Part 10
«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze avond maar niet om vergallen.»
Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»
«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt spaak zoo. En dan...»
«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar verder alleen laten, vin’je niet?»
Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:
«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?... Kom, blijf nog wat zitten, Dora.»
De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.
«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke streeling in zijn zware bastoon, en haar weer opnemend met iets in zijn blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder: ça passera, ça passera, dat gaat voorbij. Maar kalm zijn, Mevrouwtje. En, Frans, je kunt op ons rekenen. Steeds.»
De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de jonge man zijn vingers voelt tintelen.
«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, heeft Marta een kleur als bloed.
«Tot ziens!» zegt Frans.
De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.
HOOFDSTUK XV.
«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb... Alsof ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»
«Och, Frans...»
«Ziezoo, nu schreien... Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? Begrijp je dan niet, dat... dat, als ik... zoo iets verteld had—zoo maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een verklaring in optima forma, dat... dat onze verhouding een heel bizondere was...! Dat mag ze in de oogen van de wereld wezen, bij ons, in onze wereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»
Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar neergeslagen donkere wimpers dropten de tranen haar op wang en lippen, en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin steunde, telkens trillen,
Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, vlak bij haar staande, bleef aandringen:
«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»
«Och, Frans, ik weet het niet... ik weet het niet. Ik voel me zoo... ellendig... Mijn hoofd barst...»
Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans...»
Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij zich òp, verlangde naar rust.
«Ik ga ook», zei hij alleen maar.
Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht gekust, zonder een woord. Zij had hem stil aangekeken, even met vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in ’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of «slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te doen zijn.
Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze... Ze kon zich eindelijk niet langer inhouden:
«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.
«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.
«Ben je boos, Frans?»
«Welnee, ook niet geweest, hoor.»
Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of kussensloop, geschuifel van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker vijf minuten.
«Zeg, Frans», zei Marta weer.
«Ja?»
«Zou je ’t... erg naar vinden... als ik zwanger was?»
Wat klonk dat moedeloos en droef!
«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar... denk je dan...?»
«Ja, Frans... Ik denk ’t...»
Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:
«Liefste lieveling!... Slaap nu... Slaap nu.»
Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen... Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.
Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.
HOOFDSTUK XVI.
Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer dan eens dezelfde ergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, hoevelen over de zaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t was Marta die ’t ontgelden moest. Waren tooneelen van drift vroeger een zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde hij zichzelf, noemde zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.
Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.
En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.
’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haar idee, om de zaak van hun hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der menschen. Ze moest er voor lijden... Haar idee... En Frans... had hij geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat eene? Ze kòn immers niet... Uit liefde voor hem... Nee juist daarom niet!.. Of... wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger... was ze niet dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en een lion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst, Frans vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich gesloten toonde of geheimzinnig deed.
En nu, nu ze behoorde aan deze man... nu ze een kind wachtte van hem, was ’t nu anders, heel anders dan vroeger? En als dan alles in hun verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, wanneer ze Frans in de oogen keek.
En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gaf zij om weelde van kleeding, van uitgaan, eten of drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich weinig of moeilijk uitend.
Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar het groote leven. «Der mann muss hinaus in’s feindliche Leben», ja, hij met zijn talenten stellig en zeker... En dan te moeten aanzien, dat hij om dat ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over... Maar ze zag ’t aan zijn blik nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, dat de muziek hem altijd zoo aandeed!... En hij die aan zooveel weelde gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!...
Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.
Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de half-glazen deur, als de wind erop viel.
Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde gedachten-opvolging overgegaan in dat der beelden-vervloeiing van de eerste slaap, toen Frans opschrok:
«Marta, hoor je dat?»
«Nee, wat is er?»
«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»
«Gebeld? Nu?»
«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»
«Is Aennchen nog op?»
«Welnee, die is ook naar bed.»
Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.
De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de half-gesloten deur der kamer aankondigt:
«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»
«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»
Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar allernoodigste kleeren gestoken te hebben.
«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.
De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:
«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommer zestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»
Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.
«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. «Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een blik naar Frans:
«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»
«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.
Frans stuift naar de deur:
«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»
«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en scheeve rokken.
«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en... me zoo uitscheldt, wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik... niet mocht dienen bij menschen... zooals u... die in kongkemenaat leven.»
