputeerde ter vergaderinge van haar Ed. Groot Moogende.

Reessen (Hendrik) te Amsterdam.

Reguleth (D. A.) Predicant te Amerongen.

Rensselaar (A. van) te Amsterdam.

Rensselaar (Cornelia Judecum van) Geb. Cramer te Amsterdam.

Remmers (Johannes) te Amsterdam.

Repelius (T.) Boekverkoper te Thiel.

Resselaar (I. A.) Veertige te Dordrecht.

Ribaut (Mr. G.) Rekenmeester der West-Indische Compagnie ter Kamer Zeeland te Middelborg.

Rietschooten (Willem van) Grutter te Utr.

Ripperse van Hoolwerf (Mr. Jacob) Schepen der Stad Hoorn.

Roelofswaart (Benjamin) te Amsterdam.

Romer (D.) Boekverkoper te Franeker.

Roos (G.) te Rotterdam.

Roosen Junior (C.) te Amsterdam.

Rotscheidt (Ludolph) te Leyden.

Rottermond (Adriaan) Vroeds. in ’sHage.

Ryckevorsel (Mr. C. van) in ’s Hage.

Sandelyn (W.) Boekverkoper te Wagen. 3 Exemp.

Schagen (I. van) te Amsterdam.

Scheltus (Mr. Izaak) Drukker van haar Hoog Mogende in ’sHage.

Schippers (Mr. P. L.) Heere van Bodegraven, Schepen der Stad Gouda.

Schoonhoven (Pieter van) Notaris en Makelaar te Utrecht.

Schoonhoven (Steven van) Confiturier te Utr.

Schoonhoven en Comp. (J. van) Boekverk. te Utrecht 34 Exempl. voor verscheiden.

Schmidt (L.) Boekv. te Schiedam 4 Exempl.

Schuttrup (Abraham Coenraad) te Amsterd.

Sepp (I. C.) Boekverkoper te Amsterdam.

Slype de Boekhorst (Ad. Hend. van)

Smith (Jacobus) Koopman te Middelborg.

Smout (Egbert van der) Boekv. te Delft, 4 Exempl.

Spiering (Hercules) te Hoorn.

Stanhoffius (I.) Boekverkop. te Amsterdam.

Stoop (A. B.) te Dordrecht.

Stubbe (Arend) te Utrecht.

Swaanenburg (Leendert) in ’s Hage.

Symonsen (Symon) te Middelborg.

Taddel (Philippus) te Amsterdam.

Tatum (Mr. I. H.) te Utrecht.

Temminck (C. T.) Advocaat in ’s Hage.

Testas (M. H.)

Tounemans (I.) J. U. Stud. te Utrecht.

Thierry (Johannes) Boekverkoper in ’sHage.

Thol en Zoon (Mejuffr. de Wed. O. van) Boekverkoopers in ’sHage.

Thornbury (...) in ’sHage.

Tulleken (Mr. Daniel) Heere van Melis- en Marie-Kerk Oud Burgemeester en Regeerend Scheepen en Raad te Middelborg.

Turner (Jan) Koopman te Amsterdam.

Ummethun (Hendrik) te Amsterdam.

Valkenier de Jonge (Mr. Gillis) te Amsterd.

Vechelen (Pieter van) Secretaris en Stokhouder Vryheid Etten Leuv en Sprundel.

Veer (G. van der) Boekverkoper te Utrecht.

Velden (I. H. van den) Captein ter Zee.

Vermande (Lodewyk) Boekverkoper te Hoorn 2 Exemplaren.

Verryst (Dirk) Raad in de Vroedschap en Regeerend Borgemeester der Stad Gouda.

Vin (A. de) Boekverkoper te Middelborg.

Visch (Justus) Boekverkoper te Utrecht.

Vingerhoedt (Mr. I. H.) Vroedschap der Stad Rotterdam.

Vlacq (Pieter) te Gouda.

Vollenhooven (Jan van) te Amsterdam.

Vos (Mr. Cornelis Anthony) Oud Raad in de Vroedschap der Stad Utrecht, Secretaris van de Finantie en Rekenkamer ’sLands van Utrecht, en mede Secretaris van de Edele Mogende Heeren Staaten van Hoog gemelde Provintie.

Voyer (Theodorus) Med. Doctor en Borgemeester der Stad Buuren.

Vries Abrahamsz. (G. de) te Amsterdam.

Vry en Zoon (Mejuffr. de Wed. Gysbert de) Boekverkopers te Gouda.

