Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 5

Chapter 53,510 wordsPublic domain

Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen _Gerda_ en haar vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter, deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer, op grof-zinnelijke wijze te prikkelen--er is daar een epische zwier en tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden, dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken _valet_, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te zien....--En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige werken te spreken, maar ook sommige [p.53] mijner lezers, naar ik mij vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt--nu voel ik toch de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot _buitensporigheden_ brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot uitspattingen drijft, _alle_ welke buitensporigheden echter de deugd bezitten van _de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te openen voor nauwelijks vermoede_ hoogere en lagere mogelijkheden, en dus hetzelfde te bewerken, _wat een ver afgedwaalde vogel doet, die uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar verwekt_....

Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen als een waarschuwing, wàt met _het kunstwerk_ gebeurt, als de lagere persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep leedwezen.--

15 April 1912

* * * * *

BRIEVEN OVER LITERATUUR

IV.[p.54]

Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: _De alomtegenwoordigheid in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te verwerven_.

Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen--terwijl ik spreek, keer tot u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure.... Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden, vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende _parafrase en verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten_ zijn.

Dus: _waarom_ dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij--en hier ziet gij oprecht vragend op--toch waarlijk _niet_ behept zijt?!... Och neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet _ook_ liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wàt het is, naderen, toen ik zei, dat wij _ook_ liefdevoller zijn dan _wij-zelf_ denken?... Het is: _omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer zielen_! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij _wilden_ het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet altijd geleerd--ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend zelfbedrog--dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een groote van _onzen_ tijd, van _ons_ land, die ons de handen smachtend naar _andere_ tijden en _andere_ landen laat strekken. En geen andere dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in _onzen_ tijd, in _ons_ geslacht, in _ons_ land, als een evenmensch met _ons_ verkeerend, een _Groote_ leven kan. _Daarom_ is het spreekwoord: Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De _zelfgeringschatting_ staat niet toe te gelooven, dat het _eigen_ land een profeet _kan_ voortbrengen! En _daarom_ zou een _alomtegenwoordige_ Groote _nergens_ worden geëerd!

Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk, dat _indien_ al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei _practisch_ belang heeft, want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig zou zijn!

Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is, tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... _Daarom_ is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den [p.56] eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt--is _altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van hen, die hem moesten eeren en liefhebben_. Want luister! Zooals de betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der innerlijke zelfhoogachting, het _kunnen-gelooven aan met hen verwante grootheid_ der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de zelfgeringschatting der middelmatigen, het _twijfelen aan de mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,_ en zóó, ten slotte, is de _haat_ tegen en _verachting_ van zulk een Groote--en ge ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van zulk een haat!--anders dan de uitgebraakte _zelfverachting_ der verdierlijkten, _het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze met hen in aanraking zijnde grootheid_, en het dáárom tegelijkertijd haten èn verachten als _gehuichelde en geüsurpeerde_ meerderheid, 't geen inderdaad _werkelijke_ en _rechtmatige_ meerderheid is, en die zij _als zoodanig_ doorvoeld, _alleen_ geháát zouden hebben.

De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie, van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár--het allerbeste behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen, zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij, een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun slachtoffers _verachten_ en niet weten, dat zij niet anders dan _zelfverachting_ braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig [p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.

Gij, _Hollander_, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien: hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer, Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar, uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van zonen van dat volk.

Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch vermogen--de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd, buiten beschouwing gelaten--vrij wel latent; hun plastiek niet sterk, zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk _Lied der Liederen_ wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn, toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten, overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens aan die prachtige groep: _Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal_, eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand, om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde, als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk--maar ik wensch nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche ellendelingen--deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op renaissance--meest met beiden!--in hun hart, geen eerbied meer voor het geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur, hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden, nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die Aronsstaf, mijn lezer--gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het boek van _Dr. Slousch_, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt--die Aronsstaf is de verjongd-uitbottende _Hebreeuwsche taal_!

[DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.]

Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882--1910) behandelende, boek van dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is, om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár--volkomen geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt, is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:

[p.60] Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté du culte grec et le manque de gout des rabbins.

Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:

Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des conquérants de Chanaan) et qu'_ils ont enchainées dans les cuirs des philactères_,

hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. _Niet_ dus van "Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel op mijn arm" en ook--hoe rijk is een kind!--hoe ik midden in het ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith--den gebedsmantel--op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond, die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen: niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:

Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à contempler "un bel arbre ou un beau champ."

Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe vertaling, aldus:

Die ten wege gaat _en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn meditatie afbreekt_, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die _zich schuldig maakt jegens eigen ziel_.

Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!

Maar--en spreekt dit trouwens niet van zelf?--het opmerken dezer kleine vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij, Westersche Joden, daar Jood_jes_ bij. Van hen allen schijnt _Bialik_ mij de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment uit het gedicht _Massa Nemirow,_ "une description réaliste du pogrome de Kichenev."

Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges, où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront contre les décombres des objets brisés, [p.62] contre les restes des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et des labeurs surhumains....

Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs fleurs qui sentent le sang....

Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....

_Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau abattait_....

Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht, toont _Slousch_ wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden, ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: _La Chose (Dabar)_ van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:

Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.

En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein gedeelte.)

Car _une chose_ s'est declarée chez nous et personne ne sait ce qu'elle signifie.

Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher, est-ce pour jamais?

Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos, et n'offre aucun refuge.

Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?

Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos blasphèmes?

Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent emporterait tout sans laisser des traces.

[p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les cieux se sont tus!

Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur faute.

Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque chose à dire, dis-le!

Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort elle-même, parle, dis-la!

Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche sur notre dos et met le mors dans notre bouche?

_Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe_....

En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote, Tchernikhovsky, zegt:

(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le poète prêche aux fils degénerés du ghetto.

Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.

Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large, aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.

Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot, naar dit: