"Nummer Elf"

Part 4

Chapter 44,134 wordsPublic domain

Daar hadt je het, dacht ze. Doch zij wilde er voor ’t minste het beetje genoegen van hebben, dat er aan was; zij zou niet vatbaar zijn voor halve woorden; hij moest doorgaan tot het einde; hij moest zich volkomen executeeren.

„Het is mogelijk,” zei ze, „maar ik weet toch niemand behalve mijn broers en de vrienden en kennissen zoo’n beetje.”

Ze waren nu onder het dichtst door zwaar geboomte van weêrszijden beschaduwde gedeelte van den weg; er waren weinig wandelaars; Lena keek recht vooruit en hij ook; zoo spraken ze, schijnbaar zonder erg en als over onverschillige dingen.

„Ik bedoel op een andere manier.”

„Dat begrijp ik niet.”

Het ergerde hem; hij meende, dat zij nu wel ’n beetje toenadering aan den dag kon leggen. Het was toch zoo’n lamme geschiedenis, alles heelemaal voluit te moeten zeggen. Zoo ohne Worte was het makkelijker en aangenamer. Neen, dan ging het vrij wat pleizieriger in de lagere regionen der liefde, waar men met ’n enkel maleisch woord elkaâr begreep tot in de uiterste gevolgtrekkingen; waar een liefdesverklaring de waarde had van een bonnetje: Goed voor mijn hart enz. ƒ.... tot inlossing bij definitieve afrekening! Jongens, jongens, hij wist nu al niet hoe hij eruit zou geraken; hij wierp maar een exceptie op.

„Weet je dat heusch niet?”

Maar zij was hem te slim af.

„Wat? Wat zou ik moeten weten? Hoe men van iemand houden kan op een andere dan op de ware manier? Neen wezenlijk, dat gaat mijn verstand te boven.”

Men schoot niet op, zoo voortgaande.

„Ik weet niet wat u van plan bent, meneer Vermey,” zei Lena, toen hij niet dadelijk verder sprak, „maar ik keer terug, anders ben ik voor het donker is niet thuis.”

„Zou dat zoo erg wezen?”

„Neen, maar mama houdt er niet van, en ik ook niet.”

Dat helsche woord! Dat moeilijke woord, dat er maar niet bij hem uit wilde! Het was toch zoo eenvoudig, en het was toch zoo lastig! En hij moest het zeggen, hier op den weg; daar was geen ontkomen aan; hij had het met Bruce afgesproken.

„Het is eigenlijk geen toeval, dat ik je ontmoet heb.”

„Dat geloof ik toch wel, want het was volstrekt niet zeker dat ik zou uitgaan.”

Ai! dacht hij, die klip moest vermeden worden; de oude heer scheen hier de natuur een handje te hebben geholpen!

„Maar je gaat toch heel dikwijls om dezen tijd wandelen.”

„O, ja, als ’t goed weer is.”

„Ik zou den volgenden dag zijn teruggekomen.”

„U wilde me dus spreken?”

Heer in den hemel! zuchtte George in stilte, dat was verschrikkelijk. En Lena dacht: hoe onbeholpen zeurt zoo’n man!

„Het is ’n beetje moeilijk voor me, door de bijzondere omstandigheden. Ik kwam als aankomend jongmensch al bij de oudelui over den vloer, toen je nog zoo’n klein kind waart; dat maakt het nu erg lastig, te zeggen, wat ik op het hart heb.”

Hij zweeg weer, en dat verveelde haar.

„Nu, zeg het dan,” zei ze eenigszins driftig.

Een oogenblik wilde hij stilstaan, maar zij liep door en toen moest hij ook verder gaan.

„Ik wilde je vragen, Lena, mijn vrouw te worden.”—

Zij keek niet op; zij stapte door met een effen onverschillig gezicht, terwijl hij, een beetje bleek, naast haar liep, voor het eerst inziende, dat het toch minder van een leien dakje ging, dan de oude heer had gedacht.

„Het is heel vriendelijk van u,” zei ze, „maar ik kan er geen „ja” op zeggen.”

„Waarom niet?”

„Omdat ik niet van u houd; dat is reden genoeg.”

George Vermey had een gevoel of hij ’n klap in zijn gezicht kreeg. Zijn gedachten raakten verward; hij moest iets zeggen, dat voelde hij wel.

„Je zult van me leeren houden. Ik...”

