Part 14
„Ja,... toen! Maar dat is nu heel anders.”
„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel heeren!”
„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”
„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”
Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte tegen haar.
„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen naar de muziek luisteren.”
„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”
Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest, hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat zou zijn geweest.
Dan, wat kon ze er aan doen?
„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een uurtje.”
„Doe het.... wezenlijk!”
„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren. Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw weer naar huis.”
Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in den wachtenden mylord zat.
Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant. Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was, en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een partijtje te kunnen maken.
Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.
Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een hardnekkige veine en kreeg toen het uit was, van iedereen een betaling, die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver het fiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen krijgen over zulk „grof” spel.
Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig, maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die nogal eens deed, wat hij niet doen moest.
„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.
„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”
„Blijf je dan nog?”
„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”
’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule, carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende langs de banden.
Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, die bretelles droeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.
Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch het verveelde hem al heel gauw; hij ging opzij van de zaal op het galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard. Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.
Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant; eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem, alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen physiologischen invloed.
In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was. En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.
Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.
Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude wipstoelen tot pièce de milieu, en anders niets.
Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.
„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.
„Heb op jou gewacht.”
„Nou ja!”
„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande, ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had en dat hij toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!
Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon, schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst, en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.
Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en weer bengelend, was Yps, toen hij heen ging, blijven zitten op den rand van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie, die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.
Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en gedrag, dat de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige sluimering bij was.
Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij; zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.
„Zoo, ben je daar?”
„Ja,.... het is wat laat geworden.”
„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”
„Ben je vroeg naar bed gegaan?”
„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”
„Ik niet; ik ben moe.”
„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”
Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.
Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar lippen had gedrukt.
„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.
Hij boog zich naar haar voorover.
„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren mee naar huis brengt.”
„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en tabak.”
„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op z’n beurt, dat er, hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren getrokken in z’n haar en z’n kleeren.
„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”
Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging, en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem, naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest was gekomen, en hij nam wat hij vond.
Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag, voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke staaltjes van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later, tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.
Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade gedachten te komen.
Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.
Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.
Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest; hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat..... die..... zoo’n....., de eene uitdrukking, die hij in gedachten Yps naar het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen zouden er nooit in gezet worden!
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
OP REIS.
Jan de Eerste was gedoopt, en Voirey, schoon in principe van ceremonieel afkeerig, was erbij geweest. Onder de preek had Vermey bij zekere zinspeling in algemeenen zin, ’n kleur gekregen, want hij meende dat Voirey hem verdacht aankeek, wat louter verbeelding was van zijn kant. Er waren eenige vrienden en kennissen komen dineeren; het was een aangenamen, opgewekten feestdisch geweest. De postbode had intusschen zijn brieven en couranten gebracht; hij had die, wijl er gezelschap was, op z’n kantoor laten brengen. Nu de lui weg waren, zou hij even zien, wat er was gekomen. Warm, en toch in eene behaaglijke stemming door het fijn dineetje en den dito wijn, kwam hij fluitend zijn kamer uit, met ’n verhoogde kleur tot in den nek, die hem bij ’t gaslicht iets militair-achtigs gaf, z’n kabaai open en ’n sigaret in de hand. Langzaam met zijn sloffen kletsend op het marmer der binnengalerij, ging hij naar zijn kantoorkamer, waar de hanglamp brandde en, binnen den lichtkring door den rand geteekend op ’n stuk heldergroen laken gedeeltelijk omlijst door gewast hout, ’n hoopje brieven en couranten lag.
Ineens was zijn plezier weg.
De bovenste brief was van dat canaille! Dat kwam nu zelfs zijn gemoedelijke vreugde en zijn innig welbehagen verstoren op dezen dag! Hij pikerde erover het epistel ongelezen tot snippers te herleiden en in de papiermand te gooien. Doch hij zou dan eigenlijk niet anders doen dan een bewijs voor zichzelf geven van kinderachtige vrees.
Natuurlijk was het een bekende soort epistel; alleen nu een beetje meer op den man af. Hij overwoog wat te doen, en eindigde met te besluiten die beroerde zaak maar op zijn beloop te laten. Het zou haar ten slotte wel beginnen te vervelen, dat briefjes schrijven!
Het verveelde haar reeds lang.