’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.
«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt je loon krijgen tot vanavond.»
«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik ga morgenochtend, vroeg. Dadelijk...»
«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»
De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend klinkt daar tusschen haar gemor.
«Dat doet de deur dicht: le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij hun kleeding haastig voltooien.
«Och, wat kan je die meid schelen!» Haar kan ’t zeker op dat oogenblik al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is zenuwachtig, opgewonden:
«Wie zou toch die ouwe heer wezen...? Die jou spreken wil? Jouw vader misschien?»
«Loop heen!... Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel... Ik denk... misschien... je oom misschien?»
«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, he? Wat vreemd dan, dat hij naar Juffrouw Van Zee vraagt!.. Och, nee, ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me schrijven: ik heb nu in zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»
Frans antwoordt niet dadelijk.
«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.
«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker niet, om ons onaangenaam te wezen...»
«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»
«Ja, dat is al heel gek... Och nee, ’t zal oom niet wezen...»
Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was toch Meneer Winter.
«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton tusschen twee korte vingertjes.
Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.
«Laat zien... Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt ze snel: «Laat meneer binnen... In de studeerkamer maar... daar zal de kachel nog wel aan zijn.»
De gedienstige verdwijnt zonder een woord.
«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, Aennchen na.
Frans volgt, in gedachten.
«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na eenige oogenblikken. «Een man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft...»
«Nou ja... Goddank, de kachel is nog aan, zie ik... Och, als ik niet finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen hebben. O, dat weet ik zeker...»
«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»
«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen me. Geheel...»
«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets anders gedaan dan toegepast wat hij je voorgepreekt had...»
«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest...»
«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»
«Zal ik eerst maar heengaan?»
«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij voor elkaar geen geheimen hebben.»
HOOFDSTUK XVII.
Op ’t geluid van moeilijke schreden boven op de trap doet Marta ijlings de deur open.
De gestalte van Dr. Winter vertoont zich op ’t smalle portaaltje, in ’t volle licht van een gaspit boven de trap. ’t Is een «eerwaardige» verschijning, zooals men dat pleegt te noemen. Een sneeuwwitte volle zijige baard omvat een vervallen scherp-geteekend gelaat, met fijne dunlippige mond, arendsneus, spierwitte borstelige wenkbrauwen, met diepe holle oogen, die koortsachtig schitteren. De oude man—diep in de zestig—loopt moeilijk, komt hijgend en blazend de kamer in; maar met een glimlach om de mond. Hij spreekt met iets benauwds, maar met een stem, die vroeger mooi-klinkend vol moet geweest zijn, eenigszins hoog van toon, en telkens afbrekend, om op adem te komen.
«Ik ben hier immers wel goed terecht... nie’waar?... bij Meester Jensen... Dokter Jensen, zooals ze hier zeggen?»
Frans is naar voren getreden, hem tegemoet op ’t overloopje, terwijl Marta nog aarzelend en in groote spanning bij de deur staat, nog onzichtbaar voor de binnentredende.
«De meid...» wil deze nog doorgaan.
«Ja, stellig... volkomen aan ’t goeje adres. Komt u binnen.» Man en vrouw snellen hem nu tegemoet.
«Och, de meid»... hervat hij eenigszins met zijn houding verlegen, «ik had me vergist... ik vroeg eerst naar Juffrouw... Van Zee... Och, oude gewoonte... toen heb ik dadelijk uw naam genoemd... Dokter Jensen. Ik was erg in de war.» Hij glimlacht verlegen.
En Frans: «Ja... wil u niet gaan zitten?»
Marta komt met een gemakkelijke stoel aandragen, zet die bij de kachel, waar ze even vluchtig naar kijkt; pookt erin, trekt een klep open. Haar gezicht gloeit.
«Hier, Oom, gaat u hier zitten... hier bij de kachel... die is nog aan. U schijnt erg moe. En buiten adem ook. En koud... Zal ik Uw stoel...?»
De oude heer maakt een moê gebaar van dank, en zet zich sterk hijgend neer. Dan zwijgt hij eenige oogenblikken. Marta en Frans staan bij hem aan de andere zijde der kachel.