Waal (Samuel de) Boekverk. te Utr. 3 Exe.

Waal (Justus de) Koopman te Utrecht.

Wagtels (Dirk) Directeur der Commercie Compagnie te Middelborg.

Waller (Pieter van de) te Rotterdam.

Warin Antonisz. (N.) J. U. D. te Amsterd.

Wedding (Justus) Coopman te Amsterdam.

Weege (David) Boekverkop. te Amsterdam.

Wessing Willemz (Joh.) Boekv. te Amsterd.

Wibbert (Jan) Coopman te Delft.

Wild (Bartholomæ) te Utrecht.

Willemsen (Jacobus) Hoogleeraar in de H. Godgeleerdh. en Predicant te Middelb.

Winckelman (O. R. F. W.) te Utrecht.

Wint (Pieter de) te Goes.

Wttewaal (Mr. F.) Kanonik ten Dom te Utr.

Wysman (P.) te Amsterdam.

Zeylstra (R.) Boekverkoper te Sneek.

* * * * * * * * * *

REIS DOOR NOORD AMERIKA.

[Reis naar Philadelphia.]

Den 12. April 1749. vertrok ik van Rakoon naar Philadelphia en de omgelegen’ plaatsen, om te vernemen of daar reeds meerder gewassen opgekomen waren dan te Rakoon en in New Jersey in ’t algemeen. Het vogtige weder, dat wy enige dagen gehad hadden, had de wegen in lage en kleyagtige oorden zeer slegt gemaakt.

[Afgevallen loof verbrand.]

De bladen, die den laatsten herfst afgevallen waren, bedekten den grond ter hoogte van drie of vier duimen. Dog, daar hier door het groeyen van het gras gehouden werd verhinderd te worden, had men de gewoonte van in Maart deze bladeren in brand te steken. Ik vond op deze plaatsen den grond op die wys afgebrand. Maar schoon dit in een zeker opzigt voordelig is, doet het in een ander veel kwaads, dewyl alle de jonge scheuten der bomen met het verdorde loof te gelyk verbrand worden, het welk het hout grotendeels vermindert, en op zulke plaatsen, daar men verscheiden’ jaren aan een de afgevallen bladeren verbrand had, kwam geen nieuw hout op; zo dat als eindelyk de oude bomen werden omgehouwen ’er niets dan naakte woeste velden overbleven. Ook vernielde men op die wys allerhande planten, of beroofde ze ten minsten van hare kragt om te groeyen. Een groot deel der gewassen en meest alle de soorten van gras duren hier maar een jaar, en hunne zaadtjes leggen tusschen het afgevallen blad, met het welke zy te gelyk door ’t vuur verteerd worden. Dit geeft ons ene nieuwe oorzaak aan de hand van de boven reeds gewaagde algemene klagte, dat men tegenwoordig minder kruiden en minder gras in ’t land vindt dan voorheen. Ook vernielt men dus een groot getal dode of holle bomen, welken men anders tot brandhout had kunnen bezigen, en dus de bosschen enigsins sparen. Behalven dat verbrandt op deze wys ook een goed gedeelte van de bovenkorst der aarde, om van andere nadelen niet te gewagen. Om deze redenen heeft de Regering van Pensylvanie onlangs dit verbranden van ’t loof verboden; dog dit verbod wierd in ’t algemeen afgekeurd, en ieder deed naar zyn goeddunken.

[Houtluizen.]

Men vond om dezen tyd ene verbazende menigte van Houtluizen in de bosschen. Dit is een zeer onaangenaam gedierte, want zodra men op den grond of enen omgehouwenen boom gaat zitten, kruipt ’er een heir van luizen den mensch op ’t lyf, en kommen zonder dat men ’t merkt op het blote lichaam. Ik heb in de Verhandelingen der Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1754. een breedvoerig verslag van de slegte eigenschappen en andere byzonderheden van dit gedierte gegeven.

[Versteend hout.]

Ik ontving dien dag een stuk van versteend hout, dat men te Rakoon diep in den grond gevonden had. In dit hout zag men de vezels en de binnenste ringen nog zeer duidelyk. Het scheen een stuk Hikory te zyn.

[Clams.]

Men gaf my ook enigen van die Mosselschelpen welken Clams by de Engelschen heten. Deze Clams waren niet varsch, dog van de zodanigen welken men byna door gantsch New Jersey diep in de aarde vindt. Men ontmoet ze levendig alleenlyk maar in het zoute water aan den zeekant, dog dezen waren te Rakoon agt of negen Eng. mylen van de Dellaware en byna honderd mylen van zee gevonden. Dien avond ging ik den Heer Bartram bezoeken.

