Part 15
Vermey hoorde het; het inlandsch „knolletje” dat moeite genoeg moest doen om het rijtuig bij te houden en niet af te vallen, had een lossen hoef; hij hoorde dien kleppen achter hem aan; rechtsom, linksom, weêr linksom, rechtsom; altijd door klonk het klep-klep achter het rijtuig op den grond. Het maakte Vermey zenuwachtig boos. Wat wil de vervloekeling toch? vroeg hij zich af, en als hij bedacht, dat ze misschien brutaal genoeg zou zijn, achter hem aan zijn eigen erf op te rijden, begon het zweet hem op het voorhoofd te parelen.
„Willen we niet nog ’n eindje omrijden?” vroeg hij.
„Och neen, we moesten nu maar naar huis gaan.”
„We konden best meteen ’n paar visites maken.”
„Hoe kom je ertoe?”
„Wel, waarom niet. Je bent nu toch gekleed en de Zondag is altijd ’n geschikte gelegenheid.”
Ze keek hem aan alsof ze aan zijn verstand twijfelde.
„En het kind dan?”
Hij schrok en kreeg een kleur; ’t was waarachtig waar ook; hij had het heele kind vergeten! Dat kwam door die gemeene slet in die dos-à-dos. Neen, er was niets aan te doen; naar huis moest men, en naar huis zou men. Maar het laatste eindje zou hem dan toch heugen, zoo zat hij in de benauwdheid, en een pak viel hem van het hart, toen, terwijl zijn rijtuig van den weg afdraaide naar den ingang van zijn erf, hij het dos-à-dos paard met den lossen hoef recht hoorde doorkleppen op den grooten weg.
Met opgetrokken wenkbrauwen en een zijwaartsche beweging van het hoofd in de richting van het rijtuig van Vermey, vroeg de vrouw, die met Yps in den wagen zat, zonder te spreken: „Is het daar?” en Yps bewoog langzaam het hoofd naar beneden en weer naar omhoog. Zij zei, ook zonder spreken: „Het is daar.”
Het was alweer achter den rug, dacht Vermey, maar het was een echt quart d’heure de Rabelais geweest. „Enfin,” zoo troostte hij zich, „men moest iets hebben tot straf voor zijne zonden, en overigens was hij er zonder kleêrscheuren afgekomen.”
’s Avonds kwam Voirey heel onverwacht.
„Je moet me ’n genoegen doen,” zoo viel hij met de deur in huis.
„Natuurlijk, als wij kunnen,” zei Lena, „dan heel gaarne.”
„Neen, jij niet, maar hij.”
„Ik?” vroeg George, lachend om de haastigheid, waarmede Voirey, als gewoonlijk ook nu weer, handelde en sprak, „wel gaarne dat spreekt.”
„Je moet voor me op reis.”
„Waarheen?” vroeg Vermey, bang, dat de excentrieke man hem wellicht naar Amerika zou willen zenden.
„O, niet ver. Naar Oost-Java en naar Midden-Java; een quaestie van ’n maand op zijn hoogst.”
Een oogenblik slechts bedacht zich Vermey. Het kwam heel lastig uit met zijn eigen zaken; maar als hij naging...
„Het is goed; ik zal gaan.”
Lena was naast hem komen staan; zij vond het ook goed, al was het naar, dat zij zoo’n heele maand zonder haar man zou moeten zijn.
„Wanneer moet George vertrekken?” vroeg zij.
’n Beetje aarzelend nu, zei Voirey, die reeds gewoon was aan de scrupules van hollandsche en indische menschen:
„De boot gaat morgenochtend.”
„Dan zal ik dadelijk zijn koffer pakken,” zei Lena.
„Intusschen,” voegde Vermey er heel bedaard bij, „hoor ik wel van je, wat er aan de hand is, en wat ik daarginder te doen heb.”
