Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 9
Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad, en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door 't water moesten kunnen glijden als visschen.
Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.
De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.
Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.
Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als het licht werd.
De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land, voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.
Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.
"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, die naar zee leidde.
Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen was gegaan.
De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken om te zien, of hij het werkelijk was.
"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat was heelemaal zoo niet bedoeld."
In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.
Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.
"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad beschut," meende hij.
Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, en hem wenkte.
"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal verbluft.
"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij, want hij zag, dat de heele man van hout was.
Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn, en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.
In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:
Ik vraag u nederig, Al is mijn stem ook zwak, Kom, leg een penning neer, Maar neem mijn hoed dan af.
O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.
De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?
Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, en stopte hem daaronder.
Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:
"Wat ben jij voor een snuiter?"
De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:
"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op 't linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein neergezet als armenbus."
Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de houten man zei: "Uwe Majesteit." Want nu hij er over nadacht, wist hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad gesticht had. 't Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij tegen zijn zin mee te doen gekregen had.
"Je antwoordt flink," zei de bronzen man. "Kun je me nu ook zeggen, of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, zal ik hem wel mores leeren." En bij die woorden stootte hij zijn stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.
"Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien," zei de houten man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in 't hout. Maar hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: "Maar uwe Majesteit is op 't verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf te loopen en zich daar te verstoppen."
"Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen zien meer dan twee, Rosenbom."
Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:
"Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en vermolmd, en kan 't niet verdragen me te bewegen."
De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag tegengesproken worden.
"Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?"
En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden klap op zijn schouder. "Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, Rosenbom."
Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen de jongen ze van boven af zag. "'t Was toch nog niet zoo verkeerd, dat ik ze voor zeespoken hield," dacht hij.
"Waar vindt je 't het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?" zei de bronzen man.
"Zoo'n klein ding, als hij, zou zich wel 't beste in de modelzaal kunnen verstoppen," antwoordde de houten man.
Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening van de Zweedsche marine gebouwd waren.
Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, die op lange, slanke visschen leken.
Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds meer verbaasd.
"Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!" sprak hij.
Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En Rosenbom, de opperbootsman van de "Driestheid" vertelde wat hij wist van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, en hoe 't met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.
Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel verstand te hebben.
"Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier," zei de bronzen man. "Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier heb ik pleizier in, Rosenbom."
Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.
Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.
De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen zoo goed mogelijk te maken en te verbeteren, die ter verdediging van het vaderland moesten dienen. 't Kan niet ontkend worden, dat de jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat alles hoorde praten.
't Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar voor hem stonden.
Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: "Neem je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in den strijd voor het vaderland geweest."
En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn houten hoed af en riep:
"Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!"
"Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar wat is dat nu, Rosenbom?"
Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, en zwaaide die hoog in de lucht en riep: "Hoera voor jou, Langlip!"
De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in 't oog, en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.
IX.
DE REIS NAAR ÖLAND.
Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, die even oud en wijs scheen als Akka zelf:
"Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar 't noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt."
Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.
Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen zouden aan gidsen geen gebrek hebben.
Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa's, die tot aan den horizon neerhingen, en 't uitzicht verhinderden.
Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. 't Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.
't Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. 't Was, als volgden ze een gebaanden weg. 't Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.
De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.
"Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!" zei hij in zichzelf. "Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!"
Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.
Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.
Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.
"Schutters! Schutters! Schutters in booten!" riepen ze. "Vlieg hoog! Vlieg weg!"
Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in 't geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schot op schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.
't Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!
Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: "Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?"
En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: "We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!"
De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.
"Haast je zoo niet!" riepen de eenden toen. "Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!"
"Er is genoeg voor jelui en voor ons," antwoordden de duikeleenden.
Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa's witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.
Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.
Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. "Pas op!" riepen zij. "Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in 's hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland."
Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. "Kijk nu die pijlstaarten eens!" klonk het in den nevel. "Jullie gaan naar de Noordzee terug!"
"Past op, grijze ganzen!" riep iemand van een anderen kant, "als jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!"
Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden laten lokken. Maar zij, die 't moeilijk hadden--dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.
"Waar moet jelui heen, vrienden?" riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.
"Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest," zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.
"Dat is toch te erg," zei de zwaan. "Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen."
En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in den mist.
Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.