Zij viel hem door een korte beweging met haar waaier in de rede.

„Dank u. Als ik dat ooit zou beproeven, dan toch nooit met u.”

„Maak ik dan zoo’n ongunstige uitzondering?”

„Ja, ’n zeer ongunstige, de meest ongunstige, die ik me kan voorstellen. U vraagt mij ten huwelijk en u houdt niet van mij, en ik zou u aannemen, terwijl ik evenmin houd van u.....”

„O, lieve Lena, ik bezweer.....!”

„Asjeblieft niets te: lieve Lena; ik ben dat niet voor u, ik wil het niet wezen, en ik verzoek zeer bepaald van beleedigende familiariteit verschoond te blijven.”

Hij wist niet meer hoe hij het had. Was dat de kleine Leen Bruce, altijd zoo goed en vriendelijk? Was die zoo verduiveld bij de hand met haar woorden? Dàt had hij nooit gedacht.

„Ik weet niet,” ging zij voort, „welke bijzondere redenen u hebt mij ten huwelijk te vragen, ik wil er niet over denken. Wat ik wel weet is, dat ik uw gedrag schandelijk ongepast vind.”

„Maar dan heerscht er een misverstand,” zei hij luider en geraakt over haar scherpe woorden. „Ik heb niets gedaan wat dien naam verdient.”

„Misschien niet in uw eigen oogen, maar in de mijne wel. Dat u mij ten huwelijk zoudt vragen wist de heele stad; ik heb het gehoord al haast ’n week geleden.... van onze baboe.”

Daar zweeg hij op, zeer ontsteld thans. Dat had hij niet kunnen denken. Wat waren de menschen toch babbelaars!

„Van mijn baboe,” herhaalde zij, thans met innige woede in haar stem en zenuwachtig opgewonden. „En die wist me ’n heel aandoenlijk verhaal op te disschen van de manier, waarop u uw eigen huishouding had opgebroken omdat..... nu ik wil de oorzaak niet noemen; ik heb er ’n hekel aan over zulke laaghartige dingen te spreken; maar het gevolg van die oorzaak moest zijn, dat u mij zoudt vragen.”

„Dat is niet waar!” riep hij liegend uit nood.

„Het is wèl waar, meneer Vermey. Op zoo’n manier ben ik, zeker voor het eerst van mijn leven hier op de plaats door iedereen besproken. Van iemand, die zooveel jaren vriendschap heeft genoten in mijn moeders huis kon ik dat verwachten, vindt u niet? En nu zijn we voor dat huis. Ik dank u voor uw geleide, maar zal er verder geen gebruik van maken. Goeden avond!”

Werktuiglijk nam hij zijn hoed af, perplex, verslagen, maar in de overtuiging, dat het alles zijn eigen schuld was, en hij zijn lot had verdiend. Bij nader inzien was het echter de schuld van „die vervloekte babbelaars.” Hij had het aan niemand verteld, dan aan twee, drie vrienden en natuurlijk aan den ouden Bruce. En nu, daar had ze gelijk in, wist de geheele stad er alles van en was thans Lena juist evengoed op de hoogte van de omstandigheden, als Yps het ’n paar dagen te voren was geweest! Het maakte hem zóó verlegen, dat hij in ’t drie kwart duister een kleur kreeg als vuur, alleen van het idee. Bliksem, wat had dat kleine magere ding hem daar à faire gehad! dacht hij. Niet alleen had ze hem afgewezen, hem, naar zijn eigen schatting, den mooisten, netsten en voortreffelijksten bachelor van ’t plaatsje, maar zij had hem met zooveel woorden iets beschamends gezegd; iets waaraan hij nooit gedacht had, maar dat hij nu betreurde, dat hem thans helder voor den geest stond als een handeling beneden de waarde van een fatsoenlijk man. Hij had dat meisje van goede opvoeding, en op wier deugd en kuischheid geen de minste smet kleefde, gevraagd omdat ze geld had, en hij uit eigen fondsen niet bij machte was voort te leven met zijn half inlandsche huishoudster, zooals hij gewoon was te doen.

En dat had Lena duidelijk voor oogen gestaan; daar was hij zeer zeker van.