Ze vielen beiden Voirey weer verbazend meê; hij glimlachte en knikte tevreden, en haalde uit zijn rijtuig een portefeuille met papieren; staten, afrekeningen en opgaven, die hij Vermey voorlei, en kort, klaar en krachtig toelichtte.
Ja, de quaestie was eigenlijk deze: Voirey kreeg den indruk, dat hij bestolen werd; dat de onkosten-rekeningen der ondernemingen waarin hij betrokken was, en waarin gezamenlijk een groot deel stak van z’n vermogen, werden opgedreven.
Vermey hoorde, bekeek met een hoogwijs gezicht de papieren, daarbij nu en dan ’t hoofd schuddend met een pedant, slim glimlachje.
„Waarom lach je?” vroeg Voirey, wien dat hinderde.
„Och, zoo maar.”
„Wees openhartig. Waarom trek je tegen die paperassen een gezicht alsof je er meer van weet?”
„Ik weet van deze zaken niets in het bijzonder.”
„Welnu, zanik dan niet.”
„Maar ik weet dat over het algemeen de uitgaven jarenlang zijn opgedreven.”
„Dat helpt mij niet veel. Hier moet er een eind aan komen.”
„Onmogelijk.”
„Het moet. Anders ga ik er zelf naar toe en dan....”
„Dan doe je nog niks. ’t Behoeft ook niet. Laat ze maar ’n beetje de vrije hand. Tot op zekere hoogte is het niet anders mogelijk.”
„En overigens?”
„Er moet niet worden overdreven. Ik zie hier enkele cijfers, die onverantwoordelijk brutaal zijn. Daaraan zal ik een einde maken.”
„En waaraan nog meer?”
„Aan alles wat buitensporig is of als zoodanig wordt berekend. Geloof me, ik ben met die zaken bekend.”
„Dat weet ik; daarom wenschte ik, dat jij erheen ging.”
„Goed, maar verlang niet het onmogelijke. Ze moeten wat speling hebben, hier en daar. Binnen de grenzen van het redelijke weet een verstandig man....”
„Jawel, dat is mij ook bekend. Denk je misschien, dat ik daar anders over dacht?”
„Dus laat je het verder aan mij over. Ik zal aan boord die stukken nog wel wat meer van naderbij bekijken.”
Ze praatten nog lang en stelden in het ruwe en bij benadering eenige cijfers vast, die tot algemeenen grondslag voor Vermey konden dienen.
„Als ik je niet meer zie, dan tot over ’n week of vier!”
„Adieu, telegrafeer me maar. Ik houd meer van telegrammen dan van brieven.”
Vermey knikte; hij kende hem wel daarvoor; altijd even heetgebakerd.
„Je zult het wel erg stil hebben al dien tijd,” zei George tot Lena, toen ze zijn koffers gepakt had.
„Bekommer je niet om mij; de kleine geeft me de handen vol. Een maand is gauw voorbij.”
„Ga je meê morgenochtend?”
„Zeker; het is ’n geschikte gelegenheid om eens naar Priok te gaan; ik ben er nog in het geheel niet geweest.”
„Dat is waar ook.”
Het was ’n heele drukte den volgenden ochtend, net of Vermey ’n groote reis ging doen. Priok was nog niet veel meer dan een station en een kade met ’n enkele loods; het groote voordeel leverde het op, dat men zoo van den wal in de boot kon stappen. Bij wijze van compensatie was het gruwelijk warm op de kade, waarvan de groote grijze steenen den zonnegloed met verdubbelde intensiteit terugwierpen.
Toen de boot naar het midden afdeinsde, stond George boven op het achterdek, en wuifde Lena goeden dag. Wat zag ze er toch kostelijk uit! Het was een lust tegenwoordig haar te zien, zoo dik en flink werd ze. Hij merkte het op vol bewondering en genoegen. ’t Was net of ze eerst moeder had moeten worden om tot haar recht te komen; zoo iets had hij nog nooit bijgewoond. Hij dacht daarover na, nog kijkend uit de verte en toen ze reeds bijna buiten de haven waren, naar het punt waar Lena had gestaan.
