Part 9
«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen...»
«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»
«Jij niet... nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een vriend van me bent. ’t Is zoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»
«Och kom.. wie bij voorbeeld?»
«De vrouw van Förster onlangs.»
Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn stierenhals zichtbaar onder de boord.
«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»
«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»
«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.... Doet aan vrouwenbeweging. God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.... Dat alles zou nog zoo erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er niet door bedreigd werd.»
Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:
«Geluk zonder stoffelijke welvaart.... is dat op den duur wel mogelijk? En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik verdien zoo weinig....»
Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. Doch met een ruk van zijn hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.
«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»
«Dat mag ik hooren!» valt Dr. Kegel in. «Je hebt immers een heldere kop—een pracht stel hersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je geschrijf.... je artikelen.... enfin je woord, je denkbeelden, kan nog eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»
Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en van voldoening over zijn toespraakje.
«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend onder ’t spreken:
«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. Door hem uit te dossen in een goddelijkheid van klatergoud! Verlossing door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en vermoeilijkt door onze theologen!
«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden... O wat zouden ze hem honen, omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet fatsoenlijk...» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»
«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.
«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd worden... Marta is zoo gerust.»
Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.
«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren. C’est confenu, eh? Afgesproken?»
Maar Frans wil er niet van hooren.
«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu maar hier. Je vrouw komt wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»
«Nu, in vredesnaam dan... Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot straks.»
De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s dokters mooie Germanen-kop weer:
«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»
De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar een hangkast, en verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»
HOOFDSTUK XIII.
Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast.
«Is ’t al zoo laat?» zegt ze. «Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier in ’t midden zetten, niet?»
«Best.»
En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze wisselen een blik, als steelsgewijs.
«En je voorzittershamer. Zeg, Frans...»
Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en onverschilligs.
Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig.
«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.»
«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.» Man en vrouw schikken de stoelen om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu niet?
«De president hier», zegt zij onverstoord, «daar de onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden... Net als de vorige keer, he?..»
Frans knikt. Marta kijkt rond.
«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?»
«Heb je nog wat... voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?»
«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is.
«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn stem.
Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid.
«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu ’s van je beste kant toonen.»
«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans.
Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed!
Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden... O ze kan ze tellen, al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf... Nog zoo lang niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus... En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon... O nee... dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust... En nu...
HOOFDSTUK XIV.
«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O ja. Nu ’t bier.»
De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.
«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen vóor.»
Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de deur, om het bevel op te volgen.
Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van haar stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.
«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. «Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de schoorsteenmantel.
«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de gastvrouw.
Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de hand, de vrouwen kussen elkaar.
«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst hij op een stoel voor een der bestuursleden.
«En u, Secretaris... of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone plaats, nie’waar?»
Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij vroolijk.
«Jij een kop thee, niet, Dora?»
«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.
«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»
«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»
In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte stemming.
Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.
«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt ook geen bierfuif vanavond.»
«Mevrouwtje, u is ondeugend... Nu, prosit.» In éen teug is het vocht verorberd.
Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.
«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»
Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele verschijning.
«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.
«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even nadrukkelijk.
«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, evenals de anderen van ’t gezelschap. «Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u niet?»
«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?» zegt Marta, nog bij de theetafel.
«Zonder suiker, als ’t u belieft.»
«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»
Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich neder links van haar man.
«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt strak rond, hoog-ernstig.
En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.
«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van de vorige te lezen?»
Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: «Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.» Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. «Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, Mejuffrouw Lotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het desbetreffende... van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. Niets meer aan de orde zijnde...»
Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. «Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»
De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, zegge één toetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»
«Mag ik even ’t woord?»
«Juffrouw Lotte Finke?»
«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onze vereeniging een «vermomde vrijmetselarij».»
Allen lachen, behalve de gezusters Finke.
«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.
«Ja, een werkman had het over «de duivel»,» verklaart Lotte Finke, zonder een spier te vertrekken.
«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het woord. «Ja, u, Dr. Kegel.»
«Ha, ha, ha! En toch... Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord... Vreemd...» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.
«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan genoemde.
Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze donateur August Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het tweede geschrift een eind van hem af: «een schrijven van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart, bij-nader-inzien, aan een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. Verder niets geen verklaring... Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: «Opzegging van de beloofde jaarlijksche som... Hm, jawel, ze zijn er gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!» Even deze opmerking van de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.» Sic! De schrijver zucht met zwaar geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing van mond, neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende oogen. «Nee? Dan gaan ze in ’t archief. Fini. Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»
Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?»
«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog sopraan-geluid.
«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.
Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.
«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot de voorzitter.
Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur lachje en reikt het blad aan de Secretaris.
«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wil u ’t eens voorlezen, Schrijver?»
Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de tafel vallen. Daarna barst hij uit:
«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. «’t Is indigne....»
«Wat ’n laster» roept deze na de lezing. «Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw Emilie.»
«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeft u ’t gelezen?»
«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn eene snorpunt.
Marta schreit bijna.
«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.
«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de schrijver: wegens laster.»
«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»
«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.
«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is ’t dàn? Wou u beweren...?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer ongemakkelijk.
«Ik beweer niets...», tracht ze vastberaden te antwoorden. «Er wordt hier gesproken van concubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, waar haar voorzitter zelf het voorbeeld van zulke onzedelijke verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is. Nu?»
Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.
«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»
Frans kijkt bedaard op.
«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft de voorzittershamer op. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten behandeling kan blijven.»
«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze vereeniging.»
«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.
«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.
Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:
«Waarachtig niet,» roept hij uit. «Morbleu, dat gaat maar zoo niet! Ik heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets...»
«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. «Ik vind het... niet in den haak... niet behoorlijk, dat Meneer Jensen ons nooit gezegd heeft, dat... hij niet getrouwd was.»
Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op de plaats waar een broche zou kunnen zitten.
«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere oogen fel op de bevende Lotte. «Wij wisten, hoe de zaak stond, maar we vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van... waar hier sprake van is... is een huwelijk, Juffrouw Finke.»
«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.
Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.
«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijn vrouw evenmin.»
De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel en zegt afgemeten:
«Ik zal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»
«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.
«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»
«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.
Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:
«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite... ik bid u...»
De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich in.
«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds bij de deur.
Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen navolgen. Beiden schuifelen naar buiten.
Frans drukt op een schelknop:
«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.
«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde weer bij haar staat.
Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt de schouders op, en wendt zich tot de arts:
«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw eigenlijk was?»
«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»
«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.
«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer dan ergerlijk. Bah!»