Puck

Part 10

Chapter 104,208 wordsPublic domain

„Gunst tante, waarom zegt u toch „Johanna” tegen mij?” onderzocht Puck verwonderd. „Zoo noemt niemand mij ooit.”

„Waarom heb je zoo’n mallen bijnaam?” vroeg tante op haar beurt. „Je heet naar mijn lieve moeder, dus naar je grootmoeder, net als ik, Johanna, Magdalena. En Johanna is wat een mooie naam!”

„Ja maar, ik ben nou eenmaal aan „Puck” gewend. Paatje noemde mij nooit anders, en Johanna klinkt mij zoo vreemd en stijf, dat ik niks graag zoo genoemd word.”

„Zoo? Nou weet ik ’t wel,” zei tante strak. Ze stak Puck haar wang toe, en na een vluchtigen kus ging Puck met een: „nacht tante, slaap wel” naar boven.

In bed begon Puck te schreien. Ze wist niet, wat haar scheelde, maar nu brak ’t los, wat haar den heelen dag gekweld had: zoo’n heftig verlangen naar huis, dat ze ’t wel had kunnen uit gillen. ’t Leek haar, of ze al weken weg was in plaats van één dag.

Op eens moest ze denken aan een vreeselijk verhaal, dat Frits Lientien en haar, lang geleden, had voorgelezen. ’t Was de geschiedenis van een matroos, die oproer had willen maken aan boord van zijn schip. Zijn straf daarvoor was even wreed als verschrikkelijk. Men liet hem achter op een onbewoond eiland met niets dan een vaatje water en wat brood....

O! zij wist nu, hoe ’t dien rampzaligen zeeman te moede moest zijn geweest, toen hij de sloep zag wegvaren, die de laatste schakel vormde tusschen hem en de bewoonde wereld.

Zij voelde zich ook als een verlaten, ongelukkige schipbreukeling! Hoe zou ze ’t hier uithouden!

En Puck wond zich hoe langer hoe meer op, terwijl de tranen haar langs de wangen stroomden, tot ze, moe gehuild, eindelijk insliep.

’t Was tante Johanna niet ingevallen, nog eens naar haar nichtje te gaan zien, of haar een goedennachtkus te brengen.

Tante had in ’t geheel geen aardigen indruk van Puck gekregen. Ze leek haar een onhartelijk, bijdehand, verwend kind.

Den volgenden morgen kuste een helder zonnetje Puck wakker. De heele omgeving zag er nu op eens veel vroolijker en aantrekkelijker uit.

Puck voelde zich minder neerslachtig, toen ze beneden kwam.

Na ’t ontbijt stelde tante Puck voor een eindje te gaan wandelen. ’t Was nu mooi weer, en straks kon ’t wel weer regenen.

Noemde tante dit nu heusch „wandelen?” dacht Puck wanhopig. Slechts stapje voor stapje, voetje voor voetje ging ’t vooruit, want tante Johanna had last van asthma, en Tom kon ook niet zoo goed meer mee. Hij was oud en aamborstig, maar daarom waren tante, en vooral Saartje, niet minder dol op hem.

Tante had Puck’s arm genomen, en ’t kind deed heusch haar best, om opgewekt te praten, zooals ze tante Canneheuvel beloofd had. Maar al gauw gaf ze ’t op. ’t Drukkend gevoel van gisteren kwam met kracht terug, en steeds erger werd ’t verlangen naar huis.

Tante kocht wat lekkers voor aan de koffie, straks, maar ’t kon Puck niet schelen. Ze kon niet gezellig en vroolijk wezen, en had wel willen huilen; de last op haar borst woog ál zwaarder.

’s Middags was tante Johanna gewend een paar uur te gaan rusten. Ze had dit den eersten dag van Puck’s bezoek niet gedaan, doch nu ging ze naar boven, na eerst, op Puck’s verzoek, een ander boek voor haar nichtje uit de boekenkast te hebben gezocht.

Tante Johanna had alleen verbazend ouderwetsche boeken, de meeste nog uit haar jeugd. Ze meende Puck een recht aardig verhaal in handen te hebben gegeven, „Roza van Tannenburg” getiteld. Puck begon er over te geeuwen, en vond het een „drakige” geschiedenis met al die zedelessen.

In ’t geheel niet benieuwd naar Roza’s verdere avonturen, sloot ze ’t boek, en wilde met Tom gaan spelen.

Doch deze ouwe heer waarschuwde haar met dreigend gebrom, dat ze liever niet te dicht bij zijn mand moest komen.

Dadelijk kwam Saartje uit de keuken aanzetten, om te kijken waarom lieve Tom bromde. Ze vroeg Puck, of die hem soms aan ’t plagen was, want anders ging de lieverd nooit te keer.

„Och, loop rond,” verzocht Puck niet erg vriendelijk, „ik heb dat leelijke, vette beest met geen vinger aangeraakt.”

Saartje zette haar handen in haar zij. „Welzeker! Ik zou dat onschuldige dier maar uitschelden; als ik uwe was. ’t Staat je aardig, dat moet ik zeggen. Ik zeg dan maar, dat Tommie een heel wat liever en vrindelijker beest is dan sommige, die ik niet noemen zal.”

„Bedoel je mij soms?” vroeg Puck. „Ik ben anders een mensch en geen beest.”

„Een mensch van amper drie turven hoog,” hoonde Saartje, „laat naar je kijken, madam.”

Ze nam Tommie, die nu eerst verwoed gromde, onder den arm, en trok af naar de keuken.

„Bij die Saar vergeleken, is Bet heusch een engel,” overdacht Puck.

Ze ging in ’t serretje zitten, maar al gauw zag ze zelfs de enkele voorbijgangers niet meer, door de tranen heen die haar weer langs de wangen liepen. In de verte speelde een draaiorgel het melankolieke wijsje „Verdreven van huis.”

Puck huilde nog harder. Ach, ze was immers ook verdreven van huis! Wat zou Lientien nu doen? Zouden ze haar in ’t geheel niet missen? Zou ze met oudejaarsavond ook hier moeten blijven?... Maar dat hield ze niet uit!...

Tante was wel goeiïg, maar hoe verschrikkelijk vervelend was ’t hier met die twee ouwe menschen en dat ouwe beest! En toen voelde Puck, dat ’t dàt niet alleen was. Al was ’t huis vol vroolijke kinderen geweest, ze had ’t hier toch akelig gevonden, omdat ze naar haar eigen thuis verlangde, en verging van heimwee.

Ze snakte naar tante’s lief gezicht, naar ooms vriendelijke stem, naar Lientiens aanhaligheid en Nels hartelijke zorg, zelfs naar ’t kibbelen met Frits. Kon ze maar even om ’t hoekje kijken bij tante Sjarlotje....

Bet was aardig en goeiïg naast „spokige” Saar. Hoe dolgraag had ze Geertje met haar dikke rokken door de gang zien schommelen.

De derde dag ging voorbij als de eerste, met het ongelukkige wandelingetje, ’t wanhopig pogen van Puck om tegen haar heimwee te strijden, en tante’s stille ergernis over ’t vervelende, saaie nichtje. Tante Johanna deed haar best, maar ze kon Puck niet opwekken. Bij ’t spelletje dammen, na ’t eten, speelde ’t meisje zoo lusteloos en onverschillig, dat tante Johanna verdrietig voorstelde er maar liever mee uit te scheiden....

Puck viel haar dan al verbazend tegen. Was dat nu het vroolijke, leuke kind, van wie mevrouw Canneheuvel zoo hoog had opgegeven?

’t Kwam tante Johanna geen oogenblik in de gedachten, dat haar logéetje aan heimwee leed.

Toen Puck dien avond in bed lag, kwam ze, na veel getob en gehuil, tot het besluit, dat ze hier niet langer bleef, en naar huis terug ging. Of tante haar dit nu kwalijk nam of niet, dat kon haar niet schelen.

Ze kon ’t niet langer uithouden.

XVI NAAR HUIS TERUG.