Intusschen: hij, George Vermey, had een „blauwtje” geloopen van de ergste soort. Ook dat zou binnen tweemaal vier en twintig uren iedereen op de plaats weten. Wat zou men hem uitlachen! Dat had zijn huis verlaten, zijn „meid” opgedoekt, en zijn boeltje verkocht; dat was heel netjes gaan leven in een hotel om te poseeren als ernstige huwelijkscandidaat en zich daarna terug te trekken in den stillen en rustigen huiselijken kring! Hij vloekte bij zichzelf van kwaadaardigheid. Hij zou op ieders gezicht den spot lezen, hij zou de plagerijen van zijn vrienden moeten hooren, en de zinspelingen van anderen. Neen, dat kon hij niet doorstaan. Dat zou hij ontvluchten, door zich ziek te melden, en voor ’n dag of acht naar het gebergte te trekken.

Zoo’n brutaal klein ding! En met dat alles een goed huis voor hem gesloten, want het was nu voortaan onmogelijk bij de Bruce’s aan huis te komen!

Hij liep voort, nu eens harder, dan zachter, al naarmate van zijn gedachtengang, en in de richting van zijn kantoor. Een sleutel was in zijn bezit, en in zijn lessenaar lagen nog enkele particuliere correspondenties, die hij er uit wilde halen. Verwonderd zag hij, ’t pakhuis voorbijgaand, licht door de smalle kieren van de groote groene deuren. Zouden er dieven zijn? Er kon toch niemand meer wezen van het personeel. De deur van de gang naar de kantoorlokalen stond half open. In de duisternis ging hij de bekende trap op, en boven in de kamer van den chef, zag hij nog een brandende kaars, en hij zag ook een bekenden hoed er naast staan; die was van den chef zelf.

Een oogenblik aarzelde hij verder te gaan. Het was duidelijk dat er dingen gebeurden, die het daglicht schuwden; George dacht daarover en, terwijl hij ’t kastje van zijn lessenaar openmaakte, bij het schijnsel van een kaarsje, dat hij vond op de expeditietafel, rees een vermoeden bij hem op; juist een zooals kon ontstaan in zijn geest; hij dacht niet aan oneerlijkheid of knoeierij in zaken, maar aan zwarte persoonlijke ondeugden.

Haastig pakte hij zijn boeltje saâm, blies de kaars uit, en ging naar beneden; hij zou graag ongemerkt zijn weggegaan, maar dat lukte niet; halverwege de trap kwam zijn chef uit het pakhuis naar boven met den inlandschen mandoer achter zich als een donkere schaduw, ze spraken zacht samen in ’t maleisch en al kon Vermey niet verstaan wat ze zeiden,—hij hoorde den vertrouwelijken toon, die hem met een gevoel van afschuw ’n rilling langs den rug deed gaan.

De chef schrikte toen hij iemand naar beneden hoorde komen. Hij bleef staan en vroeg met luide stem en toornig:

„Wie is daar?”

„Ik ben het,” zei George ook hard en stroef.

„O zoo,” zei de andere met eenige aarzeling. „Hadt je iets vergeten?”

„Dat niet, maar ik ben ziek. Ik heb het op de wandeling weêr in den buik gekregen. Mijn obat stond hier....”

„Zoo! Het is ’n gezanik met die fransche facturen.... Er was nu weer ’n verschil in de boeken van ’t pakhuis.... het klopte niet.... ik heb in godsnaam zelf den boel moeten opnemen.”

„Ja, da ’s heel onaangenaam.”

„Goeden avond.”

George kwam even aan z’n hoed en groette met dezelfde woorden terug.

Toen hij beneden was, en de deurknop reeds in de hand had, riep zijn chef met grooter welwillendheid in de stem dan waaraan men op ’t kantoor gewoon was:

„Als je wellicht morgen ziek bent, Vermey, blijf dan gerust thuis, hoor!”

„Dank u!” riep hij terug en ging heen.

Het was een groote afleiding voor hem; na den eersten indruk van zijn „blauwtje” ontwikkelden zich dadelijk nieuwe plannen. Hij zou naar boven gaan; hij had zoo goed als ’t verlof reeds in den zak van den man, dien hij naar zijn meening, niet meer of minder dan „gesnapt” had, al wist hij feitelijk van diens handelingen niet meer dan iedereen, dat was: zoo goed als niets. Hij stapte flink voort; het was nu buiten geheel donker, de lantaarns wierpen flauwe oranje-gele lichtbundeltjes uit haar bescheiden petroleumlampjes over den weg; zijn opgeruimdheid keerde onder het loopen terug. Hij zou gauw eens aanloopen bij zijn vrienden om hun ’n standje te geven over hun babbelachtigheid; maar bij nader inzien zag hij van dat laatste af; ’t was beter de „zaak” anders te behandelen.

