"Nummer Elf"

Part 3

Chapter 34,211 wordsPublic domain

„Het is goed, dat je er over denkt, kind. Als je vader Vermey niet heeft afgewezen, dan handelde hij zeer verstandig, schoon hij er mij niet onkundig van had moeten laten. Doch ik weet het wel; iemand die altijd ziek is en de kamer moet houden, telt op het laatst niet meer mee. Ik zou maar stil afwachten, Leentje, en intusschen er ernstig over denken. Vermey houd ik voor een goed, schoon wat lichtzinnig mensch. Men zegt dat hij knap is voor z’n zaken en dat geloof ik ook wel. Hij heeft een behoorlijke positie en is een flink, gezond man; hij....”

„Maar, ma!” riep Lena, luid lachend. „Is hij ook „hecht, sterk en wel-doortimmerd” zooals pa altijd zegt van ’t huis? Hoe heb ik ’t nu met u, maatje? Ik denk in ’t geheel niet aan den man. Geen haar van mijn hoofd denkt aan hem!”

„Het is misschien verkeerd, kind. Menig meisje is op jouw leeftijd al getrouwd en heeft ’n eigen huishouden.”

„Een huishouden ontbreekt mij niet!”

Mevrouw Bruce zweeg ’n oogenblik. Neen, dat ontbrak haar dochter waarlijk niet! Eens op den weg der erkenning en waardeering van al wat Lena deed voor het gezin en voor haar zelf, stond zij niet stil. Dàt kon zoo niet blijven; het was haar thans duidelijk, dat er een verandering komen moest; het denkbeeld pijnigde haar, maakte haar benauwdheid grooter, zoodat ze een oogenblik achterover moest zitten, de magere handen tegen de borst, het hoofd op- en neêrgaand van de moeite om adem te krijgen.

„Je moet trouwen, Leentje,” zei ze, toen ze weêr wat op streek raakte. „Je moet. In elk geval is dit geen leven.”

„Waarom niet ma? Ik beklaag me immers niet.”

„Het is geen leven!”

Zij had de fijne handjes van Lena tusschen haar eigen uitgeteerde vingers genomen en hield ze vast op haar schoot. Dat was zoo heelemaal haar kind! Zoo heelemaal haar eigen ik, naar het tengere lichaam, zoowel als naar den kloeken geest.

„Vertel me nu eens, Leentje, is er iemand....?”

„Mijn hemel, ma.... wat ’n malle vraag! Er is niemand, hoor! En ik ben er blij om.”

„Zeg het niet, Leentje; het is niet waar; het kan niet waar wezen. Op jouw leeftijd....”

„’t Is toch zoo, ma. ’t Kan me wezenlijk niets hoegenaamd meer schelen.”

„Meer schelen?”

„Ja. Er was een tijd.... toen u nog op de been waart en zelf het huishouden deedt; toen ik veel tijd had; tijd genoeg om muziek te maken, en uren lang niets te doen; toen ik lange nachten sliep en ’s middags uren te bed lag met een boek. Toen had ik....”

„Ja ma,” ging Lena verlegen voort, „ik kan het u wel zeggen, ik geloof, dat ik in dien tijd iedereen zou getrouwd hebben, die me ’t hof had gemaakt.”

Haar moeder knikte zwijgend, dat kende ze; het was de heel gewone geschiedenis.

„Het is nu lang voorbij. O, ik ben er zoo blij om! Ik heb ’t nu erg druk. ’s Nachts komt er van slapen ook niet veel, en als ik ’s middags een uurtje naar bed ga, dan raak ik nauwelijks mijn kussens of ik slaap al.”

„Dat is ’n ander uiterste.”

„’t Is mogelijk, ma. Maar laat het zoo maar stilletjes blijven, en maak geen veranderingen. Als het me moeilijk wordt, zal ik er wel om vragen. Vermey is mal; ik wil hem in ’t geheel niet hebben.”

Het egoïsme was toch bij de zieke niet geheel onderdrukt. Goddank! dacht ze met stille zelfvoldoening en met een zucht van verlichting. Goddank! Ze had eigenlijk niets liever, dan dat alles maar bleef zooals het was.