[Wespennesten.]

Twee Wespennesten hingen in enen hogen Ahorn boven het water. Zy waren even gelyk de onzen, uitgenomen dat ze groter waren. Ieder nest was ene halve el in ’t kruis. In elk lagen drie waschkoeken boven malkander. De onderste was de grootste, en de bovenste de kleinste. Men zag ’er enige eyeren in. De onderste koek was in de middlellyn zeven en een halven duim, en de bovenste vier en een halven. De celletjes waarin de eyeren of de jonge wespen lagen waren zeshoekig, en de kleur van het nest was grauw. Men zeide dat de wespen deze nesten uit de pluizen maken, die aan de oude heiningen en muren zitten. Ene donkerbruine Bye met zwarte hoornen, twee zwarte kringen onder ’t lyf, en purpere vleugels vloog tusschen de bomen, en behoorde misschien tot deze nesten.

[Een ander soort.]

Een ander soort van Wespen, groter dan dezen, maken hunne nesten geheel open. Zy bestaan slegts uit enen koek, die door niets gedekt wordt, en maar bloot tusschen de takken hangt. De celletjes zyn horizontaal; en wanneer ’er eitjes of jonge wespen in zyn, zo heeft ieder celletje een soort van deksel boven zig, op dat ’er de regen niet in kome. Dog waar by onweder de oude wespen blyven weet ik niet, ten zy zy in de reten der rotsen kruipen. De bovenzyde van den koek is met een soort van smeer bedekt, zo dat de regen ’er niet door kan dringen. De celletjes zyn gemeenlyk zeshoekig, vyf, zes of zeven lynen diep, en twee lynen in de doorsnede. De Heer Bartram merkte aan dat deze nesten uit ene twederhande stof zamengesteld waren, namelyk van de pluizen, die men op oude tuinen vindt, en die door den wind ’er afwayen, want men ziet ’er de wespen dikwyls zelven op zitten en die afknagen. Maar de kanten van het deksel der celletjes bestaan uit ene zelfstandigheid uit het dierenryk, of ene lymige stof, die de wespen opgeven of in hunne monden bereiden; want als men deze zelfstandigheid in ’t vuur werpt, brandt zy niet, maar wordt alleenlyk gezengd, gelyk hair of hoorn. Dog de bodem van het nest brandt gelyk linnen of half verrot hout, en laat enen reuk van gebrand hout na. De wespen, welker nesten ik hier beschreven heb, hebben op het voorhoofd drie zwarte glinsterende stippen, [212] en op het lyf ene vyfhoekige zwarte vlak. Tegens het einde van den herfst kruipen deze wespen in de spleten der bergen, waar zy den winter ongevoelig overbrengen. In de lente, als de zon begint kragt te krygen, komen zy des daags te voorschyn, dog keren tegens den avond, wanneer het begint koud te worden, weder naar hunne holen. Ik zag ze vroeg in de lente by zonneschyn in en omtrent sommige reten in de bergen. Men verhaalde my van een ander soort van Wespen, die hunne nesten onder den grond maken.

[De Zwemmer.]

De Gyrinus natator of de zogenaamde Zwemmer, een waterkever, danste in menigte op ’t water.

[Reis naar Chester.]

Den 14. in den morgen reisde ik naar Chester. Op vele plaatsen langs den weg zyn zaagmolens, dog die ik dien dag zag hadden maar ene zaag. Ik bemerkte ook dat de bosschen in dit oord zeer ruw behandeld waren. Het is hier de gewoonte by het opregten van zaagmolens, koornmolens of yzerwerken, het water een goed deel wegs naar beneden te leiden, in geval de grond naby enen waterval niet bekwaam is voor het gebouw.

[Rakoon.]

Den 16. keerde ik weder naar Rakoon.

[Zwaluwen.]

Men heeft hier te lande vierderlei soorten van Zwaluwen, namelyk die in de schuren, die in de schoorstenen, die onder den grond zig onthouden, en eindelyk een soort dat de Engelschen Martins heten.

