Puck

Part 11

Chapter 11807 wordsPublic domain

Puck’s oogen stonden vol tranen, maar ze glimlachte Mevrouw Canneheuvel toet en kuste de hand, die ze tusschen de hare hield.

Mama’s oogen schoten ook vol, terwijl ze dacht: „Wat een kleine, dwaze Puckie is ze toch, met haar naar liefde dorstend hartje!”

„Op school is een meisje,” vervolgde Puck ijverig, „en die heet Rutgers van Effen.

„’k Hoorde eens, dat ze een tweeden vader had, en toen vroeg ik haar, hoe ze Rutgers kon heeten, want dit was de „van” van haar tweeden pa. Weet U, wat ze zei? „Ik vond ’t zoo naar, om een anderen „van” te hebben als maatje, en ik houd ook erg veel van mijn vroolijken tweeden papa. Toen is ’t in orde gebracht, dat ik ook Rutgers mag heeten, en Van Effen er bij natuurlijk, want zoo heette mijn eigen vader.”

„Daar heb ik nou den laatsten tijd aldoor over moeten denken, en hoe zalig ’t zou wezen, als ik echt kind in huis was bij u, net als Nel en Frits en bijna als Lientien, en dan ook een Canneheuveltje mocht wezen.

„O tante! lieve tante, laat mij heelemaal uw Puck mogen zijn, en dan: Jootje Canneheuvel van Vorden heeten...”

„’t Is een groot ding, wat je daar vraagt, Puck,” sprak mevrouw Canneheuvel ernstig, „en je begrijpt, dat ik er eerst met oom over spreken moet. ’k Geloof wel, dat dit op ’t oogenblik je grootste, innigste wensch is, maar...”

„Och tante, was dat nare „maar” toch nooit uitgevonden! Zeg u toch niet neen,” smeekte Puckie. „’k Weet stellig, dat het mij helpen zal, dat ik er zoo’n steun aan zal hebben, om mijn best te doen, en vol te houden, ook als ’t vreeselijk moeilijk is.... Als ’t niet mag, was ik even lief dood gegaan....”

„Foei Puckie, mag je zoo spreken?” berispte tante.

„Nee, nee, zóó meen ik het ook niet. Ik bedoel.... tante, luister eens. Wanneer ik heel alleen met u ben, en als u erg tevree over mij is, mag ik dan „Mampie” tegen u zeggen? Zoo heel stilletjes, als niemand het hoort?”

En mevrouw Canneheuvel fluisterde terug: „Dat mag dan hoor!.... We zullen dus nog maar eens van voren af aan met je beginnen, oom en ik, maar dan niet alsof je een nichtje, maar alsof je ons dochtertje waart.”

„O Mampie!” Puck snikte ’t uit van vreugde, „nou ben ik ’t gelukkigste kind uit het heele land.”

Dien avond kwam Lientien weer bij Puck op de kamer slapen; gedurende Pucks ziekte had ze bij Nel gelogeerd. Ter eere van de feestelijke gelegenheid mochten Francine en kleine Koo ook van de partij zijn: Francine bij tante Puck in bed en kleine Koo bij moeder.

„Hoe gezellig, dat we weer samen zijn, hè Puckie,” zei Lientien hartelijk.

„Ja heerlijk! Kom je even bij mij in bed, Lienepien? Ik moet je wat zeggen, maar je mag ’t niemand oververtellen.”

„Duw Francine dan maar naar ’t voeteneinde, anders heb ik geen plaats,” beweerde Lientien. Toen ze naast Puck lag, moesten ze elkaar eerst even pakken, en daarop vertelde Puck, wat ze met tante had afgesproken, en wat tante haar beloofd had. Lientien luisterde met groote belangstelling, en toen Puck besloot met de woorden: „Hoe zal je ’t vinden, Lientien, als ik ook een zuster van je word?” zei Lientien niets dan „zalig!” en ze meende ’t met heel haar hart.

Den Maandag daarop ging Puck weer voor ’t eerst naar school, en al gauw, in de daarop volgende dagen, dacht de juffrouw: „Wat is die Jootje van Vorden veel kalmer en gehoorzamer geworden! Zou ze door haar ziekte zoo veranderd zijn? Dat zou dan met recht een geluk bij een ongeluk wezen.”

Doch de juffrouw kon niet weten, welken talisman Puck in haar lessenaar had, en hoe gelukkig zij zich voelde, als ze daaraan dacht. Op de binnenzijde van haar boekenkaften had zij met groote letters geschreven: „Dit boek behoort aan Johanna Canneheuvel van Vorden.”

’t Was nu nog een geheim, dat zij dien naam zich zelf had gegeven. Maar ze hoopte en vertrouwde, dat ze hem eens voor alle menschen dragen zou.

Want oom en tante hadden haar beloofd, dat zij een „Canneheuveltje” mocht zijn, als zij zich een jaar lang goed gedragen had.

En Puck wilde den prijs winnen, dat had zij zich voorgenomen met hart en ziel.

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

I. EEN SLECHT BEGREPEN KIND 5 II. POFFERTJES 12 III. 1 APRIL 24 IV. „MAMA!” 35 V. HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS 47 VI. „GEERTJE” 53 VII. VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN 63 VIII. NEL ALS HUISMOEDER 81 IX. OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS’ „BOSCHJESVRIENDEN” 95 X. „SCHATTEBOUTJES” 106 XI. JAN WEER THUIS 119 XII. PUCK SPIJBELT 128 XIII. HET FEEST 134 XIV. „DE SCHOENTJES” 147 XV. BIJ TANTE JOHANNA 161 XVI. NAAR HUIS TERUG 173 XVII. „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN” 183