„Dus wil je hem afwijzen? Zou het dan maar niet beter zijn, het geheele aanzoek te voorkomen?”

Maar nu kwam de meisjesaard boven.

„Wel neen, zeker niet. Laat ik er ten minste het plezier van hebben.”

„En hij ongetwijfeld het verdriet.”

Lena schaterde van ’t lachen.

„Maatje, maatje, hoe heb ik het nu? Dat is toch wat al te erg! Die fraaie vriend van papa, die zonder mij ook maar met een enkel woord ergens over te hebben gesproken, het praatje rondstrooit, dat ik met hem trouwen zal, heeft waarlijk wel wat anders verdiend, dan uw teeder medelijden.”

„Hij houdt misschien heel veel van je.”

„Hoe dwaas! Iemand, die..... Zoo’n kerel,” brak ze in toorn los, „zoo’n kerel, die daar leeft met ’n....,” ze wilde het woord niet zeggen, maar onder een „Bah! Ik begrijp niet hoe u er nog over kunt spreken,” liep ze de kamer uit.

Mevrouw Bruce schudde glimlachend het hoofd. Zoo’n kind! Hoe weinig wist zij, wat de wereld opleverde. Het zou er aardig uitzien, als dat ’n reden was om in Indië een huwelijk te weigeren! En niet enkel in Indië, maar overal. Overal, voor zoover ze wist, deden de mannen in hun jeugd tennaastenbij zooals ze hier in Indië doen, met het eenige onderscheid, dat het hier een zaak was, even open bedreven, als de huizen zijn van bouw, en in Europa meer in het geheim achter de muren der hooge steenmassa’s. Maar de menschen, dat leerde haar levenservaring, waren zoowat overal eender. Goeden en slechten, slechten en goeden, slechten het meest. Haar eigen man vertrouwde zij niet, zoo oud als hij was; en het was óók daarom, dat ze zoo opzag tegen het in dienst nemen van iemand „ter assistentie in de huishouding.”

Aan tafel keek Lena haar vader eens aan.

„Van ochtend,” zeide hij na eenige aarzeling, „is Vermey uit zijn huis getrokken.”

Zij antwoordde onverschillig: „Zoo!” en spoorde haar broertjes aan de frikadel te eten, die ze niet lustten en op hun borden lieten liggen. Het trof haar, dat de oude heer nu alleen den naam noemde, terwijl hij vroeger altijd sprak van „meneer Vermey”, zooals hij gewoon was te doen van zijne vrienden tegenover zijne kinderen.

„Hij is in ’t logement gegaan, voorloopig.”

„En zijn inboedel?” vroeg ze om toch iets te zeggen en niets te laten merken.

„Die heeft hij overgedaan. Het is maar goed ook, want ’n vendutie is, als men op de plaats blijft, schade voor de hand. Heb je van avond wat lekkers?”

Zij haalde de schouders op.

„Dat weet ik niet. Als het noodig is zal ik iets laten maken. Overigens als gewoonlijk.”

„Ik had Vermey willen vragen ’n bordje soep te komen eten.”

Ze staken dus met spoed van wal, dacht Lena, en ze lachte in haar hart. Er moest geen tijd verloren gaan! ’s Morgens—en nu maakte zij zich inwendig weêr boos!—’s morgens de njai de deur uit en ’s avonds daarop de eerste poging om ’n fatsoenlijk meisje tot vrouw te krijgen!

„Als u meneer Vermey vragen wilt,—het is mij wel.”

„Laat bloemkool maken met saucijsjes,” zei Bruce erg in zijn schik. „Ik weet, daar houdt hij van.”

Lena knikte toestemmend, met de lippen stijf op elkaar. Ze zou hem „bloemkolen met saucijsjes!” Dat was zeker haar eerste les geweest in de kunst om iets naar den smaak van haar heer en meester klaar te maken! Doch zóó erg was het niet gemeend. Eigenlijk wist Bruce zelf niet recht of Vermey van dien schotel zooveel hield; hij zelf had er trek in.—

Maar in één opzicht had Lena juist geraden.

