Niels Holgersson's Wonderbare Reis
Chapter 34
"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden."
"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka," zei de jongen. "Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden."
ASA, HET GANZENHOEDSTERTJE EN DE KLEINE MADS.
In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. 's Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en 's morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.
Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als 't hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat 't zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden 't niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.
Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleine kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.
De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer--dat was na de derde begrafenis--was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!
Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.
Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.
Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en was opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: "Zij zullen ook gauw sterven."
Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.
Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. 't Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in 't begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.
Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je 't er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.
Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.
De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voor zichzelf. 't Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. 't Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om 't hardst kakelde met de ganzen op 't veld.
Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die ieder jaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.
Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.
De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.
De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.
Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.
Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.
Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?
Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte 't heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.
Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.
Waar moesten ze dan naar toe?
Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.
De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.
Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.
Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.
"Neen maar! Neen maar!" zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.
"Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is," zei de boerin.
Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: "Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen."
In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze 't zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeep en de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.
DE DOOD VAN KLEINE MADS.
Kleine Mads was dood. 't Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.
Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.
"Ga niemand anders roepen," had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.
"Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa," had hij gezegd. "Jij ook niet?"
En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: "Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien."
Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.
't Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.
Asa zat er aan te denken hoe 't hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren 't merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.
Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.
XXXV.
BIJ DE LAPLANDERS.
De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.
"Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb," snikte zij.
't Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar hoofd neerlegde. En 't was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads springlevend bij haar in de kamer kwam.
"Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken," zei hij.
"Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is," antwoordde ze.
"Wees daar maar niet ongerust over!" zei kleine Mads vlug en vroolijk, zooals gewoonlijk. "Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal."
Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: "Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen."
Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het 't zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, terwijl ze door 't land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.
"Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen zou, om me te helpen Vader te vinden," dacht ze.
En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen om bij hem te komen.
Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.
Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, wat hij had geraden.
Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan den gang was. 't Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, die gebouwd werd in een streek, zóó ver naar 't noorden gelegen, dat de kleine verschrompelde berkjes, die 't veld bedekten, hun bladen niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.
Ten westen van het meer lag 't veld vrij en open, en daar hadden een paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich eerst maar een droge en prettige plaats bij 't meer uitgezocht, en toen hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om 't dak te leggen en te dekken, of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, om hun huis in te richten of te meubileeren. 't Voornaamste was, dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen werd vastgemaakt.
De kolonisten aan den oostkant van 't meer, die zoo ijverig werkten om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in 't hooge noorden al veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.
Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten koffiedrinken.
Terwijl de Laplanders druk aan 't praten waren onder de koffie, kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen de dertien en veertien jaar.
De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. 't Was een goede vriend van de Laplanders, een vriendelijk en spraakzaam man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij in de tent moest kruipen.
"Je komt als geroepen, Söderberg!" zei hij. "De koffiepot staat op 't vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel ons wat nieuws."