’t Was nog maar nauwelijks licht, toen Puck, na een bijna slapeloozen nacht, uit haar bed gleed. Doodstil en voorzichtig kleedde zij zich aan, haalde haar bed af, en ruimde de kamer netjes op. Tante Johanna hoefde naderhand niet te zeggen, dat ze een slordigen boel had achtergelaten. Toen schreef Puck, bij ’t licht van haar kaarsje, ’t volgend briefje.

„Lieve tante Johanna,

’k Dank U wel voor al ’t plezier, maar ik kan niet langer blijven. Ik heb zoo’n verlangen naar huis, dat ik aldoor huilen moet, en ik heb zoo’n prop in mijn keel en net een ijsklomp op mijn borst.

Dank U nog eens wel, en wees U als ’t u belieft niet boos op uw liefhebbend nichtje Puck.”

Dit briefje legde het meisje in ’t midden op tafel, zoodat het goed in ’t oog viel. Puckie was slim genoeg, als het er op aankwam, en, terwijl ze toch niet slapen kon van verdriet en zenuwachtigheid had ze alles goed overlegd.

Toen Saartje tante Johanna om half acht een kopje thee op de kamer bracht, sloop Puck naar beneden en stil de deur uit. Ze paste er op, dat de klink van het tuinhekje heel zacht toeviel, en snelde daarop voort, of de vijand haar op de hielen zat.

Geld had Puck niet, want van de bespaarde veertig cents zou en wou ze niets afnemen, zelfs niet in den grootsten nood. Ze had ’t tante op haar eerewoord beloofd! Het juffertje moest ’t dus met den wagen van „Voeteling” doen. ’t Was wel een vreeselijk eind naar de Groot-Hertoginnelaan, maar ’t kon nu eenmaal niet anders. Den weg wist ze wel drie kwart, en ze had ook gelukkig een mond om te vragen.

Eerst liep ze verbazend vlug het dorp uit, den Voorburgschen weg af, naar Rijswijk. Maar al gauw moest ze haar tred matigen. Ze kreeg pijn in haar borst bij ’t haastig adem halen (hoe kwam ze daar nu aan?), voelde zich flauw en moe door gebrek aan slaap en voedsel. Want ze had de laatste dagen bijna niet kunnen eten, en was nu ook nuchter ’t huis uitgegaan. Trek had ze overigens in ’t geheel niet; ’t lekkerste hapje had ze nu niet door de keel kunnen krijgen.

Haar roode wangetjes leken smal en bleek, en haar groote oogen nog grooter en donkerder door de kringen er om heen van al ’t huilen en niet slapen.

Toen ze een half uur had geloopen, voelde Puck zich dood op. Ze was nu op den Rijswijkschen weg waar, over de open velden aan weerszijden de koude wind meedogenloos op haar aanviel.

’t Kind zwoegde er tegenop, belemmerd in het voortgaan door haar kleeren, die de storm stijf tegen haar lichaam aandrukte. De zwarte krullen dansten om Puck’s hoofd, het elastiek van haar hoed sprong kapot, tegelijkertijd vloog deze over de sloot, en huppelde het weiland op.

’t Kon Puck niet schelen, ze bond haar zakdoek om haar krullen, en verder ging ’t weer. Maar ’t gaan viel haar hoe langer hoe zwaarder.... Als ze die stekende pijn in haar borst maar niet had gehad! Dat was nog ’t ergste....

De afstand tusschen de twee bruggetjes leek haar eindeloos. Nu begon ’t wat minder fel te waaien, doch daar ging het regenen, eerst niet erg, maar al gauw bij stralen. Gelukkig had Puck een dikken, warmen mantel aan; met te meer plezier viel de booze regen op haar onbeschermd hoofd neer. Ze had haar krullen wel kunnen uitwringen; als een wit vodje flapperde de zakdoek in haar nek.

Wind en regen deden met haar arm hoofd wat zij wilden. Haar natte rokken zweepten tegen haar beenen, zoodat kousen en laarsjes ook al gauw drijfnat werden.

Wanneer de gedachte aan thuis Puck niet telkens nieuwen moed had gegeven, was ze zeker aan den berm van den weg neergevallen, geheel onverschillig voor wat er nu verder met haar zou gebeuren. Telkens had ’t kind gedacht: „Komt er nu nooit eens een wagen langs dezen weg, die mij misschien wel een eindje mee zal willen nemen?”