Het afscheid van Yps was inderdaad roerend geweest, doch de ontroering was geheel aan den kant van George Vermey. Hij was den ganschen vorigen dag verbazend „lief” voor haar geweest, en daar hij nu weêr geld had, wilde hij haar van alles meêgeven. Zij liet zich niet onbetuigd en plunderde de kasten, dat het een aard had; het linnengoed, het tafelgoed, alles pakte zij in, en grobaks vol gingen naar het „huisje” met de „meubeltjes.”

Alle kleine voorwerpen, die niet op inventaris waren verkocht gingen denzelfden weg. Maar als hij vroeg of ze soms nog wat noodig had, dat aangeschaft moest worden, keek ze hem aan, trok een verdrietig gezicht en schudde mismoedig het hoofd. Dan smolt de gevoelige ziel van Vermey als was in de zon; hij paaide haar met zoete woordjes en beloften; hij liep met haar door het huis, de armen om haar heen, vol kasian en liefde, maar toch met de stille verzuchting, dat hij zoo blij zou wezen, als het uit was. Yps liet zich dat alles welgevallen. Zij wist dat hij een muis was in de val; zij deed alsof ze stil verdriet had, wel wetend, hoe ze hem „lijmen” moest en wat de beste manier was hem te doen opdokken. Ze hield alles in het oog. Terwijl hij naast haar zat op den divan in de achtergalerij, zij haar hoofd tegen zijn borst liet rusten en hij haar liefkoosde, zag zij hoe haar moeder, die bij een der bediendenkamers stond, met een vragenden blik op het keukengereedschap wees, dat nog bijna nieuw in den glans van blauwe en witte porceleinverf op een tafeltje buiten stond; en zij knikte snel van ja. Wel waarachtig, zou zij dat benaderen! Die gek met zijn aanhaligheid! Het zou er, daarvoor vreesde zij, nog op kunnen uitdraaien, dat ze iets vergat meê te nemen.

„Ati!” lispte zij zacht, haar groote zwarte oogen naar hem opslaande, en ze neuriede een melankoliek maleisch liedje, van een meisje, dat door haar toean wordt verlaten en in de kali springt. En onder de hand was haar oog gevallen op den kanarievogel in het mooie vergulde kooitje van ijzerdraad, en ze kon zich maar niet herinneren of dat op den inventaris stond; zij meende van niet, dus zou ze dat ook nog meênemen naar het „huisje.”

Toen alles den volgenden morgen in orde was, deden ze samen de ronde, hand in hand; hij diep ontroerd met tranen in de oogen, zich verbeeldend, dat dit afscheidsbezoek haar een innig verdriet deed; zij de oogen overal rond latende gaan, ongerust dat ze wellicht nog iets had vergeten.

Eindelijk zat ze met haar moeder in het karretje.

Met een diepen zucht sloot George de glazen voordeur.

„God almachtig!” zei hij zacht, „wat ben ik blij dat dat achter den rug is. Wat ’n corvée!”

’s Avonds vóór hij naar de Bruce’s ging, liep hij even aan bij zijn vrienden om een dramatische schets te geven van de laatste oogenblikken. Hij deed het hoogst verdienstelijk; beiden waren er zeer door ontroerd, namen zich ernstig voor hun eigen huishoudsters nooit zoo’n behandeling aan te doen en nimmer te denken aan een wettig huwelijk. Vermey was nu eenmaal de waaghals en ’n „kraan”; hun was het te machtig.