Zij was alweer in den trein, die terug zou stoomen naar Weltevreden. ’t Onaangename van het onbestorven weduwe-zijn ’n maand lang, werd voor haar ver overtroffen door het genoegen, dat Voirey zooveel vertrouwen in haar man bleek te stellen.
Dat verheugde haar bovenmate.
Zij had zoo’n schrikkelijken hekel aan de mannen hunner vrouwen. Haar heele jeugd was vol van het beeld van een vader, die een nul in huis was en dan nog wel ’n lastige, vervelende nul. Ze had nu wel geweten, dat George zóó niet was, doch ze had zich vroeger toch nooit durven voorstellen, dat hij in zaken een man van eenige beteekenis zou kunnen zijn. En het scheen haar toe, dat dit al aardig het geval begon te worden.
De eerste acht dagen gingen voor haar heel gauw om. Ze had zich plotseling herinnerd, dat ze nog erg veel achterstand had in allerlei werkzaamheden voor haar zelf en het huishouden, en dat ze ook wel eens mocht zorgen voor vernieuwing der garderobe van haar broertjes, die nu op een kostschool waren; dat ze ook wel iets moois mocht maken voor een harer groote broers, die haast jarig was.
Kortom, zij en haar inlandsche naaister hadden handen vol werk, en aan den eenen kant vond zij het wel prettig dat ze nu zoo heelemaal het rijk alleen had, en zich aan haar arbeid geheel kon wijden. Doch terwijl ze zoo in de drukte zat kwam er iets onaangenaams tusschen. Het was een lekkere ochtend; koel met een bedekte lucht; ze zat op haar rieten stoel, dicht bij de meid, die op een mat met de gekruiste beenen onder zich zat; de naalden gingen lustig op en neêr; nu en dan snorde de naaimachine er tusschen, en van tijd tot tijd sprak Lena tegen haar naaister, die dan meest met slechts enkele woorden of ’n eenvoudige interjectie, al voortwerkend, antwoordde.
„Wat scheelt zij?” vroeg mevrouw Vermey, opkijkend in de richting der bijgebouwen.
„Misschien ziek.”
„Goede God,” zuchtte Lena, „wat ’n gezeur; nu schoot ik zoo goed op met het werk, en nu kan ik me weer met de keuken gaan bemoeien.”
Ja, kokki was ziek! En om te doen zien hoe ziek ze was, had ze hare haren niet gekamd, maar liet die verward om het hoofd zwieren, en had ze haar oudste baadje aangetrokken met slechts één mouw erin: zóó kwam ze naderbij met strompelpassen als ’n geit, maar heel langzaam, en ze ging zitten op een der treden die naar de achtergalerij voerden, en ze zei dat ze zoo ziek was, zoo sakit keras; wat ze had wist ze eigenlijk zelf niet; ze voelde zich zoo slap en zoo machteloos; ze was niets koewat hoegenaamd, en ze wou om beter te worden voor ’n dag of acht naar de oedik gaan en zoo lang iemand in haar plaats stellen, ’n ganti.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HET TELEGRAM.
Vermey schrikte geweldig en werd doodsbleek.
Hij zat juist zoo lekker te genieten van het eerste koeltje, dat na een snikheeten dag over de vlakte streek, waarop de suikerfabriek was gebouwd. Zijn commissie was gegaan als van een leien dakje. Hij had het op z’n indisch aangepakt; heel kalm en zonder onaangenaamheden, wetend te leven en te laten leven, maar voet bij stuk. Op die manier had hij al heel wat bezuinigingen erdoor gekregen en Voirey had daags te voren getelegrafeerd, dat hij over zijn cijfers tevreden was. Over acht dagen zou hij gereed zijn en weêr naar huis kunnen. In het behaaglijk gevoel van zoo goed als klaar te zijn en met succes, dacht hij, liggend in een luierstoel, en zijn lange beenen met genot uitstrekkend in den aanwakkerenden luchtstroom, aan zijn terugkeer; want hoe hij ook geëerd werd en gefêteerd en hoe vleiend dit ook voor hem was in een streek, waar men hem als nederig beambte had gekend,—oost, west, dacht hij, thuis best! Dat her-en-der scharrelen onder vreemden was niet aangenaam meer voor iemand, die het zoo geregeld en comfortabel thuis gewoon was.