Zij verbeet zich van woede; zij had er zoo vast op gerekend, dat hij terug zou komen; de eene week na de andere had ze hem gewacht, maar hij kwam niet; het geld, dat hij haar had gegeven, was reeds lang op; zij leefde als het ware van de hand in den tand; ze kreeg bezoeken en ze bracht er; dat deed ze om te leven, met de grenzenlooze onverschilligheid van vrouwen van haar soort. Maar ze had altijd de illusie voor oogen van het mooie huis en de ruime middelen, waarover ze zou beschikken, als ze weêr de huishoudster was van Vermey. In haar bekrompen verstand had ze zich daar ’n voorstelling van gemaakt; ’n tot in de kleinste bijzonderheden heel duidelijke voorstelling; uren lang kon ze daarover liggen denken, daarnaar liggen verlangen; er was niets sexueels in dat gedachten-kringetje; die kant van het leven interesseerde haar in het geheel niet meer en om Vermey, qua man, gaf ze geen haantjesduit. Het was de verwezenlijking van wat zij droomde als haar eenig geluk en dat moest haar Vermey bezorgen. Het had haar altijd vaag voorgestaan, nadat hij haar de eerste maal uit zijn huis had gestuurd,—thans was het een idee fixe; dia poenja mau.
Maar hij kwam in het geheel niet, en liet niets van zich hooren! Toen hij ook geen antwoord gaf op haar laatsten brief, verviel zij in vlagen van woede. Zij ranselde haar moeder, en beet haar zuster, die ook al tot haar last was gekomen, omdat zij zich bij haar man, een opzienertje op een land, zoo slecht had gedragen. Eindelijk was het haar moeder, de oude inlandsche vrouw van de bekende eigenaardige opvattingen, die uit moest om informaties in te winnen.
Ja, dat had zij wel gedacht! Het was zijn vrouw weer!
’t Was dat kleine leelijke wijf met haar krommen neus net als een kakatoewa en haar groote voeten. Wat een vent, was hij toch, dacht Yps, om zich zóó te laten vasthouden, door zóó’n onooglijk mensch met oogen als een ikan gaboes en haar van kleur als een geitensik!... Er schoot haar iets te binnen! Die mevrouw Vermey bezat ongetwijfeld geheime middelen, waarmede zij hem betooverde. In haar bijgeloovigheid vatte dat begrip wortel; dàt moest het zijn; anders was het onmogelijk, dat „Sors” de voorkeur gaf aan zoo’n leelijk schepsel boven haar slanke gestalte, haar veerkrachtige ronde vormen en haar mooi oostersch type. Zij bekeek zich in haar verweerden en zwaar bespikten spiegel met welgevallen en woede. Och, dat was het niet; dàt kon haar ten slotte niet schelen. Lichamelijk schoon was voor haar slechts een handelsartikel vrij van lasten en rechten; een gemakkelijk middel om zoo goed en kwaad het gaan wilde in het levens-onderhoud te voorzien; de rest was niets! Maar dat lekkere leventje, dat ze zich tot vast doel had gesteld,—dáárop kwam het aan; en dàt onthield haar dat serpent door haar toovermiddelen.
Lena was niet alleen geheel hersteld, maar ze fleurde op en zag er zoo gezond en goed uit, als Vermey bij zichzelf moest erkennen, dat hij haar vroeger nooit had gekend. Het verheugde hem bovenmate; zij maakten weer visites en ze ontvingen; het kind hinderde hem veel minder, dan hij gedacht had, en na de reactie, die hem voor zijn zoon vrij onverschillig had gemaakt, ontstond bij diens kleine ontwikkeling een groote belangstelling, opgewekt en gaande gehouden door Lena, die als alle moeders, geheel onbewust, de kleintjes min of meer aan de vaders doen kennen. Ze zouden voor het eerst weer eens ’s middags naar de muziek gaan. Lena had veel werk gemaakt van haar toilet; grijs en blauw waren kleuren, die haar altijd goed hadden gestaan; haar hoed, haar japon en haar parasol waren met fijne maar frissche nuances van die kleuren opgemaakt; het deed haar minder klaren tint zeer veel goed en de door het friseer-ijzer verkregen krulletjes stonden haar voortreffelijk.
„Je ziet er uit om te stelen,” had George gezegd met trots, en innig verheugd, dat dit alles in de praktijk zoo meêviel.