Het was erg licht in de voorgalerij bij Bruce, bepaald dien avond haar beau soir. Zij had werk gemaakt van haar toilet en van haar kapsel, wat verschrikkelijk moeilijk was met zoo’n haarmassa. De oude heer Bruce had er niet op gelet, maar George, die een goeden smaak had, zag dadelijk hoe keurig Lena er uit zag en hoe correct haar alles aan het lijf zat. Het stemde hem aangenaam. Als zij er iets van mocht weten, dan toonde dit „werk maken”, dat het naar haar zin was. En hij zelf kon moeilijk beter gekleed zijn, dan hij altijd was. Toch had hij een eenigszins feestelijk uiterlijk, toen hij de marmeren trap opkwam, erg europeesch, met ’n gekleed donker jasje, dat zorgvuldig sloot om z’n forsche figuur, ’n grijzen pantalon en glacé handschoenen. En dit was zelfs zoo opvallend, dat Bruce, die een gruwelijken hekel had aan het invoeren van europeesche kleederdrachten in Indië, hem lachend vroeg of hij zijn cache-nez niet had vergeten.

Het was een gezellig avondje. Wel moest Lena dikwijls naar boven, want de schel van mama was buitengewoon onrustig en zij had meer last dan ooit van benauwdheden, maar dan hielden de anderen elkaar vroolijk gezelschap. Bruce vond ’t erg jammer, dat Lena nog ’n paar kennissen had gevraagd. De oude heer was al ’n beetje uit zijn humeur, door de totale absentie van de bloemkool met saucijsjes, waarvoor hij, zooals hij ’t noemde, ’n extra gaatje had opengehouden. Maar hij had niets gezegd, en zich integendeel heel monter en opgewekt getoond. Er werd aan tafel ’n goed glas wijn gedronken. De oogen glinsterden, en George, bij wien het op oud ijs altijd heel spoedig vroor, en die nog al wat verslagen had dien dag, onder ’t motto „liefdesmart”, had een kleur gekregen, wat hem nog zoo slecht niet stond.

Toen het eten was afgeloopen, ging men weêr voor om de tafel zitten; de heeren rookten ’n havanna, genietend als goede rookers; de dames bepaalden zich tot haar kopje sterke koffie, lachend om een der kennissen, die altijd een aanzienlijken voorraad „nieuwe” grappen wist te vertellen, en er de anderen liet inloopen met een vermakelijk rekenstukje of een verkeerden klemtoon.

George, achterover leunend in een wipstoel, luisterde glimlachend toe; een gevoel van behaaglijkheid kwam over hem. Hij zag de bedrijvigheid van Lena, die met haar groote oogen de bedienden als ’t ware aan een touwtje had.

Mooi was ze wel niet; ze kon niet halen bij die andere; maar ze was een beschaafd en ontwikkeld meisje met ’n helder verstand en groot zedelijk gevoel. Hij zag nu in, dat zoo iets toch ook niet weinig was.

Zij keek hem vragend aan, toen ze met den bediende, die een blad met likeuren droeg bij hem kwam. Hij stond op en boog zich over het blad, met ’n lachend gezicht en oogen, die haar inwendig boos maakten, die zij „gemeene oogen” noemde.

„Is er chartreuse bij?” vroeg hij zacht.

„Houdt u daar zooveel van?”

Hij liet de punt van z’n tong even tusschen zijn lippen doorgaan, trok de wenkbrauwen ’n beetje omhoog en knikte haar kleintjes toe.

Lena vond hem onuitstaanbaar; maar zij hield zich goed.

„Mag ik u dan dit glaasje aanbieden,” zei ze met afgepaste vriendelijkheid.

„Merci! Ga nu ’n oogenblik zitten.”

„Straks, ik heb nog geen tijd.”

„Kom! De jongens zullen wel zorgen voor de rest.”

Zij lachte.

„Verbeeld-je!” zei ze luid tegen ’n getrouwde dame. „Meneer Vermey vindt, dat men de bedienden wel voor het huishouden kan laten zorgen.”

„O, die heeren! Als men hen liet begaan....”

„En dat is nu iemand, die pas zelf zijn eigen huishouden heeft opgebroken.”

Er was ’n oogenblik stilte toen Lena dit had gezegd. Onwillekeurig keek men elkaâr aan; de oude heer Bruce trok een bedenkelijk gezicht; de anderen hadden moeite hun lachlust te bedwingen.—Vermey keek naar z’n sigaar en tikte er de asch af. Het was pijnlijk; hij kon niet ingaan tot ’n discussie over zijn opgeheven huishouden.

