Niels Holgersson's Wonderbare Reis

Chapter 40

Chapter 402,357 wordsPublic domain

"Ja, ik weet wel, dat u 't goed zult zeggen," zei Asa. "Ik wou alleen maar, dat u dat eene niet zei."

Ze gingen het huis binnen, en de jongen had graag willen hooren wat ze daar in de kamer bepraatten, maar hij durfde niet op de plaats te komen. 't Duurde niet zoo heel lang, voor ze weer buiten kwamen, en toen brachten Vader en Moeder hen naar het hek. 't Was opmerkelijk hoe blij ze nu waren. Ze zagen er uit, alsof ze opnieuw begonnen te leven.

Toen de gasten weg waren, bleven Vader en Moeder nog aan het hek staan om hen na te zien.

"Ja, nu ben ik niet bedroefd meer," zei Moeder, "nu ik zooveel goeds van Niels heb gehoord."

"Maar ze vertelden toch niet zoo heel veel van hem," zei Vader nadenkend.

"Was het niet genoeg, dat ze alleen hierheen kwamen om te zeggen, dat ze ons wilden helpen, omdat Niels hun zoo groote diensten had bewezen? Ik vind, dat je hun aanbod had moeten aannemen, Vader."

"Neen, Moeder. Ik wil van niemand geld aannemen, niet als geschenk en niet te leen. Ik wil van mijn schulden af komen, dàt allereerst, en dan zullen wij ons wel weer opwerken. We zijn toch nog niet zoo stokoud, wel Moeder?" En Vader lachte hartelijk, terwijl hij dat zei.

"Ik geloof, dat je 't nog prettig vindt deze hoeve te verkoopen, waar we zoo aan gewerkt hebben," zei Moeder.

"Je begrijpt toch wel, waarom ik lach," zei Vader. "Dat ik dacht, dat onze jongen verloren was, drukte me zoo, dat ik heelemaal machteloos ben geweest, maar nu ik weet, dat hij leeft en zich goed gedraagt,--nu zul je zien, dat Holger Nielsson nog wel wat kan!"

Moeder ging in huis, maar de jongen kroop zoo gauw hij maar kon, weg in een hoek; want Vader kwam den stal binnen. Hij ging naar het paard en nam, zooals gewoonlijk den zieken poot op, om te zien of hij niet kon ontdekken, wat er aan scheelde.

"Wat is dat?" zei Vader, want hij zag, dat er letters op het hoefijzer waren ingekrast.

"Neem het ijzer uit de hoef!" las hij, en keek verbaasd en vragend rond. Toch begon hij te kijken en te voelen onder aan de hoef.

"Daar geloof ik zoowaar, dat iets scherps zit," mompelde hij na een poosje.

Terwijl hij met het paard bezig was, en de jongen in een hoek van den stal weggedoken zat, kwamen er weer andere bezoekers op de hoeve.

't Was namelijk zoo gegaan, dat nu Maarten de ganzerik, zóó dicht bij zijn vroeger thuis was, hij de lust niet kon weerstaan, om zijn vrouw en kinderen te vertoonen aan de oude kameraden op de boerderij. Hij had eenvoudig Donsje en de kleine gansjes meêgenomen, en was er heen gewandeld.

Er was geen mensch op de hoeve bij Holger Nielsson toen de ganzerik er aankwam. Hij streek dus heel kalm neer, en liep rustig rond, en liet Donsje zien hoe heerlijk hij 't had gehad, toen hij nog een tamme gans was. Toen ze de heele plaats hadden bekeken, merkte hij, dat de deur van den koestal open stond.

"Kijk hier nu eens in!" zei hij, "dan zul je zien waar ik vroeger woonde, dat is heel wat anders, dan je in moerassen op te houden, zooals we nu doen."

De ganzerik stond op den drempel en keek in den koestal. "Er is hier geen mensch," zei hij. "Kom mee, Donsje, dan zal ik je het ganzenhok laten zien. Wees maar niet bang. Het is hier heelemaal niet gevaarlijk."

Toen gingen de ganzerik, Donsje en alle zes de jonge gansjes regelrecht het ganzenhok in, om te zien in welk een pracht en heerlijkheid de groote witte had geleefd, eer hij zich bij de wilde ganzen aansloot.

"Kijk, zoo was het hier. Daar was mijn plaats, en daar stond de voederbak, die altijd vol haver en water was," zei de ganzerik. "Wacht eens, er zit nu ook nog wat in," en hij liep gauw naar den bak, en begon van den haver te smullen.

Maar Donsje was onrustig.

"Laat ons nu weer naar buiten gaan," zei ze.

"Nog maar een paar korreltjes!" zei de ganzerik. Maar meteen gaf hij een schreeuw, en vloog op den uitgang aan. Maar het was te laat. De deur klapte dicht, de huismoeder stond buiten, en deed den haak er op. Ze waren opgesloten!

Vader had een scherp stuk ijzer uit den poot van den zwarte gehaald, en stond heel vergenoegd zijn paard te streelen, toen Moeder haastig den stal binnenliep.

"Vader! Kom eens kijken wat een goede vangst ik daar deed!" zei ze.