„Lena ernstig ziek. Kom dadelijk. Voirey.”
Daar zat hij nu op te kijken in dat nieuwe, pas ontvangen telegram, verschrikt en bleek. Een paar dagen te voren had hij nog een brief van haar ontvangen, en die was nu wel niet bijzonder opgewekt, maar ze schreef toch niets hoegenaamd van ziekte of zoo.
En nu in eens dat telegram!
Het was onbegrijpelijk! Werktuigelijk stond hij op en liep het huis binnen, waar hij den administrateur, die op het punt stond naar de fabriek te gaan, nog juist aantrof.
„Dat is ’n treurige tijding,” zei deze meêlijdend, toen hij het telegram had gezien.
„Wanneer kan ik weg.”
De administrateur dacht een oogenblik na.
„Er gaat een kustboot morgen.”
„Dan ga ik daarmeê.”
„Als u haar maar kunt halen.”
„Zou het gaan?” vroeg Vermey angstig en hij voegde er dadelijk bij: „Als het niet heelemaal onmogelijk is, moet het gaan.”
„Wist u nergens van?”
„Ik wist van niets,” en hij vertelde van haar laatsten brief.
„Er heerscht toch geen cholera?”
„Ten minste niet voor zoover ik weet.”
„Nu, we zullen naar het telegraafkantoor gaan.”
Vermey begreep dat ook; hij baadde, kleedde zich en liet zijn bediende de koffers pakken. Het was ineens een heele drukte. De vrouw des huizes was er zeer meê begaan. Men raadde naar wat het toch wezen kon, en een half uur later zat Vermey in een rijtuig met den administrateur. De telegrafische regeling voor de postpaarden, die gestationneerd moesten worden, gelukte. Den heelen avond en nacht reed hij door, hotsend in den reiswagen en erg vermoeid. Op ’t laatst kon hij zelfs niet meer denken, laat staan zich ongerust maken over de ziekte zijner vrouw; hij viel in slaap ondanks alles.
En toen hij wakker werd, nam hij het geval bedaarder op; wie weet was het wel zoo erg niet; misschien deed Voirey het meer omdat hij bij ziekte geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor eens anders vrouw. Ook aan boord van de kustboot paaide en troostte hij zich met die gedachte, waarin hij zeer versterkt werd.
Hij had het telegram des onheils laten lezen aan den kapitein, en die had hem ook moed ingesproken.
„Het is meestal ’n beetje overdreven, meneer,” had de kapitein gezegd.
„Is ’t waarlijk?”
„Wel zeker; van de tienmaal, dat ik passagiers heb, die reizen op zulke telegrammen, loopt het achtmaal gelukkig goed af.”
„Hoe komt men er dan toe te telegrafeeren?”
„Het zijn de zenuwen; men maakt zich spoedig ongerust, en denkt al gauw; er kon eens iets gebeuren.”
„Dus zoudt u denken...?” vroeg Vermey, wiens aarzelend en weifelachtig karakter in zoo’n ernstige zaak weêr geheel op den voorgrond trad.
„Wel, ik zou me, als ik in uw plaats was, niet noodeloos ongerust maken.”
Verruimd wandelde George het dek op en neer. ’t Was gekheid, zich nu reeds zoo te kwellen; wie weet of zij bij zijn aankomst niet weer heelemaal beter was; nu, hij verlangde niets liever dan dat!
Maar de kapitein vroeg aan een ander reiziger:
„Kent u dien meneer Voirey?”