„Nu,” zei ze, „ik zal eens verder gaan met m’n sopi manis; pa heeft ook nog niets; als ik klaar ben kom ik bij u zitten.”

Maar Bruce wees haar af; hij hield niet van die zoetigheid. Hij keek eens rond, en zag in den man van de aardigheden ’n partner. ’t Is waar, hij had zich voorgenomen dien avond niet te spelen om Vermey in de gelegenheid te stellen Lena het hof te maken; doch was dat wel noodig, nu? Het ging immers van een leien dakje, naar het scheen, en niemand behoefde zich opofferingen te getroosten.

„We moesten maar vast aan den slag gaan,” zei hij luid.

George keek op, toen hij dien bekenden spelerstem hoorde.

„Ik dacht dat we niet spelen zouden.”

„Dat dacht ik ook eerst. Maar waarom zouden we eigenlijk niet? Er is geen reden voor.”

„Wat mij betreft, ik bleef liever ’n beetje praten.”

„Bent u zoo ineens op het gezelschap van de dames gesteld geraakt,” vroeg de getrouwde dame aan den overkant van de tafel.

„Ik heb nooit ergens meer van gehouden, mevrouw.”

„Nu ja! U maakt altijd uw partijtje. Behalve bij het dansen, ziet men u nooit in gezelschap.”

„Me dunkt,” hielp Bruce hem een handje, „dat het alvast geen kleinigheid is, zoo trouw voor dans-koeli te spelen.”

„Foei, meneer Bruce!”

„Je moet me niet kwalijk nemen, mevrouwtje,” ging de oude heer lachend voort. „Ik zeg het wel goed, maar ik meen het verkeerd.”

Men lachte algemeen meê. Nu, die was goed! George stond op met een spijtig gezicht; hij had toch bij deze gelegenheid liever blijven zitten. Het ging nu eenmaal zoo goed; het raakte op streek, vond hij.

Juist kwam Lena uit de binnengalerij, waar zij met ’n paar dames even onder het lamplicht in een album had gekeken, zij zelf had eigenlijk meer gekeken naar de mooie blanke armen van de een, die het album vasthield en die halve mouwtjes droeg; wat stond dat goed, vond Lena, en dat zou zij nu nooit kunnen; zij hield alles maar stilletjes getoetoept, en daar zij, wat figuur en wezen aanging, op haar moeder leek, zou het wel altijd zoo blijven.—

„Dat is nu al heel galant,” zei ze tegen George; „U vraagt me wat met u te komen praten, en nu ik kom; gaat u homberen!”

„Ik kan niet anders,” zei hij zacht en vertrouwelijk. „Als ik papa kon weigeren.... maar hij zou woedend zijn.... je weet, van ouds, Lena, dat hij er nu eenmaal niet buiten kan.”

Zij haalde de schouders op en liep terug naar de binnengalerij. George keek haar ’n oogenblik na; ’n lief figuurtje! iets van onder ’n stolp te zetten; iets wat hij altijd heel mooi had gevonden om.... te zien; maar voor de rest niets.

Het werd laat. De oude heer Bruce ging uit de sociëteit altijd voor middernacht naar huis, maar als hij ten zijnent ’n partijtje maakte, werd het geregeld twee uren, halfdrie.

Toen ze „den laatsten” hadden gespeeld, had Vermey ’n paar kapitalen verloren, die de gastheer won.

„’t Is niet erg beleefd van me, hé?” zei deze met ’n glans van vergenoegen op z’n gezicht. Niet om het geld, want dat had hij niet noodig, maar hij won zoo graag.

„Neen je hadt me er eigenlijk twee moeten betalen.”

„Ongelukkig in het spel...,” debiteerde de man van de aardigheden en de rekenkunstige vraagstukjes met ’n gezicht vol satisfactie over z’n eigen geestigheid.

„Ja, ja,” lachte Bruce, „dat zeg ik ook, en dat is toch maar ’t ware voor jonge menschen.”