Die in de schuren zig onthouden, of de Huiszwaluwen, hebben enen gevorkten staart. Ik vond ze op alle de plaatsen van Noord Amerika die ik gezien heb. Zy komen met opzigt harer kleur zeer veel met de Europische Huiszwaluwen overeen, dog ’er is enig onderscheid in het geluid. Dit jaar lettede ik niet op wanneer zy te voorschyn kwamen; dog het volgende zag ik ze het eerst den 10. April N. S. en den volgenden dag ’s morgens zag ik ’er een grote menigte van op palen en planken zitten, die zo nat waren als of zy zo uit de zee gekomen waren. [213] Zy maken hare nesten in de huizen en onder de daken aan de buitenzyden. Ook vond ik deze nesten op bergen en klippen, welker bovenste wat buiten het onderste uitstak. Buiten dat nestelden zy onder de hoeken van loodregte klippen. En dit leert ons waar de Zwaluwen voor dat de Europers huizen hier te lande gebouwd hadden genesteld hebben; want dit konden zy onmogelyk in of tegen de hutten der Wilden doen. Ene zeer geloofwaardige vrouw, zo wel als hare kinderen, verhaalden my het volgende geval, verzekerende ooggetuigen daarvan geweest te zyn. Een paar Zwaluwen maakten haar nest in den stal dezer vrouw; het wyfje lag eitjes en ging aan ’t broeden. Enige dagen daarna zag men het wyfje steeds op de eyeren zitten, maar het mannetje rondom het nest vliegen, somtyds op enen spyker zig zettende, en een droevig geluid makende, waaruit zyn ongerustheid bleek, en by een nader onderzoek vond men het wyfje dood op het nest en smeet het weg. Toen ging het mannetje op de eyeren zitten, maar, twee uren daarop hebbende gezeten, en dit werk voor hem te lastig vindende, vloog hy weg, en kwam des nademiddags met een ander wyfje terug, dat op de eitjes ging zitten, en naderhand de jonge Zwaluwen opbragt, tot dat zy in staat waren voor zig zelven te zorgen. Men was het hier niet eens aangaande het verblyf der Zwaluwen in den winter. De meeste Zweden dagten dat zy op den bodem der zee lagen, anderen, en dit was ook het gevoelen der Engelschen en der Franschen in Kanada, meenden dat zy in den herfst zuidwaards verhuisden en in de lente terug kwamen. Ook ben ik voor zeker te Albany onderrigt geworden, dat men ze dikwyls in diepe holen en reten in rotsen gedurende den winter slapende gevonden heeft.

De Schoorsteenzwaluwen worden dus geheten om dat zy hare nesten in de schoorstenen maken, waarin des zomers niet gestookt wordt; somtyds zelfs storen zy zig niet aan den rook als de vuren niet te sterk zyn, en blyven in den schoorsteen. Ik zag ze dit jaar niet dan laat in Mai, maar het volgende jaar 1750. kwamen zy den 3. Mai te voorschyn, want zy komen altyd later dan de andere Zwaluwen. ’T is zonderling dat elke veder in hare staarten met ene styve, scherpe spits, byna als de punt van enen priem eindigt. Met deze staarten hegten zy zig aan de muren der schoorstenen vast, houden zig met de poten, en drukken den staart tegens de stenen aan, die haar dan tot een stut dient. Zy maken den gantschen dag een schrikkelyk geweld in de schoorstenen met op en neder te vliegen, zo dat men somtyds zeggen zoude dat het donderde. Maar dewyl deze Zwaluwen alleen in de schoorstenen nestelen, zo is de vraag waar zy zig voor de aankomst der Europers hebben opgehouden, aangezien het bekend is dat de Wilden gene schoorstenen hebben, en hun vuur op den grond in hunne hutten leggen. Waarschynlyk is het dat zy toen hunne nesten in holle bomen maakten. De Heer Bartram en vele anderen waren hier van dit gevoelen. Catesby heeft deze Zwaluw beschreven en afgebeeld, en de Ridder Linnæus noem: ze Hirundo Pelasgia.

De Aardzwaluwen vindt men overal in Amerika. Zy maken hare nesten in den grond op de steile oevers van zeen en rivieren. [214]

Martins is de naam dien de Engelschen een soort van Zwaluwen geven, welken Catesby ook afgebeeld heeft onder den naam van Hirundo purpurea. Zy zyn hier zo gemeen niet als de andere soorten. Ik heb op vele plaatsen gezien dat men buiten voor de muren kleine houten hokjes voor haar gemaakt had om in te nestelen, want men heeft ze gaarn by de huizen, vermits zy zodra genen havik of krai gewaar worden, of zy zetten ze na, en waarschuwen de hoenders met haar geschreuw van de nabyheid van derzelver vyanden. Ook verbergen zig de kiekens zodra zy deze Zwaluwen horen schreuwen.