De Rijswijksche weg was echter in dien tijd nog bijna niet bebouwd, en behalve de tram naar Delft, had Puck tot dusver geen enkel vervoermiddel gezien.

Eindelijk hoorde ze toch het „klik, klak” van paardenhoeven en ’t gerommel van een vrachtwagen achter zich. Ze keerde zich om, en zag een wagen van Van Gend en Loos, die haar achterop reed.

Toen de koetsier dat kleine, verwaaide, ongelukkige hoopje mensch op den eenzamen weg zag staan en wenken, hield hij dadelijk zijn paard in. En, eer Puck haar verzoek om mee te mogen rijden had kunnen doen, was ze door den goedhartigen man al opgenomen, en werd haar tusschen de manden een plaatsje ingeruimd door den maat van den voerman.

„Maar jongejuffrouw,” vroeg deze, „hoe komt uwe nou toch met zulk weer alleen op weg? Menscheziele, wat ben je koud en nat!”

„Wacht, ik zal de paardendeken om haar heenslaan,” sprak de koetsier, de daad bij het woord voegend. „Zie zoo, juffertje, nou brengen we je thuis als een pakkie met Van Gend en Loos,” schertste hij. Puck begon te lachen, maar daarop onbedaarlijk te schreien.

„Bedaar maar, juffie, je komt nou makkelijk thuis,” troostte de koetsier. „Waar moet uwes wezen?”

„Groot Hertoginnelaan, twee en veertig,” hakkelde Puck. Haar tanden klapperden tegen elkaar.

„Dat is nou juist niet naast de deur, maar uwe treft ’t, dat ik in die buurt moet wezen, al heb ik er een eindje voor om te rijden. Vooruit Bles.” Hij zwaaide zijn zweep over Bles zijn rug, die er dadelijk een vluggen stap in zette.

Puck bleef huiveren en klappertanden in haar natte kleeren. Na een poosje hield dit op, en begon ze te gloeien onder de deken. De pijn in haar borst hield echter aan. Ze hoorde maar half, wat de mannen haar vroegen, die wilden weten, waar ze vandaan kwam, en hoe ze in dit hondenweer op dien eenzamen weg verdwaald raakte.... Daarop was ze zeker aan ’t suffen en soezen gegaan, want ze kwam pas tot besef van den toestand, toen de wagen stilstond. Met een „we bennen er” van den koetsier voelde zij zich opgebeurd, en nu stond ze in de gang: thuis. ’t Kostte Puck moeite haar loodzware oogleden op te slaan. Als in een waas zag ze lieve, vertrouwde gezichten om zich heen, die erg verschrikt keken. Achter uit de lange gang, kwam een gestalte toeloopen: „Tante”.

Met een schreeuw wilde Puck op haar toevliegen, maar zij kon niet, en zakte ineen. Toen hoorde ze vragen: „Frits?”.... voelde zich opgenomen en naar boven gedragen. Iemand kleedde haar uit, kuste haar koude wangen, wreef haar ijskoude handen. Nu lag ze in haar eigen bed, dat verwarmd aanvoelde en wist niets meer.

Dien nacht kreeg Puck hard de koorts, en was twee weken lang zoo zwaar ziek, dat de dokter zich ernstig ongerust maakte. ’t Bleek al spoedig, dat ’t kind longontsteking had, terwijl haar zenuwgestel bovendien geheel van streek was. Puck genoot de meest denkbare, zorgvolle, liefderijke oppassing. Mevrouw Canneheuvel met Nel en de pleegzuster, waren voortdurend om haar heen, en dokters voorschriften werden zoo nauwkeurig opgevolgd, als deze maar verlangen kon. Eindelijk kwam de crisis, die ’t zieke kind gelukkig doorstond, en daarop, heel, heel langzaam, de beterschap. Ruim twee maanden ná haar vlucht uit Voorburg, lag een bleeke, stille Puck in de kussens, die zich o zoo wonderlijk, zwak en moede voelde.