Ze lachten alle drie; ze wisten er alles van, gelijk er onder de dames ook niemand onbekend was met wat in de lucht hing tusschen Vermey en Lena; ze zinspeelden er op zonder er over te spreken en begrepen elkaar volkomen.

Maar bij de dames was het anders; zij hielden zich heel onnoozel; Lena merkte niettemin heel goed, dat zij allen wisten, wat iedereen scheen te weten; wat een soort straatgeheim was. Maar ieder harer veinsde zorgvuldig een volslagen onbekendheid; zij wilden de gelegenheid niet laten voorbijgaan om later haar verwondering te uiten; haar beleedigende verwondering, die voor Lena, reeds over de twintig, moest beduiden: „gut; is er om jou nog ’n man gekomen,” die voor jonger meisjes beteekent: „permitteert zoo’n nest zich ook al te trouwen?”

De heeren hadden nog graag ’n beetje nagepraat, maar dat gedoogden de dames niet; zij zaten al met haar sorties in de hand en eenigszins ontevreden te wachten, omdat het wéér zoo schandelijk laat was geworden.

George drukte voorzichtig en met geaffecteerde teederheid het handje van Lena; met glimlachjes, om zijn hagelwitte tanden te laten zien, en ’n overvloed van innigheid in zijn geheele houding, nam hij afscheid, en nog telkens op de trap van de galerij keerde hij zich om en groette met hoed of hand.

Het was nu voor de gasten een uitgemaakte zaak; ze bespraken haar onder ’t naar huis rijden als een feit; en zoo bazuinden zij ’t rond den volgenden dag.

VIERDE HOOFDSTUK.

„ZOO’N BRUTAAL, KLEIN DING!”

Langzaam, doodmoe, met loodzware beenen, die anders toch zoo’n gewicht niet vertegenwoordigden, ging Lena de trap op naar boven. Haar vader was, na het vertrek der gasten en met een buitengewoon vriendelijken groet dadelijk naar zijn kamer gegaan, zij had gewacht tot de bedienden gereed waren met het wegruimen van den boel, het uitdoen van de lichten en het sluiten van het huis; intusschen had zij zich ontkleed, en nu alles in orde was, sloeg de klok, sterk resonneerend, drie metalen slagen in de holle achtergalerij, waar ’n nachtlichtje op de eettafel brandde, zij keek er over de leuning op neêr, onder ’t naar boven gaan; het zag er niets feestelijk uit, de hooge grijze zolder met de vele balkjes, de vloer van roode steenen, de witte muren met breede zwart geteerde randen van onder, ’t had bij het flauwe lichtje en bij de lange schaduwen der meubels iets armoedigs, iets naars, dat erg ongunstig afstak, bij de prachtig verlichte voorgalerij met marmeren, dikke pilaren en fraaie sierplanten, waarin zij den heelen langen avond had gezeten, en die bij lamplicht iets vorstelijks had.

’t Was dus al drie uur!

„Wel?” vroeg haar moeder, toen ’t meisje de kussens had opgeschud, tusschen twee zagende en steunende ademhalingen. „Wel?”

Maar Leentje was knorrig.

„Och niets, ma! Ik ben vreeselijk moe. Ik heb zoo’n slaap.”

„Hoe was hij?”

„Hij is gek, geloof ik,” zei ze, haar coiffure losmakend en neêrvallend op den divan; haar moeder deed nog een vraag, gedreven door overweldigende nieuwsgierigheid; maar ze gaf geen antwoord meer.

Toch sliep ze niet dadelijk in. Hoe weinig zij ook gevoelde voor Vermey; hoe vast ’t ook bij haar stond zijn aanzoek af te wijzen, en hoezeer haar plan door zijn naar haar idee, misselijk pedante houding, in niets aan ’t wankelen was gebracht,—toch had het geval haar zenuwachtig gemaakt nu en dan. ’t Was gekomen uit het bewustzijn, dat daar een man was, die haar wilde hebben, voor ’t leven en voor alles; dàt had toch ook op haar zijn uitwerking niet gemist; zij had er den gek mee gestoken; zij had zoowat ’n loopje met hem genomen; zij dacht geen haar beter over hem, dan vroeger; zij zou niet met hem willen trouwen,—en niettemin wist ze thans, wat ze ’s morgens nog niet wist: dat het altijd een gevaarlijk spelen blijft met vuur; zij ondervond dat nog, en ze was er woedend om, tot ze—’t was geen kwartier later—zwaar en diep ademend op den divan insliep.