"Neen, wacht even, Moeder. Kijk eens hier," zei Vader. "Nu ben ik erachter gekomen, wat ons paard scheelde."

"Ik geloof, dat het ons nu weer eens meêloopt," zei Moeder. "Stel je voor, de groote ganzerik, die van 't voorjaar verdween, is teruggekomen met zeven wilde ganzen! Ze gingen het ganzenhok binnen, en daar heb ik ze allemaal opgesloten."

"Dat is wonderlijk!" zei Holger Nielsson. "En weet je Moeder, 't allerbeste van dit alles is, dat we nu niet meer hoeven denken, dat de jongen den ganzerik meênam, toen hij van ons wegging."

"Ja, daar heb je gelijk aan! Maar ik ben bang, dat we ze nu vanavond al slachten moeten. 't Is over een paar dagen al St. Maarten, en we moeten ons haasten, als we ze nog op tijd naar de stad willen krijgen."

"'k Vind 't zonde den ganzerik te slachten, nu hij met zoo'n groot gevolg hier thuis komt," zei Holger Nielsson.

"Als 't ons beter ging, zou hij wel mogen blijven leven, maar als we van hier weg moeten, kunnen we toch immers de ganzen niet houden."

"Ja, dat is waar ook."

"Help me nu maar ze in huis te brengen," zei Moeder.

Ze gingen heen, en een oogenblik later zag de jongen Vader aankomen met Maarten onder den eenen, en Donsje onder den anderen arm, en met Moeder in huis gaan. De ganzerik riep, zooals altijd, als hij in gevaar was: "Duimelot, Duimelot, help me!" hoewel hij niet weten kon, dat de jongen in zijn buurt was.

Niels Holgersson hoorde hem wel, maar hij bleef achter de staldeur staan. Hij deed dat niet, omdat hij wist, dat het goed voor hem zelf wezen zou, als de ganzerik op de slachtbank kwam te liggen,--daar dacht hij op dat oogenblik heelemaal niet aan--maar omdat hij--als hij den ganzerik redden wou, zich aan Vader en Moeder moest vertoonen, en dat vond hij vreeselijk.

"Ze hebben het al moeielijk genoeg," dacht hij. "Moet ik hun nu ook dat verdriet doen?"

Maar toen de deur achter den ganzerik dichtviel, kwam er leven in den jongen. Hij vloog over 't grasveld, sprong op het eikenhouten plankje voor de huisdeur en de gang in. Daar deed hij ouder gewoonte zijn klompen uit, en liep naar de kamerdeur. Maar hij vond het nog aldoor zóó akelig zich aan Vader en Moeder te vertoonen, dat hij niet de kracht had de hand op te heffen en te kloppen.

"'t Is om Maarten, den ganzerik, te doen," dacht hij toen, "hij, die mijn beste vriend was, sinds ik hier voor 't laatst stond."

En in dat oogenblik herinnerde hij zich alles, wat de ganzerik en hij hadden doorgemaakt, op bevroren meren en stormachtige zeeën en onder gevaarlijke roofdieren. Toen klopte zijn hart van dankbaarheid en liefde. En hij overwon zichzelf, en bonsde op de deur.

"Is daar iemand?" zei Vader, en deed open.

"Moeder, u moet den ganzerik niet aanraken!" riep de jongen, en op 't zelfde oogenblik gaven de ganzerik en Donsje, die op een bank gebonden lagen, een schreeuw van blijdschap, zoodat hij hoorde, dat ze nog in leven waren.

Maar wie ook een uitroep van vreugde liet hooren--dat was Moeder.

"Neen, wat ben je flink en groot geworden!" riep ze.

De jongen was niet in de kamer gekomen, maar bleef op den drempel staan, als iemand, die er niet zeker van is, hoe hij ontvangen zal worden.

"Goddank, Goddank, dat ik je terug heb," zei Moeder. "Kom toch binnen, kom binnen!"

"Wees welkom," zei Vader. Hij kon geen woord meer uitbrengen.

Maar de jongen bleef nog op den drempel staan. Hij kon niet begrijpen, dat ze zoo blij waren met hem, zooals hij nu was. Maar toen kwam Moeder, en sloeg de armen om zijn hals, en trok hem mee in de kamer. En toen eerst begreep hij wat er gebeurd was.

"Moeder, Vader! Ik ben groot! Ik ben weer een mensch geworden!" riep hij.

XLI.

'T AFSCHEID VAN DE WILDE GANZEN.

De jongen stond den volgenden morgen vóór zonsopgang op en ging naar het strand. Hij stond daar een eind ten oosten van 't visschersdorp Smyge, vóór 't nog goed licht was. Hij was alleen. Hij was in 't ganzenhok geweest om Maarten, den ganzerik, te roepen, maar die had niet van huis gewild. Hij had geen woord gezegd, maar alleen het hoofd onder den vleugel gestoken, en was weer ingeslapen.

't Scheen een heerlijke heldere dag te worden. 't Was bijna even mooi weer, als op dien lentemorgen, toen de wilde ganzen naar Skaane waren gekomen. De zee lag rustig en onbewegelijk. De lucht was doodstil, en de jongen dacht er aan wat een goeden overtocht de ganzen zouden hebben.