Ze kon nu echter weer geregeld denken, en zich alles herinneren van vóór haar ziek worden. Die tijd zelf was als een verwarde droom, waaruit zij zich slechts enkele bizonderheden herinnerde: tantes hand op haar voorhoofd, oom naast haar bed, die haar langs de wangen streek, zooals paatje vroeger deed, wanneer ze ziek was. Ze kon in ’t geheel niet praten, en als ze ’t wilde probeeren, boog iemand zich over haar heen, en fluisterde: „Niet doen, kindje, later.” Dikwijls had ze angstige droomen gehad, maar dan was er altijd iemand geweest, die haar kalmeerend toesprak, en zacht neervlijde in de kussens.

Nu genoot ze van een droomloozen slaap, uren en uren achtereen, doch ze bleef maar moe, en moest nog bij alles geholpen worden. De pleegzuster was weer vertrokken en, als oom het niet deed, kwam Bet boven, om bij het verbedden te helpen.

Puck kon niet weten, dat Bet hier uit zich zelf om gevraagd had.

Eerst wist de zieke niet, dat ’t Bet was, die haar zoo zacht en voorzichtig opnam en droeg. Op een keer herkende ze haar, doch sloot onmiddellijk de moede oogen weer, om haar tranen binnen te houden. Want Bet knikte haar toch zoo hartelijk en vol meelij toe, dat Puck moeite had niet te gaan schreien.

Niet alleen Bet, ook Kee en Geertje hadden verbazend met Puck te doen. Alle ergernis over ondeugende, brutale Puck had plaats gemaakt voor innig meelij met ’t doodzieke kind, en bange zorg om haar leven, dat dagen achtereen aan een zijden draad hing. In de keuken dacht men niet anders, of Puck zou er niet meer van boven op komen. „Betjesmoe”, die telkens kwam hooren, meende dit ook, al wou ze niet gelooven, dat ze ’t „schatteboutje” nooit terug zou zien. Maar die ijlende koortsen en dan longontsteking er bij....

Geertje was verbaasd, dat je van heimwee zóó ziek kon worden.

Doch Betjesmoe zei: „daar kan een mensch wel aan sterven.”

En Bet voegde er bij: „’t Schaap was nog bovendien drijfnat, en ze had fel de koorts, zei Juffrouw Nel, toen ze naar der bed werd gebracht. Geen wonder, dat ze doodziek is geworden. Hoe dat nog af moet loopen!”.... en Bet schudde meewarig het hoofd.

’t Had een verbazende consternatie gegeven, toen Puck als een pakje natte ellende, uit den wagen van Van Gend en Loos werd binnen gebracht. Den eersten tijd, terwijl dokter steeds ernstiger keek, en geen enkel geruststellend woord durfde spreken, dan dat Puck’s jeugd en gezond gestel ’t hem doen moesten, werd alles vergeten en op zijde gezet door de familie Canneheuvel, wat met Puck’s wegloopen samenhing, in de angstige zorg om het meisje te behouden.

Tante Johanna kwam over. De arme ziel was eerst heel boos geweest na ’t lezen van Pucks briefje, doch daarop ernstig ongerust geworden. Een pak viel haar van ’t hart bij de ontvangst van het telegram uit Den Haag, dat haar Pucks behouden thuiskomst meldde.

Zoo gauw ze dacht, dat ze Puck zou mogen zien, was ze naar Den Haag gespoord en hartelijk door mevrouw Canneheuvel ontvangen, die dadelijk beneden kwam, om tante Johanna te woord te staan. Tot haar spijt kon ze deze echter nog niet bij de zieke brengen; dokter had alle bezoek streng verboden.

„’t Was mijn schuld toch niet, dat Johanna ’t niet bij mij kon schikken,” klaagde Juffrouw Van Vorden. „’k Heb er u al uitvoerig over geschreven, maar wil nu nog eens zeggen, ik heb gedaan, wat ik kon om het kind te plezieren. Het lekkerste eten bedacht, met haar uitgegaan, spelletjes gespeeld en....”