Zij, de vrienden zaten samen, ongekleed, ’n bittertje te drinken op hun luierstoelen elk met ’n krant in de hand, toen Vermey mampirde.

Hij veegde zich het zweet van het voorhoofd en ging zitten, terwijl zij belangstellend vroegen, „hoe het ermee was.”

Maar George schudde langzaam het hoofd, trok zijn mond bedenkelijk samen en keek naar de verflooze door boeboeq hier en daar beschadigde, zoldering van het galerijtje.

„Ik zie ervan af,” zeide hij.

Zij antwoordden niet zoo dadelijk; zij wisten niet wat ze zeggen zouden; ze vonden het eenvoudig belachelijk. Waartoe dan al die drukte gemaakt? En na ’n oogenblik zwijgen, greep een hunner de karaf om ook Vermey ’n glas in te schenken; onder de hand zei hij schamper:

„Je bent toch ’n rare bliksem!”

„Ik kan het niet doen; ik ben ziek: koortsig met zware buikaandoening, soms. Neen, ik doe het niet. Ik voel me er niet toe geroepen.”

„En je hebt er al over gesproken met haar vader!”

„’t Kan me niet schelen: ik doe het niet. Als ik morgen niet beter ben, ga ik voor ’n paar weken naar boven. A propos; wil ik jullie ’reis wat vertellen van m’n baas, die gladakker?”

Zij keken op met groote nieuwsgierigheid, en George vertelde op zijn manier; wat aanleiding gaf tot krachtige woorden van afschuw en verachting met glossen erdoor, waarom ze lachten en corps.

Toen hij het tijd vond op te stappen, vroegen ze hem met spottende belangstelling, waar hij dien avond verder heenging, en hij antwoordde met ’n dwaas lachje en ’n hartelijken handdruk. Zij lachten alle drie; ’t was zoo’n trio-muziek zonder tekst; ze begrepen het best!

Ja, ze snapten het veel beter, dan Vermey ’t wel veronderstelde.

Ze keken elkaar aan over tafel, de een streek zijn vinger langs z’n neus en zei:

„Ik weet niet of je me begrijpt!”

En de ander, terwijl hij de scheen wreef van zijn been dat op een der armen van den luierstoel lag.

„O zoo!”—

VIJFDE HOOFDSTUK.

LENA’S MOEDER.

Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid; hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in ’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was, maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde, zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld, wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht bracht in haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n dochter had, die mooi kon wezen ook al was ’t dan maar in sommige juist niet verkieslijke oogenblikken.

Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die ze als ’n soort boudoir had ingericht, niet erg kostbaar, want dat strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets; het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding, van liefde en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was. Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg; zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was, dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het verhakte en onverschillige milieu van dit huisgezin had ze ten minste geen overlast van misplaatste deelneming.

Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen; het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk, noch huishoudelijk.... Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor, en hem schudt....

Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op zichzelf, tot.... de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons over haalt en hem wegveegt!—

De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter het schutsel had laten zetten.

„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast onverstaanbaar zacht.

„Zeker ma?”

„En wat zeid-ie wel?”

Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo moeilijk haar de ademhaling viel, zoo schor en bijna klankloos de benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door het bijzonder pikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.

„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons geld.”

Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar, wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigen boy, altijd even in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering, die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.... wie weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden. Kasian!

„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme hand op die van haar dochter leggend.

„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was geweest....”

„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”

„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”

Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje soep, Leentje. Anders niet.”

In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”

Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan. Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag. Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding, onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n stukje toilet te maken en ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de coupé van den dokter het erf op.

„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd hetzelfde?”

„Ik geloof dat mama wat beter is.”

Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er ’t zijne van.

„Hoe is het vannacht gegaan?”

„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen tijd heeft gedaan.”

„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”

Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.

„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht niet uitzie.”

De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering uitdrukte:

„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt gegeven; hij is toch ’n.... geschikte vent.”

„Weet u het dan nu al?”

„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”

„Hoe is ’t mogelijk!”

„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen. Maar het aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”

„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker maken.”

„Hm!”

Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan zij?

„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.

„Ja dokter, wat is er?”

„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”