[Dirca palustris.]

De Zweden en Engelschen noemen de Dirca palustris Muizenhout. [215] Deze plant stond den 17. April in vollen bloei. Te Albany noemt men ze Lederhout, omdat de bast zo buigzaam is als leder. De Franschen in Kanada heten ze Loodhout. [216] De Wilden die voormaals onder de Zweden woonden, gebruiken de schors dezer plant om manden, banden, en andere dingen van te maken. En inderdaad zy is daar zeer goed toe, ter oorzake van hare sterkte en buigzaamheid, waarin zy den Lindenbast niets toegeeft. De Engelschen, Hollanders, en Franschen in Noord Amerika gebruiken dezen bast in alle die gevallen waarin wy ons in Europa van den Lindenbast bedienen. Het hout zelf is zeer tai, zo dat zonder behulp van een mes men niet ligt enen tak kan afbreken. Sommigen gebruiken de takken tot roeden om de kinderen te tugtigen.

[Aardbezien.]

Den 20. April vond ik voor het eerst van ’t jaar de Aardbezien in bloei. De vrugt is gemeenlyk groter dog minder aangenaam dan in Zweden.

[Oogsten.]

De jaarlyksche oogst wordt hier te lande altyd toereikende gehouden om den ingezetenen van brood te voorzien, schoon de een voordeliger uitvalt dan de ander. Een eerwaardige zeventigjarige Zweed, Aoke Helm genaamd, zeide dat gedurende zynen gehelen levenstyd hier geen eigenlyk gezegd miswas voorgevallen was, dog dat men altyd genoeg koorns gehad had. Ook eet men hier altyd zuiver brood van rog, weit, koorns of mais, en noit van minder koorn, veel minder dat met zemelen of andersins vermengd is. Vele oude Zweden en Engelschen bevestigden dit zeggen, en zeiden dat het hun niet heugde dat oit de oogst zo slegt was uitgevallen dat ’er het gemeen gebrek door geleden had, veel minder dat ’er oit een hongersnood geweest was. Somtyds steeg wel de prys der granen het ene jaar hoger dan het andere, het geen door al te grote droogte, of slegt weder veroorzaakt werd, dog ’er was egter altyd koorns genoeg voor de noodwendigheden van het volk. Ook is het niet waarschynelyk dat ’er hier te lande oit een grote hongersnood kome ten zy het Gode behagen mogt dit Land op ene byzondere wys te bezoeken. Want door ene meer dan zestigjarige ondervinding heeft men de gesteldheid van het weder grondig leren kennen. Men heeft hier gene koude nagten die het jonge graan beschadigen konnen. De regens houden zelden lang aan, en zo is het ook met de droogte. Maar vooral doen hier zeer veel de menigerlei soorten van koorn toe, die men hier teelt, en op onderscheiden’ tyden zait, zo dat als het een kwalyk uitvalt het ander gemeenlyk wel slaagt. De zomer is zo lang dat men van sommige soorten van graan drie oogsten heeft. Nauwlyks is ’er ene maand van Mai tot November ingesloten toe waarin men niet het ene of andere graan of sommige vrugten inzamelt. Het zou zekerlyk een grote ramp wezen indien de oogst hier niet wel opnam, want men legt hier, gelyk op vele andere plaatsen, genen voorraad op, en houdt zig te vrede met voor het tegenwoordige genoeg te hebben.

[Persikebomen.]

De Persikebomen stonden nu overal in bloei; de bladen waren nog niet uit, en dus stonden de bloemen des te schoonder, doende hare bleek rode kleur ene voortreffelyke uitwerking, en zy zaten zo digt op een dat de takken ’er geheel van bedekt schenen. De andere vrugtbomen waren nog niet aan ’t bloeyen, alleen begonnen de Appelbloeisems zig te vertonen.

[Currants.]

Currants is de naam dien de Engelschen [217] en Zweden aan enen struik geven die op natte gronden, digt by poelen wast, en nu bloeide. De bloemen zyn wit, ruiken wel, en zitten aan langwerpige trossen. De vrugt is goed om te eten als zy ryp is. De Stylus is draadagtig en korter dan de Stamina. In ’t midden is hy in vyf delen of Stigmata verdeeld. Gronovius noemt deze plant Mespilus, en Linnæus Cratægus.

[De Caprimulgus.]