„U moet zich de zaak heusch niet aantrekken, Juffrouw Van Vorden,” troostte Mevrouw Canneheuvel. „’t Is niemands schuld. Puck verging van heimwee, en wist eigenlijk niet goed, wat ze deed, toen ze weg vluchtte; ’t kind was ontoerekenbaar, en is van àf ’t oogenblik, dat ze bij u was, niet recht in orde geweest. Ik ben overtuigd, dat het een volgenden keer veel beter zal gaan tusschen u en haar.... Waren wij maar zoo ver,.... daarnaar ziet ’t helaas nog in ’t geheel niet uit.”

Mevrouw Canneheuvel vertelde maar niet aan tante Johanna, dat Puck ’t in haar koortsdroomen steeds had gehad over een verlaten eiland, waar tante Johanna haar had heengebracht en achtergelaten, en dat ze ’t vaatje water niet had kunnen open krijgen, terwijl ze versmachtte van dorst.

Tante Johanna had zich op haar manier wel moeite gegeven om Puck’s dorst te lesschen, doch haar manier was de ware niet, en dat kon de oude dame ook al weer niet helpen.

„Zoo gauw Puck weer uit mag, kom ik dadelijk met haar bij u,” beloofde Mevrouw Canneheuvel tante Johanna bij ’t afscheidnemen, „en we zullen u intusschen goed op de hoogte houden van haar toestand. Er is nu, God zij dank, geen kwestie meer van gevaar.”

Tante Johanna ging heusch erg opgelucht naar Voorburg terug, en vertelde haar wedervaren aan Saartje en Tom.

Tommie gromde maar zoowat, en Saartje zei: „daar het ’t stomme beest gelijk in, want wij beiden motten niks van die Puck hebben, hè lieverd?”

XVII „JOHANNA CANNEHEUVEL VAN VORDEN”.

Voor ’t eerst mocht Puck opzitten. Ze was bij ’t opstaan erg duizelig geweest, en zou zeker gevallen zijn, als Nel haar niet zoo stevig gesteund had. Nu zat ze in ooms makkelijken stoel, heerlijk en kalm, met het gevoel, dat ze zoo goed als beter was. Daar kwam Lientien binnen, vloog Puck om den hals en legde een bos chrysanten op haar schoot. Toen verdween ze, even vlug als ze was binnengekomen, want dat had ze mampie beloofd.

Puck was zoo blij met Lientiens omhelzing en mooie bloemen, dat ze weer eventjes moest huilen, maar dit kwam, omdat ze nog zoo slap was.

Dit werd echter met elken dag beter. Al gauw kon het patiëntje zonder hulp van haar bed naar den stoel scharrelen. ’t Eten begon haar niet alleen te smaken, ze verlangde er naar, dat haar welgevuld bordje boven werd gebracht.

Iedereen mocht haar nu bezoeken, en een poosje blijven praten. Frits stak zijn hoofd om de deur, en knikte Puck vroolijk toe.

„Kom maar weer gauw beneden, kleine rakker; we missen je erg, hoor!”

„Heusch, Frits? Ben je er blij om, dat ik beter ben geworden?”

„Natuurlijk, schapekoppie! Wacht maar, naderhand mag je ook weer eens met mij uit.”

’s Middags kwam tante Sjarlotje, voetje voor voetje, aan Kee’s arm naar boven, want ze verlangde toch zoo om Puckie te zien, dat ze niet wilde wachten tot Puck bij haar kon komen. En tante vertelde, dat ze als jong meisje ook eens heel erg heimwee had gehad, en dus kon begrijpen, hoe ’t Puck te moede moest zijn geweest.

Waldi en Socrates mochten ook hun opwachting komen maken. Waldi moest gauw weer weg, die was te lawaaierig en te opdringerig met zijn liefkoozingen.

Maar kalme Socrates had, na ’t kleine vrouwtje een paar „kopjes” te hebben gegeven, terwijl hij haar vriendelijk toemiauwde, een plaatsje naast haar gezocht in de vensterbank, waar hij behaaglijk in ’t lekkere zonnetje ging liggen. Puck streek zijn satijnzacht vachtje glad, en Socrates spon, dat ’t een aard had.

Morgen zou Puck beneden mogen komen, had dokter bij ’t heengaan dien ochtend beloofd. Nel had het ontbijtservies weggehaald en vroolijk gezegd: „Dat is voor ’t laatst Puckie, morgen zit je weer op je oude plaatsje. Heerlijk hè?”