Mevrouw Bruce wekte haar niet; zij had in die weinige uren nog wel eens behoefte aan de hulp van haar dochter, want de kussens waren weggezakt en zij zat ongemakkelijk, doch ze kon het niet over haar verkrijgen ’t arme kind te storen, en ze trachtte met haar doodzwakke handen zichzelf steun te bezorgen.—

Het scheen, dat men er inderdaad geen „gras over groeien liet.”

„Je moet ’reis ’n eindje gaan wandelen,” meende ’n paar dagen later haar vader, „het is zulk mooi weer.”

Dat was het ook, voor ’t eerst na eenige donkere dagen, en geheel zonder erg „liep Lena er in”; zij kleedde zich.

„Gaat u niet mee, pa?”

„Neen kind, ik heb,” loog hij, „’n beetje rheumatiek in mijn been.”

Alleen wandelde zij dan den grooten weg op. Zij had nog omgezien naar een harer broertjes, maar die waren allen reeds uit, naar het scheen. Eigenlijk ging zij met weinig opgewektheid; het was al wat laat geworden; nog een kwartier en de duisternis zou vallen, wat had ze er aan? En toen ze nog geen vijf huizen van het hare plotseling Vermey voor haar zag, die uit een zijpad den grooten weg opkwam, begreep zij er ineens alles van. ’t Gebeurde heel dikwijls, dat zij hem tegenkwam op de wandeling, en dan groette hij beleefd maar vertrouwelijk als een oud vriend van papa, die de dochter tegenkomt. Doch hij hield zich nooit op, en ze wist, dat hij dit nu wel zou doen.

Hij deed het ook. Hoeveel moeite het hem kosten zou—dat wist hij vooraf!—den juisten toon te vinden en de juiste woorden, voor wat hij te zeggen had; te zeggen tegen dat meisje, waarop hij eigenlijk niet was verliefd, dat hij gekend had en op de wangetjes getikt, toen het nog zat te kraaien in de slendang en op koddige manier allerlei maleische woorden radbraakte. Dáár dacht hij nu aan, malgré lui, en dat ontstemde hem nog meer.

Hij bloosde,—zijn malle kwaal—; hij nam zijn hoed af,—erg onhandig, vond hij; hij reikte haar de hand,—wat hij dwaas noemde bij daglicht en op den openbaren weg.

„Dag Lena, hoe gaat het?”

Zonder vergunning te vragen, liep hij aan haar zijde voort, alsof het zoo overeengekomen was, en zij vond dat goed; het moest nu maar in eens tot een einde komen; zoo hij niet wist, wat hij te zeggen had,—zij had haar standpunt terdege overwogen met wat haar te doen en te antwoorden stond.

„Goed,” antwoordde ze; en niet zonder ironie: „zooals u ziet.”

„En hoe gaat het mama?”

„Och, als altijd: dan eens wat beter, dan weer wat slechter, en op den duur achteruit.”

„Het is toch treurig.”

„Voor mijn arme moeder? O ja, zeker.”

„Natuurlijk in de eerste plaats voor mama zelf; maar ’t is voor jou toch ook geen leven.”

„Geen leven is wat veel gezegd; maar het kon beter, dat is zeker.”

„Ik hoor het weleens,” ging hij voort, „van den ouden heer.”

„Och kom? Ik dacht niet, dat pa, als hij in de sociëteit was nog om andere dingen dacht, dan zijn partijtje.”

„Hij houdt veel van je.”

„Dat mag ook wel,” zei ze schertsend. Maar hij lette er niet op; het moest er nu maar door....

„En hij is de eenige niet.”