De andere knikte herhaaldelijk toestemmend zonder iets te zeggen.
„Wat is het voor een man?”
„U kent hem óók wel. Hij en ik hebben verleden jaar samen een reis gemaakt met deze boot.”
„Is het die.... Amerikaan, ingenieur, millionnair.... de hemel weet, wat ze toen van hem zeiden?”
„Volkomen dezelfde.”
„Bliksems!” zei de kapitein met een ernstig gezicht naar Vermey kijkend. „Zoo, is die het! Dan geloof ik, dat het er heel slecht moet uitzien met mevrouw Vermey, want die meneer.... Voirey—ik kan dien naam maar niet onthouden! zag er niet naar uit zich noodeloos bezorgd te maken.”
De andere schudde weêr het hoofd, maar ditmaal ontkennend om te bevestigen, dat hij ’t ook niet vond.
„Ik houd,” zei hij, „het mensch voor geconfisceerd.”
Het gerucht deed aan boord de ronde. Hij zal, zei men elkaar, zijn vrouw wel niet levend meer aantreffen, en die omstandigheid maakte hem tot een belangwekkend persoon; men verwonderde zich over zijn zelfbeheersching en kalmte; zelfs zij, die als de kapitein, alles daartoe hadden bijgedragen, stonden er ten slotte verbaasd van.
Bij de aankomst was er niemand en niets.
Hij had toch getelegrafeerd, dat hij kwam; maar vruchteloos keek hij rond voor het station op het Koningsplein naar zijn rijtuig.
Het was er niet, en Vermey stapte in een nog beschikbaren logements-huurwagen. Uit de verte aankomend, keek hij met sterk kloppend hart naar zijn huis; het stond daar precies zooals bij zijn vertrek, de zeilen neêr voor het zonlicht; alles netjes, en overigens niets; zelfs geen bediende op het voorerf.
Maar toen hij naderbij kwam, parallel met het zij-erf, zag hij achter, onder de loods, rijtuigen en ’n heen en weer geloop; hij schrikte er van, zenuwachtig ging hij met zijn eenen voet op de trede van het rijtuig staan, als gereed eruit te springen, wat hij ook deed bij het oprijden van het erf. De bedienden, die af en aan liepen, achter, stonden stil toen hij daar zoo kwam aanhollen, ontsteld, met zijn van nature al uitpuilende oogen haast op zijn wangen.
Toen hij Voirey zag, was het of hij lam werd in z’n beenen.
Hij greep zijn hand, die tusschen de vingers van Voirey als in een nijptang werd geknepen, zonder dat hij ’t voelde. „Jan, is ze dood?” vroeg hij schor, voor de eerste maal zijn aangetrouwden neef bij den voornaam noemend.
„Neen.... nog niet.... Er is geen hoop meer. Ze leeft nog... Kom mee.”
Voirey zei het met een strak gezicht, toonloos en met de groote moeite van ’n man, die niet huilen wil, omdat hij het kinderachtige nonsense vindt, en het toch zoo graag doen zou, en het haast niet kan laten.
De dokter zat bij het bed; hij stond dadelijk op, en zoo van het helle licht buiten in de duistere kamer gebracht, kon Vermey ’n oogenblik niets zien; dan zag hij achter de opgenomen klamboe, een smal, blauw, bleek kindergezichtje, als een vage vlek tusschen een weelderigen overvloed mooi blond haar, en een paar oogen, waaruit haast alle licht weg was; en toen hij zich bevend, dat hij zich vast moest houden, voorover boog, zag hij in het smalle weggezonken gezicht dat eerst een poging deed om tegen hem te glimlachen, het vreeselijk lijden, het merk der groote lichaamssmart, als met een mes gesneden in de scherpe trekken van het jonge wezen.