Puck stak de armen naar Nel uit, en gaf haar een dankbaren zoen. „Dankje duizend maal, Nel, dat je me zoo lang hebt opgepast, en zoo alles voor me gedaan hebt. Iedereen is toch zoo vreeselijk lief voor me geweest.... ’t Is toch nergens zoo goed als bij je eigen thuis.”

„We zijn allemaal blij, dat we je weer hebben opgeknapt, kleine Puck,” lachte Nel. „Als je nou maar nooit meer zoo dom bent om in noodweer uit wandelen te gaan!”

„O, nee, nooit weer,” zuchtte ’t kind.

Daar kwam mevrouw Canneheuvel binnen. Nel verdween, en tante ging naast Puck zitten, en nam haar handje tusschen haar eigen zachte moederhanden. „Zullen we nu eens praten, kindje? Ik weet, dat je daar erg naar verlangt.”

Puck boog zich naar voren en nestelde haar hoofd tegen tante’s borst, terwijl zij haar lippen op tante’s wang drukte.

„Zie je Puck,” vervolgde mevrouw Canneheuvel, „als oom en ik niet zeker wisten, dat je bepaald ziek waart, en niet goed wist wat je deed, toen je zoo op eens bij tante Johanna wegvluchtte, dan hadden we alle reden, om boos op je te zijn. Maar nu zullen we het verleden laten rusten; tante Johanna heeft ’t je ook vergeven....

„Je weet niet, hoeveel angst we om je hebben uitgestaan, en hoe innig blij iedereen in huis is, dat we onze Puckie mochten behouden.”

„O, tante, dat weet ik wèl, want iedereen is zoo goed en lief voor me.... tante ik heb zoo veel bedacht, terwijl ik ziek lag. Mag ik alles aan u vertellen?”

„Natuurlijk, kindje.”

„Ach, was ik uw kindje maar,” barstte Puck uit, en er sprak zulk een smachtend verlangen uit haar stem, dat mama er van ontroerde, en ’t meisje bedarend over het voorhoofd streek.

„U kan niet begrijpen,” sprak Puck, na eenige oogenblikken, „hoe radeloos ongelukkig ik bij tante Johanna was, omdat ik zoo vreeselijk naar u en al de anderen verlangde. ’k Kòn ’t niet meer uithouden van heimwee. Ik hoorde toch hier, en nou was ik bij een vreemde tante, en den heelen dag moest ik huilen en naar huis verlangen. Op een keer zei tante, dat u en oom en uw kinderen niets van mij waren, dat ze mij in ’t geheel niet bestonden. Dat deed me toen zoo’n pijn, alsof ik met een mes gestoken werd...

„Ach, waarom mag ik toch geen kind van u zijn? Als ik net was als Nel en Frits, als u mijn moeder was, dan zou ik toch zoo vreeselijk mijn best doen. Ik zou net zoo goed willen zijn als Lientien, en ik zou altijd bedenken: je moogt je ouders geen verdriet doen.”

„Maar Puckielief, we houden toch zoo veel van je,” suste tante. „Denk je, dat ik er zoo veel verdriet van zou hebben, als je verkeerd doet, en mij zooveel moeite zou geven, om je ’t goede te leeren, als je mij niet na aan ’t hart lag?”

„Maar ’t is toch zoo anders,” zuchtte Puck.....

Ze sloeg haar arm om tantes hals, en drukte zich nog vaster tegen haar aan. Zóó zacht sprekend, dat Mevrouw Canneheuvel zich naar haar lippen toe moest buigen, om te verstaan, wat zij zeide, hervatte Puck: „Als ik nou een heel lief, gehoorzaam kind word, mag ik dan ook uw kind zijn, tante? Ik houd zoo verschrikkelijk veel van u; van mijn eigen maatje zou ik niks meer kunnen houden.... ik zou zoo dolgraag, net als Nel en Frits, „Moeder” of „Mampie” tegen u zeggen in plaats van dat kouwe „tante,” en dan „Vader” tegen oom?”