Hij zelf leefde nog als in een soort bedwelming. Nu eens dacht hij als dwerg, dan weer als mensch. Als hij een steenen walletje langs den weg zag, was hij bang om verder te gaan, eer hij er zich van had overtuigd, dat daar achter geen roofdier op den loer lag. En dadelijk daarna lachte hij zichzelf uit, en verheugde er zich over, dat hij groot en breed en sterk was, en nergens bang voor hoefde te wezen.

Toen hij bij de kust kwam, ging hij, zoo groot als hij was, vlak aan 't strand staan, opdat de wilde ganzen hem zouden zien. 't Was een groote trekdag. Onophoudelijk klonken er loktonen vanuit de lucht. Hij glimlachte, toen hij er aan dacht, dat niemand zoo goed als hij verstond, wat de vogels elkaar toeriepen.

Nu kwamen ook de wilde ganzen aanvliegen. De eene groote troep volgde op den anderen.

"Als 't nu maar niet mijn ganzen zijn, die weggaan zonder me goedendag te zeggen," dacht hij. Hij zou hun zoo graag vertellen, hoe alles gegaan was, en hun laten zien, dat hij weer een mensch was geworden.

Daar kwam een troep, die sneller vloog en luider riep dan de andere, en er was iets, dat hem zei, dat het deze troep moest zijn. Maar hij kon ze niet zoo zeker herkennen als den vorigen dag.

De troep vloog langzamer, en streek heen en weer langs het strand. Toen begreep de jongen, dat zij het wezen moesten. Hij kon alleen niet begrijpen, waarom de wilde ganzen niet bij hem neerkwamen. 't Was toch onmogelijk, dat ze hem niet zagen.

Hij trachtte den loktoon te roepen, die hen bij hem zou brengen, maar zijn tong was onwillig. Hij kon het rechte geluid niet krijgen.

Hij hoorde Akka hoog in de lucht roepen, maar hij begreep niet wat ze zei.

"Wat is dat? hebben de wilde ganzen een andere taal gekregen?" vroeg hij zich verbaasd af.

Hij wenkte hen met zijn muts, hij liep langs het strand en riep: "Hier ben ik! Waar ben jij?"

't Scheen, dat hij ze alleen maar bang maakte. Ze vlogen hooger op, en verder de zee in.

Toen begreep hij het eindelijk!

Ze wisten niet, dat hij een mensch was geworden. Ze herkenden hem niet!

En hij kon ze niet roepen, omdat een mensch de taal van de vogels niet spreken kan. Hij kon die niet meer spreken, en ook niet meer verstaan.

Hoewel de jongen zoo blij was, dat hij uit de betoovering verlost was, voelde hij 't als een bitter verdriet, dat hij op die manier van zijn goede kameraden moest scheiden. Hij ging in 't zand zitten en verborg zijn gezicht in zijn handen. Wat hielp het of hij ze al nakeek?

Maar dadelijk daarna hoorde hij vleugels ruischen. Het was Moeder Akka zwaar gevallen van Duimelot weg te gaan, en ze kwam nog eens terug. En nu de jongen stil zat, waagde ze 't hem te naderen. Plotseling had zeker 't een of ander haar oogen geopend, zoodat ze zag, wie hij was. Ze streek neer op de landpunt vlak bij hem.

De jongen deed een uitroep van blijdschap, en omhelsde de oude Akka. De andere wilde ganzen omringden hem, en streken met hun snavels langs hem heen. Ze kakelden en praatten allen door elkaar, en wenschten hem allen hartelijk geluk. En hij sprak ook, en dankte hen voor de heerlijk mooie reis, die hij met hen had gemaakt. Maar op eens werden de wilde ganzen wonderlijk stil, en trokken zich van hem terug. 't Was alsof ze wilden zeggen: "Och, hij is een mensch! Hij verstaat ons niet, en wij verstaan hem niet."

Toen stond de jongen op, en ging naar Akka. Hij streelde en liefkoosde haar. Dat deed hij ook met Yksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, de ouden, die van 't begin af bij hem waren geweest.

Toen ging hij van 't strand weg, het land in. Want hij wist wel, dat vogelverdriet nooit lang duurt, en hij wilde van hen weggaan, terwijl ze nog bedroefd waren, omdat ze hem missen moesten.

Toen hij op den dijk gekomen was, keerde hij zich om, en keek naar de vele vogeltroepen, die over zee vlogen. Alle riepen hun loktonen, alleen één troep wilde ganzen vloog stil voort, zoolang als hij ze zien kon.

Maar de troep was goed geordend, en vloog met flinke vaart, en hun vleugelslagen waren sterk en krachtig. En de jongen voelde zóó'n verlangen naar hen, die wegvlogen, dat hij bijna wenschte, dat hij weer Duimelot was, die over land en zee kon rijden met een troep wilde ganzen.

AANTEEKENINGEN

[1] Een groote zandvlakte op Öland.

[2] Berg- en boschstreek in Oost-Göthland, Södermanland en Nerike.

[3] Zoo heet het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.