„Dat is nu maar gekheid,” antwoordde Lena, wier kalm verstand door niets was te verschalken. „Ik weet heel goed, dat ik niet mooi ben en ook niet om te stelen. Maar het hoedje staat me goed, daarin heb je gelijk, en.... zich goed te kleeden zegt ook iets; dat is ook ’n kunst.”
Hij hielp haar in den wagen; toen hij had gezien, dat Lena zooveel werk maakte van haar toilet, had hij zich ook in ’n heel jeugdig splinternieuw fantasiepak gestoken. Wel had hij eerst geaarzeld, en zich de vraag gesteld of zoo iets nu eigenlijk wel stond voor ’n chef. Maar toen hij bedacht dat X. en Z. het ook deden, die zooveel grooter zaken hadden dan hij, was hij over het bezwaar heengestapt.
Men keek naar hem, dat was duidelijk. George daardoor gevleid, sprak voortdurend tegen haar met vriendelijke en vroolijke lachjes zijn witte tanden toonend en heelemaal den jongen galanten man voorstellend, zoodat in de andere wagens met zeker welgevallen, soms ook niet zonder nijd en afgunst, dat aardige jonge menschenpaar werd aangeduid, dat reeds een kindje had en niettemin de wittebroodsweken simuleerde.
De lucht was opgefrischt, toen ze naar huis reden; het licht verviel van grijze in zwartige tinten met een snelheid, waardoor men als het ware den avond ziet vallen in den tijd van den vroegsten zonsondergang. De koelte onder het rijden deed hen goed.
„Hoe is het je bevallen?” vroeg George.
„O, uitstekend. Het is zoo aardig, weer eens om dezen tijd te toeren, als men het in lang niet heeft gedaan.”
„Dat kan ik best begrijpen, en dan zonder....”
Zij knikte hem glimlachend toe.
„Juist! Het is alsof alles nieuw is geworden.”
„Ik kan het begrijpen,” herhaalde hij; „ik kan het begrijpen.”
Maar hij begreep het in het geheel niet; hij reed daar jaar en dag minstens zestig maal in de maand langs, en hoe men dat als nieuw kon vinden was hem te hoog.
Lena ging door met praten; zij had nooit zichzelf zoo krachtig voelen leven; zoo’n vreugde geput uit het enkele feit dat ze bestond; ze trok haar schouders terug en wierp het hoofd achterover in een trotsch gevoel van behaaglijk „zijn.”
„Het is zoo heerlijk,” zei ze. „Ik ben zoo blij, dat ik me zoo wèl gevoel.”
„Ik niet minder,” zei hij dubbelzinnig.
„Je bent een egoïst,” verweet zij schertsend.
„Ik hoop dat je dat zoo erg niet vindt,” plaagde hij.
„Schei er nu uit, George; je bederft me waarachtig het plezier van dit heerlijke toertje met je eeuwige plagerij.”
„Had ik dat geweten?....” riep hij quasi teleurgesteld uit.
Zij lachten er allebei om, en Lena, die haar mond niet kon houden, maar in dit groote genot van haar, voor het eerst in haar leven, vol opkomende levenskracht een onweerstaanbaren drang tot spreken voelde, ging door met in korte zinnetjes uit te drukken, wat ze ondervond; hoe heerlijk dit en dat was; hoe fraai het uitzicht links en rechts.
Vermey luisterde er niet meer naar; hij antwoordde met „ja’s” en „zeker’s” en zoo, zonder te hooren wat zijn vrouw zei; zijn aandacht was heelemaal afgeleid door een huur-dos-à-dos, die aan zijn kant geruimen tijd naast zijn rijtuig gelijk op had gereden en er nu achter was gekomen. Hij had met een half oog gezien, dat Yps erin zat met nog een andere vrouw. Even had hij haar aangekeken en toen weêr verschrikt voor zich. Wat keek „dat beest” valsch!
Dien indruk kreeg hij; niet dat ze boos of verontwaardigd keek; ze keek valsch, valsch als een inlander, die op ’n zeker oogenblik ’n moord zou kunnen doen.
Zij sprak niet met de vreemde vrouw in de dos-à-dos.
Alleen gaf ze den koetsier last achter den wagen te blijven.