Hij wist niet wat hij zei, en hij dacht er ook niet bij, want hij kon niet denken. Hij noemde haar naam maar, telkens zacht, achtereen; en hij zag de arme verongelukte glimlach, die wegstierf, de wreede trekken van pijn en benauwdheid, die als een masker sloegen op het gezicht; de fletsche oogen, vol loopend met groote opwellende tranen, zachtjes beurde hij het hoofd op en schoof er zijn breeden arm onder; zachtjes zoende hij haar op het strakke witte voorhoofd, terwijl zijn tranen stroomden, en blonken tusschen de zachte golvingen van haar blonde haar.... hij zag niets meer, en hoorde niets meer en wist niet ’n seconde of wat later, dat het maar ’n arm, dood lichaam was, waarvan het hoofd zoo rustig op zijn arm lag. Het was hem zoo hard, zoo onverwacht op het lijf gevallen; hij kon zich niet langer bedwingen, hij had het willen uitbrullen van droefheid met dien ontzaglijken aandrang van alle oppervlakkige menschen, die ineens hun heele sentiment uitputten en er dan voor goed af zijn,—maar hij bedwong zich om haar, en schokkend, snikte hij zacht om haar niet te storen, terwijl Leentje Bruce al niet meer te storen was.
Voirey had gezien, dat het gedaan was; hij had het vertrek verlaten met ’n gezicht als van strak leder en oogen vol rooden gloed, hij was naar de kamer van Jantje gegaan, die ook onwel was, door den overgang en de minder zorgvolle behandeling, en die schreiend wakker werd.
Het kind had de handen naar hem uitgestoken en sloeg van plezier, dat hij het kwam opnemen, met z’n beentjes in de lucht.
Het was ’n aardig slim ding, waarop Voirey verzot was, al deed hij net of ’t kind hem niet kon schelen; nu nam hij het op, wat hij maar zelden had gedaan, en liep er onhandig mee heen en weer, tot de meid binnenkwam, huilende:
„Mevrouw is dood,” zei ze.
Hij knikte en gaf haar het kind.
Toen hij in de sterfkamer terugkwam, was het een heele scène, Vermey ging verschrikkelijk te keer; de dokter en eenige dames en heeren van de vrienden en kennissen, deden hun best hem te kalmeeren op een manier, die de luidruchtigheid dezer smart nog verergerde. Vermey wierp zich dwars over het bed, zoende het lijk van Lena hartstochtelijk, jammerde en snikte, en dan haalden de aanwezigen hem er weêr af, en trachtten hem onder algemeen snikken en huilen en met bedarende woorden de kamer uit te krijgen.
In een hoek stond met zijn scherp gezicht en gefronste wenkbrauwen Voirey, die het ongepast vond, en het denkbeeld niet van zich kon weren, dat daar moedwil of theatralia onder school. Toen het hem te erg werd, ging hij naar Vermey, die weêr naar het bed was gewaggeld, en hij nam hem bij den arm:
„Kom, ga mee,” zei hij.
George nam zijn natten zakdoek weg van zijn oogen, die vuurrood zagen met lichtroode kringen er omheen en terwijl hij door het tranenvlies dat zijn gezicht verduisterde heenzag, dat Voirey het was, ging hij stilletjes mee, schokkend en snikkend.
„Dood, dood! Geen woord; geen enkel woord.”
„Laten we niet spreken over bijzaken. De arme Lena is overleden; dat is het erge feit George, voor je kind...”
„En voor mij!”
„Voor jou, zeker, en.... voor mij ook.”
„Ze was alles voor me,” snikte Vermey.
Voirey kende dat; hij had een blik in het karakter van zijn aangetrouwden neef, waarvan deze niets vermoedde.
„Ben je in staat voor wat nu te doen staat te zorgen?”
Er was geen denken aan; Vermey was heelemaal tot niks in staat.
„Dan zal ik het doen.”
Even ging Voirey naar binnen, en even drukte hij de smalle hand, die op het dek lag, koud en stijf, als een stomme afscheidsgroet onder vrienden. Daarna liet hij zijn rijtuig komen en ging voor de communicaties, de advertenties, de begrafenis zorgen, met een spoed, als zat de gewone werkduivel, die hem altijd voortdreef, sterker dan ooit achter hem.