«Ik ben... blij dat ik zit... trappen-klimmen gaat me niet best meer af... op mijn jaren... al is ’t maar eenige treden.» Dan slaat hij een blik vol teederheid op naar Marta. «En Marta, mijn kind, hoe gaat het je?»
Er is een lichte trilling in zijn stem en hij heeft zijn magere armen naar de jonge vrouw uitgestrekt, met een gebaar van innige hartelijkheid.
Marta barst in zenuwachtig schreien uit, snelt op de zittende toe, en knielt bij hem neder. Dan omhelst ze hem met kinderlijke vleiing.
«Oom, lieve goeje beste Oom... Is u niet meer boos op me?»
«Boos?... Ik ben nooit boos op je geweest... Ik heb alleen verdriet gehad... Veel verdriet gehad, Marta... Om jou... Kom, ga daar bij me zitten.»
Marta zet zich naast hem, en terwijl ze haar tranen droogt, glimlacht ze verlegen. Er glanst een vroolijkheidje uit haar vochtige groote oogopslag, iets van eindelijke ontspanning. Frans blijft intusschen op een afstand op de sofa bij de bordesdeuren, waar hij is gaan zitten. Er is iets stugs in zijn trekken.
«Kom ook hier, Frans», dringt Marta, die hem even gadegeslagen heeft. De aangesprokene komt aarzelend naderbij, en blijft dan staan. «Oom, dit is mijn beste man», vervolgt ze op innige toon. «Ik heb na u en mijn vader nog nooit een man zoo liefgehad... Kom, Frans, geef Oom een hand. Alles is vergeten: jij mag Oom ook geen kwaad hart toedragen.»
De jonge man aarzelt nòg. Dr. Winter ziet het, en steekt hem met een spontane beweging zijn hand toe.
«Hier, jongen, bied ik je mijn hand... Wil je die aannemen? En wil je me... al ’t verdriet vergeven, dat... dat... ik je vrouw heb aangedaan? Och... als je alles wist...»
Frans grijpt, zichtbaar ontroerd, de dunne vingers van de grijsaard, en drukt die met krachtige druk, zwijgend.
«Ga daar zitten,» gaat de oude voort, terwijl hij Frans steeds aandachtig opneemt: de bewegelijke schrandere prikkelig-kijkende oogen omvorschen diens wezenstrekken, als waren de woorden, die hij spreekt, slechts enkele weerklanken van de vele gedachten, die de aanschouwing bij hem wekt. En Frans gehoorzaamt lijdzaam, sympathiek aangetrokken door de macht van die oogen, die zijn ziel schijnen te willen doorzoeken als met een elektrisch zoeklicht. Ondanks zijn vooringenomenheid voelde hij iets warms in hem opkomen, een kinderlijke vertrouwelijkheids-drang, een behoefte aan uitschreien en algeheele gemoeds-uitstorting. Zoo zou een zoon zich tegenover een vereerde vader voelen, na lang leed onder vreemden.
En Marta moest wel veel van zulk een man gehouden hebben. O hoe goed begreep hij nu de machtige bekoring, die van zulk een persoonlijkheid uit moest gaan op een jong ontvankelijk meisje, leergierig als Marta!
«Ik ben erg verlangend», brengt Frans na enkele oogenblikken stilte uit, «van u te hooren, hoe alles zich toegedragen heeft... Ik heb een onbeperkt vertrouwen in... Marta, en... ik heb me altijd... ten zeerste verbaasd... verwonderd over Uw houding...»
«Best begrijpelijk. Best begrijpelijk, hoor. En je hebt ’t voor haar opgenomen, natuurlijk...»
Hij moet even ophouden, want een benauwdheid overvalt hem. Marta schrikt hevig, haalt haastig een glas water uit de naaste kamer, waarvan ze de schuifdeuren zenuwachtig open en weer dicht trekt.
De oude man neemt bevend het water aan, en drinkt een paar teugjes, het hoofd in gloed, maar toch met zachte glimlach om de dunne lippen.
«Och... ’t is niets... ik heb dat telkens... Nu van die trap zeker... toch maar een tien treedjes, he...» Weer drinkt hij even. «Ja... ik ben al oud... en ik heb een hart-aandoening... een kwaal...»
Marta kijkt hem meewarig met haar groote fluweel-oogen aan, lezend iedere aandoening op zijn vertrokken gelaat.
«Och Oom!..» zegt ze.