Het ging met het begraven vlug in het werk. Nog geen vier en twintig uren was Vermey terug aan den wal of reeds reed hij achter het lijk zijner vrouw den weg op naar het kerkhof. Er waren veel blijken van deelneming gekomen. Voor zoover de betamelijkheid en zijn positie als weduwnaar het gedoogden, had Vermey bij het instappen van het rijtuig zijn blik laten gaan over het erf, en terwijl hij zijn zakdoek voor den mond hield, en snikte, en beefde, dacht hij bij zichzelf, dat er zeker wel dertig wagens stonden.
Langzaam en tamelijk ongeregeld trok de stoet voorwaarts; nu en dan reden er twee naast elkaar; soms raakten gewone indische paardjes achter bij de groote stappen van Sydnyers en dan werd op ’n kort drafje de achterstand door de rest der file heel gemoedelijk eventjes bijgewerkt. Boven de neêrgeslagen kappen der mylords staken overal cylinderhoeden omhoog van zeer verschillende „oogstjaren”, zooals de vorm bewees. Menschen, die ’n ochtendwandeling maakten, stonden stil en keken of ze er ook kennissen bij zagen; dames kwamen in sarong en kabaai naar buiten; schoolgaande kinderen, wier pa’s deel uitmaakten van den stoet, keken naar hen en riepen luid een groet.
Vermey had de raampjes gesloten; hij huilde niet; het had hem dien verschrikkelijk langen nacht ook al gefrappeerd, dat hij hoegenaamd geen neiging tot schreien meer voelde als er niemand bij tegenwoordig was. Hij vond het erg warm in de kleine dichte coupé en langzamerhand kreeg een denkbeeld bij hem de overhand op alles: ik wou maar dat het afgeloopen was.
Aan het kerkhof stapte men uit en stelde zich op in een ongeregelde, zwarte groep, waarboven de echte en de gelegenheidsgezichten droevig uitkeken, meest naar Vermey, wiens persoon en allures de voornaamste punten van waarneming waren. En dit scheen op hem dadelijk een bijzonder weemoedigen indruk te maken, en zijn smart, zoo stil in de eenzaamheid van den dichten coupé, weêr tot demonstratie te doen overslaan.
De broertjes, die al aardig uit de kluiten wasten, volgden met hem; ze waren niet erg bedroefd; ze waren Lena ontwend, en ze zouden nu veel bedroefder zijn geweest als de mevrouw van de kostschool was gestorven.
Toen de kist met de baar door de dragers op de schouders was getild, volgden allen bij twee of drie, met hier en daar ’n solitair er tusschen. Zoo trok men op door de kerkhoflaantjes tot bij ’n kuil, waarin en uit de inlandsche grafbedienden met hun zwarte baadjes, neer- en opduikelden. Vermey stond het dichtste bij den kuil en de anderen in een halven kring achter hem, net of hij over hen het commando zou voeren; de inlanders haastten zich, als menschen wier dagelijksch werk dat is, met „bekwamen spoed” een touw om de kist te slaan en haar in den kuil neêr te laten. Vermey keek erin en zag het gevlamde djatihout en het glinsterend pleet, dat het lijk van Lena omsloten hield, tusschen de enge steile wanden van morsige roode aarde, terwijl de inlanders die beneden waren geweest om te zorgen, dat de kist goed neêrkwam, zich, vlug en met clownachtige bewegingen, naar boven werkten.
Afkeer van en angst voor den dood sloeg hem om het hart. Wat was dat toch verschrikkelijk!
En al kijkende nam hij werktuigelijk van het presenteerblad dat een bediende hem aanbood, een hand vol mooie frissche rozen, die hij bevend liet vallen op de kist, waar haar heldere kleur dadelijk verdofte door de reflectie der vochtig glimmende, roodbruine aardwanden.